DILETTANTISME.

(EEN ARTISTIEKE ONTBOEZEMING VAN GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).

Hey de diddle

The cat and the fiddle:

The cow jump'd over the moon--

------------------------

_Engelsch liedje._

Laat d'Elephant nu vrolijk zingen,

En 't huppelend rendier in de wei--

------------------------

_Schoolmeester._

De afgebeden wind, de krachtige Zuid-Oost-Passaat, was eindelijk

doorgebroken.--Een paar dagen lang blies hij frisch in de zeilen; en

toen we kaap Roque in 't oog kregen, en zachtkens voortgleden langs 't

ruige kustgebergte van Brazilië--toen was 't heerlijk, goddelijk aan

boord: de dagen glanzend, en liefelijk de nachten, als zouden de

hemellichten voor 't eerst hun loflied zingen.--Doch, reeds ter hoogte

van Pernambuco begon de Passaat flaauwer en flaauwer te waaien. Te

vergeefs werd er gefloten en aan den bezaansmast gekrabt; St. Antonius

luisterde naar geen rede. De zeilen hingen slap, als vlaggen op

Koningsverjaardag; de zee lag plat, en glimmerde luiweg in de zon, als

't groote kwikbad van Professor Mulder.--Dan was, na den gloeijenden

dag, de avond een tijd van feestelijk genot. Men vlijde zich onder den

fonkelenden hemelboog, en, hijgend van wellust, zwelgde men 't suizend

koeltje in, waarmeê de jonge nacht de zeilen rondt--blank en vol als

maagdeboezems. Ons bloed stroomde weêr; nieuwe levenskracht verruimde de

afgematte borst; als met frisschen balsemgeur vulden zich gretig de

longen.--En de maan dook vrolijk op van uit den plas, lagchend en

tintelend, verliefder dan ooit--als wist ze 't, dat we haar _nu_ dubbel

welkom heetten--zij,

»--die flonkert--en zwijgt!"

Zoo schonk ons de milde natuur een nacht van rust en koelte na den

langen benaauwden dag; aan haar lag 't niet: zij heelde waar ze geslagen

had. Doch--hoe zou 't anders kunnen--de mensch, de domme, eigenzinnige

mensch, lette niet op haar wenken, verwaarloosde haar beste gaven--en

volgde zijn eigen verkeerden zin.--In plaats dat men zou genieten van 't

goede dat de avond bragt: in plaats dat men zou rusten, en toeven, en

adem scheppen--wat deed men?--: men stelde alle pogingen in 't werk, om,

door malle potsen en kromme sprongen, 't pas gestelpte zweet op nieuw in

stroomen te doen uitbreken--: men offerde op de altaren van Euterpe en

Terpsichore--doch, helaas, zoo vunzigen wierook, dat de schepsels 't wel

moeten uitgeschreeuwd hebben van razende hoofdpijn.

Reeds meermalen, als onze reizigers over verveling klaagden--'t geen

niet zelden plaats had--was door den Kapitein gewaagd van zeker

draaiorgel, dat zich aan boord zou bevinden, en bij welks maatgeluid op

schoone zomeravonden zou kunnen gedanst worden. Indrukwekkende konde:

zoetklinkend in de ooren van velen; een mare van angst en schrik op 't

klassiek-ontwikkeld trommelvlies van den fijnmuziekalen Gabriël.

Lang had ik gehoopt, dat 't orgel in 't diepst van ons scheepshol, en 't

dansen mét 't orgel zou vergeten blijven----toen, ik op zekeren

avond--naauw was de zon, omstuwd door rozeroode wolkjes, den grijzen

Meergod in de armen gezonken--uit mijn overpeinzingen gewekt werd, door

een piepend, schreeuwend, knarsend geluid: een geluid, waarvan de

toonen, zuchtend en stootend, de melodie van een Duitschen polka heetten

aan te geven.--Ik luister--ik geloof mijn ooren niet! Ik zie op--ik

geloof mijn oogen niet: want, bij St. Vitus, dáár, achter me, vlak

achter me, alsof ze 't er om gedaan hadden, daar staat 't draaiorgel--en

naast me, om me heen, zie ik paren van mannen en vrouwen, als draaijende

poppen hokkend en sjokkend op 't afschuwlijk, maatloos gesnater!--Men

maakte muziek en men danste!

