ONDER DE LINIE.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)

»In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten"--

Smorzando e languendo.

--Zegt de Schrift; en onze catechiseermeester maakte er van: »_arbeiden_

en uw brood _verdienen_"--! Dat wist ik trouwens; 'k had er ook nooit

iets tegen: en vaak, als ik naauw de pen of den strijkstok tusschen de

verkleumde vingers kon houden, heb ik den Hemel gebeden, dat de bron van

licht en warmte mijn zweet wat milder mogt doen vloeijen.

Doch hoe nu!--Moet ik _rusten_ in 't zweet mijns aanschijns? moet ik 't

zweet mijns aanschijns drinken? moet ik zwemmen in 't zweet mijns

aanschijns?--Dat toch kan de bedoeling van Genesis niet wezen.

* * * * *

We dobberen onder de Linie: een gansche week reeds, dobberen, drijven en

draaijen we, op, onder en boven den Equator.

't Waren schoone dagen geweest, toen we zeilden met den

Noord-Oost-Passaat. Toen de lucht zoo blaauw was, en de zee zoo

glanzend; toen de zon zoo helder straalde over onze bruisende

vaart!--Schoone dagen waren 't; en gelukkiger dan Keizer Seged, hadden

we volle tien zulke dagen van ongestoorden vrede mogen beleven.

* * * * *

Maar nu----we dobberen onder de Linie: de Noord-Oost-Passaat heeft ons

verlaten, de Zuid-Ooster komt nog niet: een gansche week reeds,

draaijen, drijven en dobberen we, in den stiltegordel, boven, onder en

op den Equator.

Geen zuchtje, geen zephyr, geen togtje verkwikt ons--niets dat naar wind

gelijkt, dan 't blazen van den loggen botskop,[7] die opduikt, snakkend

naar adem.

Toch--ondanks de stilte--rolt over 't spiegelgladde watervlak een

deining uit den Noordwesten, die ons schommelt en slingert en zeeziek

maakt--als ware er een Typhon los.

* * * * *

En 't is warm, vrienden--warm!

Vraagt niet, of 't warmer is dan in de hondsdagen, warmer dan in een

kermistent, warmer dan in 't zweetkamertje van Leidsche of Utrechtsche

academie!----Ik zeg u, vrienden--de hel is hier--de hel van Torquemada!

Een dompige hitte drukt loodzwaar van uit den bewolkten hemel: geen

drooge felle zonnebrand--maar vochtig, laauw, als stoom uit een ketel

omringt ons de logge atmospheer. Ieder oogenblik kletteren tropische

stortregens op 't dek neêr; gezondheidshalve kan men zich niet laten

natregenen: men gaat dus omlaag; maar, ofschoon de luiken gesloten

blijven, toch dringt de regen met stroomen binnen--