Mijn vriend Judocus, die, ondanks de stijfheid zijner ledematen, in de

hedendaagsche trippelkunst een matador bleek te zijn, wierp zich op als

_maître de ballet_, en maakte zich alras beminnelijk door 't organiseren

van eenige quadrilles, mazurka's en andere spring-combinatiën, die alle

tot groot genoegen van executanten werden afgestoken. 't Animo nam

dagelijks toe: elken avond liet Papageno zijn klokjes hooren; 't

onderscheid tusschen rang en stand verdween: men zag passagiers,

kapitein en stuurluî in gonzende mengeling en dwarrelende eendragt een

galop of pas-de-trois uitvoeren--'t was jammerlijk, 't was

menschonteerend!--Ziet ze huppelen, hoort ze jodelen!--Nog liever zag ik

't St. Elmus-vuur huppelen over de ra's, en hoorde den storm jodelen

door de touwen!

* * * * *

Ondanks mijn kwalijk verbergen ergernis, had ik reeds verscheiden

avonden een dergelijke dans- en zanglustige voorstelling moeten

bijwonen.--Ten laatste echter, toen dit amusement tot een ware manie

klom, besloot ik, aan mijn verontwaardiging lucht te geven, en, in een

gemoedelijken speech, tegen de door mij verafschuwde Baälsdienst der

populaire kunst te velde te trekken. Ik beklom, na mij met eenige glazen

Rhijnwijn te hebben gesterkt, een watervat, en, als een jeugdige

Pickwick, de linkerhand onder de slippen van mijn jasje verbergend en

met de regter-bevalliglijk gesticulerend--hield ik--natuurlijk uit naam

der beide diep beleedigde zanggodinnen--de volgende redevoering.

* * * * *

Mijne vrienden, riep ik--wanneer ik u zoo zie dansen en springen, zoo

hoor jolen en zingen, voel ik mijn smaak voor 't goede en schoone op 't

pijnlijkst aangedaan en gekrenkt. Niet, dat ik u een onschuldige

uitspanning misgun, of met den adderblik van een Calvinist op uw

Arcadische spelen nêerzie----Sinte Laetitia behoede mij: ik aanbid de

vreugd: ik heb genoeg geleden, om te weten hoe zalig 't is, _eens blij

te zijn_. Edoch, ik herhaal 't, mijn schoonheidsgevoel is zóó

kiesch--vooral waar 't op een verdedigen van de onschendbare

bekoorlijkheden der negen gezusters aankomt--dat ik niet kan nalaten, uw

blij genot voor een oogenblik te verstoren, om u te doen opmerken, hoe

verschrikkelijk leelijk gijlieden doet--gij, mitsgaders de overgroote

meerderheid uwer diletterende medemenschen--, ik herzegge: hoe

verschrikkelijk leelijk gijlieden doet, en hoe ergerlijk ge uw

waardigheid als gezeten burgers versmijt, wanneer ge daar zoo, gelijk ge

't noemen durft, _danst_ en _zingt_.

Ikzelf, die tot u spreek, houd veel van dansen--maar, mijne vrienden:

van dansen, als kunst, waarbij de mensch, bezield en opgewonden door een

geestige muziek, met edele gebaren en bevallige bewegingen tracht uit te

drukken wat hij gevoelt. »_Tracer des chiffres d'amour_", noemden 't de

_Précieuses_--en de uitdrukking is wél gekozen: men zie slechts door

goede dansers een goed ballet opvoeren!--Om beter te bewijzen, hoe ik 't

dansen als kunst hoogschat, en om weêr te geven, hoe ik wenschte 't

toegepast te zien, haal ik hier de woorden van Beaumarchais aan, die ik,

o vrienden, ter uwer aller leering, expresselijk voor deze gelegenheid

heb van buiten geleerd:

»_Il est un autre art d'imitation, en général beaucoup moins avancé que

la musique, mais qui semble en ce point lui servir de leçon. Pour la

variété seulement, la danse élevée est déjà le modèle du chant._

_Voyez le superbe Vestris ou le fier d'Auberval engager un pas de

caractère. Il ne danse pas encore, mais d'aussi loin qu'il paraît, son

port libre et dégagé fait déjà lever la tête aux spectateurs. Il inspire

autant de fierté qu'il promet de plaisir. Il est parti.--Pendant que le

musicien redit vingt fois ses phrases et monotone ses mouvements, le

danseur varie les siens à l'infini._

_Le voyez-vous s'avancer légèrement à petits bonds, reculer à grands

pas, et faire oublier le comble de l'art par la plus ingénieuse

négligence? Tantôt sur un pied, gardant le plus savant équilibre, et

suspendu sans mouvement pendant plusieurs mesures, il étonne, il

surprend par l'immobilité de son aplomb.--Et soudain, comme s'il

regrettait le temps du repos, il part comme un trait, vole au fond du

théâtre, et revient, en pirouettant, avec une rapidité que l'oeil peut

suivre à peine._

_L'air a beau recommencer, rigaudonner, se répéter, se radoter--il ne se

répète point, lui! Tout en déployant les mâles beautés d'un corps souple

et puissant, il peint les mouvements violents dont son âme est agitée:

il vous lance un regard passionné que ses bras mollement ouverts rendent

plus expressif: et, comme s'il se lassait bientôt de vous plaire, il se

relève avec dédain, se dérobe à l'oeil qui le suit, et la passion la

plus fougueuse semble alors naître et sortir de la plus douce ivresse.

Impétueux, turbulent, il exprime une colère si bouillante et si vraie,

qu'il m'arrache à mon siége et me fait froncer le sourcil. Mais,

reprenant soudain le geste et l'accent d'une volupté paisible, il erre

nonchalamment avec une grâce, une mollesse et des mouvements si

délicats, qu'il enlève autant de suffrages qu'il a de regards attachés

sur sa danse enchanteresse._"[9]

Beaumarchais spreekt hier van »_le superbe Vestris ou le fier

d'Auberval_." Ik, Gabriël, als ik me een Mozartsch menuet en trio voor

den geest haal, zie de Sylphen huppelen, en de Nixen haar zwevende rijen

vormen.--Geen van die allen nu treft men in een gewoon gezelschap,

evenmin als men ze aan boord van een Oost-Indie-vaarder moet zoeken. Men

kan dan ook niet vorderen, dat burgermenschen zich op de maat zullen

voortbewegen met de vlugheid en gratie van artisten of mythologische

wezens.--Doch wél kan men eischen--aangezien niemand tot beoefening van

den dans, of van welke kunst ook, wordt gedwongen--dat een iegelijk, die

zich vrijwillig er op toelegt, zooveel zijn aanleg en vermogens 't

toelaten, trachten zal, iets schoons, ten minste iets aangenaams voort

te brengen.--Dit is ook zoo ontzettend moeijelijk niet: een losse

beweging van de armen, een gracieuse wending van 't bovenlijf, een goed

op de maat sluitende pas, vormen reeds een aangenaam geheel, zonder dat

men als een priktol behoeft rond te draaijen, of, met een snelheid van

tien knoopen, een zaal behoeft dóór te stuiven. 't Is waar, bij _zulk_

dansen is een weinig oor onmisbaar: een oor, zooal niet voor muziek, dan

toch voor maat; 't is niet voldoende, van een drie-kwarts tempo den

neêrslag te kunnen meêtrappen--men moet ook, buiten _'t zware_ tijddeel,

't _ligte_ kunnen voelen, en eenig begrip hebben van de gewone

basbegeleiding, die men, in al haar nuanceringen, met den voet als 't

ware behoort aan te geven; doch juist daardoor alléén wordt 't mogelijk

een dans te scheppen, die niet geheel op gelijke hoogte staat met de

uitvoeringen der broederschap van Atta Troll. _Zóó kan_ 't dansen een

kunst wezen, die fantasie en hartstogt uitdrukt, »_un art

d'imitation_"--een kunst, die een Haydn en Mozart, ja, een deftige Bach

en Haendel, niet geschroomd hebben, door hun onsterfelijke scheppingen

aan te moedigen en te idealiseren.

En wat, mijne vrienden, wat hebt gijlieden van die kunst gemaakt?--De

karikatuur van Hogarth--een uitstalling van de stijfste en stokkerigste

ligchaams-verwringingen.--Ziet, ai ziet daar ginds den geleerden

Judocus, anders zoo statig; den vluggen Josua, anders zoo galant: ziet,

hoe ze, als lompe boerepummels, met de beenen verward zitten tusschen de

rokken van hun danseressen Coba en Keetje! Ziet, hoe Hupman, dat

toonbeeld van een _preux chevalier_, al dansend den rand van Mevrouw

Tripvoet's ochtendjapon heeft afgetrapt! Hoe Lepidus, die slankste aller

sinjo's, daar even, bij 't vertoonen zijner solo-passen, een _culbute_

maakte, niet ongelijk aan de _cabrioles_ van Don Quichotte in de Sierra

Morena! Hoe zelfs onze logge Grogmeijer de niet minder vormelooze

Fräulein Einheit doet rondzwieren: Leviathan, die Behemoth heeft ten

dans genoodigd! Ziet en hoort, hoe men nu _en corps_ losbreekt, onder

oorverdoovend geschuifel, en, met geringachting van schoenen en

pantoffels, de planken onzer campagne glad galopeert!--Ik vraag u, is er

in dit alles iets van 't uitdrukkingsvolle en afwisselend schoone, dat

de geniale Franschman als hoofdvereischte van den dans

aangeeft?--Antwoordt mij, dat ge niet beter dansen _kunt_, en toch

dansen _wilt_;--goed, 't zij zoo:--dat is, wijl ge domme, ijdele

schepsels zijt, net als een zekere Gabriël, die ook schrijven _wil_

zonder 't te _kunnen_. Maar stemt mij ten minste toe, dat ge zoodoende

de kunst vernedert tot een onbevallig apenspel, en dat ge verkeerd

doet, _zoo_ te dansen: want dat de mensch--zelfs de burgermensch--die

dansen wil, als _mensch_ moet dansen, en niet als een brombeer, of als

een jeugdig mastodon, of als een losgelaten kalf in Grasmaand--!

Zóóveel, mijne vrienden, omtrent de zorgwekkende omstandigheden, waarin,

door uwlieder toedoen, de snelvoetige Terpsichore verkeert.

Om nu ook over de zachte Euterpe, de inspiratrice en instigatrice van

den dans, met een enkel woord te spreken, moet ik beginnen u te

verzekeren, dat 't met haar nog veel treuriger gesteld is, en dat, in

dezelfde mate als zij verheven is boven haar zuster, in die mate ook de

Muse der Toonkunst dieper ontheiligd wordt door een wufte menigte, die

haren naam ijdellijk durft misbruiken.

Muziek!--Dat is een tooverwoord in mijn oor: 't maakt me gelukkig,

trotsch en rijk; 't sterkt me, en doet me 't hoofd opheffen;--en

tegelijkertijd doet 't mijn hart overloopen van weemoedige

herinneringen; doet me bitter pijnlijk gevoelen, wat ik mis--als had ik

dáárin alléén een wereld achtergelaten!--Muziek, mijne vrienden----

* * * * *

Doch, ik zie wel--mijn stem is als die van Aäron bij de dienst van 't

Gouden Kalf! Elk danst zijn dansje, en liedelt zijn liedje;--en de

hervormer Gabriël babbelt voor mast en touw.

Daarom--ik daal neêr van mijn gestoelte--vloek mijn bekeeringsijver--vat

de pen op--en spreek tot U, broêr Willibald--tot U, die mij begrijpen

kunt, omdat gij met me gevoelt.

_Gij_ zult 't weten, hoe mijn gewaarwordingen wezen moeten, als ik, tot

eenigen troost, de partituren nalees van onze aangebeden meesterstukken.

Als ik de Zauberflöte-liederen doorloop, die we, sints jaar en dag,

zamen zongen en speelden; als ik Fidelio volg in den donkeren kerker; of

met Heiling mijn aardgeesten ter wrake roep! Als Figaro mij voert door

al de rijke episoden van zijn veelbewogen bruiloft: in de slaapkamer der

treurende Rosina, en in den geurigen Spaanschen oranjehof,

»_Wo die sanften Abendlüfte_

_----------weh'n_".

Of, als de heerlijke liederen van den vromen Jacob mij stemmen tot

ootmoedige bewondering!--En als ik dan verder ga, en ik denk aan al onze

oude lieve muziek, waarmeê we zoo dweepten, die ons zoo troostte en

ophief in ons broederlijk gedeeld leed; als ik denk aan onze eigen

nederige uitvoeringen: onze sonaten en orgelstukken; of, onder de vele

magtige orkestwerken die we hoorden, aan 't dichtstuk, dat een Godheid

niet heerlijker had kunnen scheppen: de groote Leonore-ouverture;----als

me dat alles zoo klingt en zingt door 't hoofd--zie, _gij_ kunt

beseffen, hoe ik dan _sehnen_ kan, met mijn gansche ziel, om nog éénmaal

in wezenlijkheid te hooren, wat mijn geheugen me als een zwakke echo

herhaalt----iets, hoe weinig ook--een goede streek, een ferm akkoord!

En dat ik 't nu den lieden in 't algemeen zoo half kwalijk neem, wanneer

ze »muziek willen maken", zal me elk ander als een malle pedanterie

toerekenen.--Gij, amice, zult dat niet. Gij, als musicus, weet toch,

hoe'n onverdraagzaam pedant wezen een musicus _is_ en _zijn moet_.--Ik

kan niet oordeelen over de stemming van andere artisten, van den

schilder of beeldhouwer, wanneer ze hun kunst zien profaneren;--maar wél

weet ik, hoe de kenner op muziekaal gebied van geen genade hooren mag

voor alle pretentieuse oningewijden: hoe hij den ongelukkigen liefhebber

veracht, en lager dan een straatmuziekant stelt, die valsch of buiten de

maat durft zingen, die speelt zonder opvatting, die doof is voor de

schoonheden van harmonie en contrapunct, die niet de breede klove

overziet tusschen een Mozart en een Meijerbeer.

Ditzelfde verwijt ons zeker onsterfelijk Hollandsch schrijver--en,

hierdoor bewijst de groote man, dat hij minder op 't gebied der noten

dan op dat der letteren t'huis behoort, daar hij immers op geheel

anderen toon zou moeten gesproken, en betoogd hebben: hoe de ware

musicus haast niet te onverdraagzaam _kan_ zijn.

Want, op mijn eer--er is geen kunst, waarvan elk zich spoediger meester

waant, dan de muziek.--Ga rond bij de meeste welopgevoede lieden, en

vraag hun, of ze kunnen teekenen, of ze een oordeel kunnen vellen over

de waarde van een schilderij of marmergroep. Ze zullen u antwoorden:

»neen", of, »een weinig".--Spreek hun over muziek--en ge zoudt meenen,

met niets dan Leipziger Professoren te doen te hebben!--Elk prefereert

zijn komponist, en verwerpt den anderen; kiest zijn stijl en genre;

haalt de schouders op voor _deze_ opera, en applaudisseert genadiglijk

_gene_; elk heeft aanleg, smaak, gevoel; elk zingt, en bespeelt zijn

instrument--of, zoo hij 't _niet_ doet, is 't slechts, omdat hij

verzuimd heeft er zich meer speciaal op toe te leggen; velen zelfs zijn

harmonisten op hun wijs, en brommen een baspartij in de kerk; en--zij

die aan niets van dat alles kunnen meêdoen, weten er toch altijd nog

genoeg van, om artisten te recenseren, en Wagnersche compositiën

_fiasco_ te doen maken--!--Ja, ik heb, zoolang ik leef, slechts _drie_

menschen ontmoet, die er gulweg voor uitkwamen, _geen_ muziekaal begrip

te bezitten;--en toch durf ik beweren, dat ik, artisten uitgezonderd, er

_geen_ drie gekend heb, die er met regt op bogen mogten.

Nu vraag ik denzelfden grooten Hollandschen schrijver--hem, wien 't maar

half schijnt te bevallen, dat men op een concert een symphonie van

Beethoven speelt; op wien fijne vioolfiguren en geestige fluitpassages

den indruk maken van kurketrekkers, ziegezagen en krakelingen:--ik vraag

denzelfden grooten schrijver, waar 't heen zou moeten, indien niet de

artist en degelijke dilettant een weinig de kunst staande hielden, en

haar, door een soms overdreven verwaandheid, beschermden tegen 't

brullend publiek, dat meêbalkt met hoog opgestoken Midas-ooren, zonder

eens den hoed af te nemen bij 't naderen van den troon waarop de Muse

gezeten is--!

Dát is 't, wat ons 't Jubals-bloed naar den kop jaagt, met een

aandoening tusschen bliksemende verontwaardiging en onuitsprekelijk

dédain: een aandoening, gelijk ze Rembrandt moest gevoeld hebben, had

hij op een uithangbord de woorden »_Schilder_ en Glazenmaker" gelezen--:

als elk zot nufje, dat, na jaren hakkens, eindelijk »_les Cloches_" en

een potpourri uit de »_Martha_" heeft leeren oprammelen, verklaart: »dol

veel van muziek te houden, en ook ijselijk veel gevoel te hebben." Of,

als de elleridder getuigt: »den Franschen stijl te verkiezen boven den

Duitschen, omdat de laatste saai is en niet zangrijk genoeg." Of,

wanneer de timmermansbaas, die als voorloeijer een _oefening_

presideert, ook meêpraat, en pertinent beweert: »dat er geen schooner

_meziek_ bestaat, dan de _wijzen_ van de Psalmen Davids--!"----'t Nufje

moest kraagjes borduren naar stalen uit de _Gracieuse_; de toonbankheld

moest gaan potspelen in »Zuid-holland"; de godzalige timmerman moest

gaan huisjesmelken, of planken zagen, of zijn knechts 't loon

beknibbelen.----Dat _moesten_ ze doen.--En wat doen ze?--De ezels! Ze

belasteren, belagen, profaneren en prostitueren, de reinste,

goddelijkste, meest aetherische en aesthetische van Apollo's negen

nichten--!

Maar is dan de muziek 't uitsluitend eigendom van artisten?--hoor ik

vragen. Moet 't vinkje zwijgen, omdat de nachtegaal dáár is, die beter

slaat? En is niet een vrolijk liedeken, de eenvoudige tolk van een

opgeruimd gemoed, Gode welgevalliger, dan de strengst klassieke

_bravour-aria_?

Zeker: vrolijkheid is meer waard dan kunstbeoefening. Laat elk vogeltje

dus fluiten naar zijn aard; laat elk schepsel den toon aanslaan, dien

Natuur hem in de keel lag, en tot 't uiten waarvan, zijn gevoel de

behoefte in hem doet spreken. Wie met gevoel Pan's rietje blaast, is een

_kunstenaar_; doch wie Apollo's lier wil bespelen als een draaiorgel--is

zelfs den naam van _orgeldraaijer_ onwaardig.--Weg dan met valsche

pretenties; weg met een geaffekteerd _jargon_ in den mond van hen, die

kunst en kunstbegrip tot modestoffen verlagen, waaruit elk »fatsoenlijk

mensch"--d. w. z.: de vrijer van de keukenmeid inclus--zich voor zijn

geld een pakje kan snijden! Weg met de Orgeldraaijers, de Schilders en

Glazenmakers, de van hun leest geloopen Schoenlappers, die niet

beseffen, dat, tot 't aanleeren van een Kunst, veel meer nog dan van

een wetenschap, aanleg, studie en talent vereischt worden!--Zie, de Muse

opent haar tempel voor ieder. Niet enkel voor den virtuoos en den

kwartetspeler--neen, juist zulke duizendkunstenaars blijven vaak op den

drempel zitten. Zij ziet niet op uitvoering, en vraagt niet naar

vingervaardigheid, _embouchure en coup d'archet_;--zij eischt begrip en

gevoel: slechts waar die wonen, doet zij de wieken van den kunstenaar

uitbotten. Want haar tempel staat hoog in de wolken, en--hij die wil

binnentreden, kan niet kruipen of krabbelen naar omhoog;--hij moet

_vliegen_!--d. i.: zijn geest moet, op de vleugels van aanleg, smaak en

beschaving, zich kunnen opheffen van uit de lagere spheren van

tokkelwoede en viedelzucht.--En daar nu, bij verreweg de meeste

aspiranten, die vleugels _nooit_ uitbotten--zoo treft men er vele, die,

al viedelend en tokkelend, hun prachtig lange ooren voor vlerken

aanzien, en er meê klepperen als gekortwiekte ganzen--!

Wie dan vleugels heeft om te vliegen--die vliege!--Wie ze niet

heeft--blijve beneden--en houde den mond!

* * * * *

Edoch, genoeg hierover.--Gunnen we ook een oogenblik gehoor aan onze

musicerende scheepsgenooten, die--terwijl wij op meesterachtigen toon de

kunst monopoliseerden--zich daaraan volstrekt niet gestoord hebben, en,

in 't vol bewustzijn hunner vrijheid, reeds verscheiden stukken »op

aangename voce" hebben uitgevoerd.

't Orgel is weggeruimd. Nadat 't zijn rol had uitgespeeld, en de

gillende meisjes haar draailust hadden botgevierd, heeft een andere

liefhebberij de overhand gekregen: die van zingen en declameren.

Van 't laatste mag ik geen kwaad zeggen, omdat 't ons, _à force_ van

heroï-komische dwaasheid, waarlijk soms tot schreijens deed lagchen. 't

Herinnerde mij op 't levendigst aan de scène uit van Effen:

»Mijn held valt aan" enz.

Maar 't zingen--o, 't zingen!

Eerst begonnen de vele personen die aanspraak op stem maakten, om strijd

hun solo's voor te dragen. Daar waren de dochters van den Majoor, nonna

Flora, nonna Coba en nonna Keetje, Fräulein Einheit, vervolgens de

Kapitein, of een van de heeren.--De dametjes, met haar klaaglijk

trillende stemmetjes, haalden in den maneschijn regt roerend verliefde

litaniën uit. De kapitein daarentegen--de man had een stem als een

megatherium--zocht dan de teweeggebragte, smachtend zwaarmoedige

stemming te verdrijven door 't aanheffen van een-of-ander magtig joviaal

drink- of matrozenlied. Jammer dat hij, met zijn eenigzins »grokkerig"

klinkende _basse-taille_, steeds den angstigen indruk maakte, alsof hij,

onder 't zingen, met een strop werd omhooggehaald, daar hij zijn lied

meestal eindigde, een terz hooger dan de grondtoon waarin hij begon.

Nog merkwaardiger was 't, als ons gansche personeel zich in koor

aansloot.--Onze oostersche zangers toch bleken een eigenaardig talent te

bezitten, om, geheel _ad libitum_, tweede, derde en vierde, ja, vijfde

en zesde stemmen te formeren: welke stout-harmonische vlugt dan

gewoonlijk haar azimuth bereikte in 't daarstellen van een dissonant,

wier oplossing zelfs 't vernuft der nieuwere theoretici had doen

vertwijfelen.--Dit alles had plaats met zekeren plegtigen ernst, dien de

strengste kapelmeester zich niet beter had kunnen wenschen. Men zit in

statige rijen op 't dek; een veelbelovend stilzwijgen heerscht

vooraf;--dan laat de uitverkoren soliste zich, den daartoe

gebruikelijken tijd, bidden;--men stemt eindelijk toe, en, ofschoon men

teregt beweert »niet te _kunnen_ zingen, en ook niets te _weten_",

schraapt men zich de keel, en zet zich in postuur, alsof men 't »_Ah,

Perfido!_" ging ten beste geven.--Zóó »raakt de pan aan 't glijën":

»_Du, du_", en »_le vaillant Troubadour_", »_la Brigantine_", »_Lebe

Wohl_", »Waar of mijn Dorus blijft"--alles met verrassende fiorituren,

hoogst vrijzinnige modulatiën, en akkuraat invallende kooren, _tempo

rubato_ en _senza tempo_.--Men zingt, couplet vóór, couplet ná; zelfs

Julia, de oude baboe van Grogmeijer, moet haar »_nonna, nina_"[10]

voordragen. De geestdrift stijgt ten top--och, 't klinkt zoo

lief--vooral als er ongetrouwde jongeheeren meêstemmen!

»Want is het niet een hemel schier,

Te zien, hoe dat een geestig dier,

Met spel en zang haar man verkwikt,

Als 't noodig huiswerk is beschikt!"

Och--'t klinkt zoo lief!--Men zingt en dreunt en doedelt--immer

sentimenteler----tot eindelijk de Hr. Josua, die volstrekt niet

muziekaal is, met zijn harmonica, of met den scheepsroeper optreedt, en

ons muziekavondje met een algemeen kattenconcert doet eindigen--!

Januarij, 1866.

[Footnote 9: »_Lettre sur la critique du Barbier de Séville._"]

[Footnote 10: Met deze woorden begint een op Java zeer verspreid

Maleisch wiegeliedje. De melodie, misschien ook hier te lande reeds

overbekend, luidt als volgt:

[Note Project Gutenberg: music transcribed in Lilypond format]

\layout {

\context {

\Score

\remove "Bar_number_engraver"

} indent = #0

line-width = #150

}

{

\override Stem #'direction = #up

\clef treble

\key g \major

b'4. a'8 g'4 [a'8 (b'8)]

c''4. (b'8) a'4 r4

a'4 a'8.[ (a'16)] a'8[ (c''8)] b'8[ (a'8)]

b'4. (a'8) g'4 r4

\break

b'4 b'8[ (c''8)]

\override Stem #'direction = #down

fis''4 d''8[ (e''8)]

\override Stem #'direction = #up

c''4. (b'8) a'4 r8 g'8

fis'8[ (d'8)] fis'8[ (g'8)] a'8[ (c''8)] b'8[ (a'8)]

g'4 g'4 g'4 \bar "|."

}

\version "2.7.39" % necessary for upgrading to future LilyPond versions.

]

Ontboezemingen · 第 43 / 83 题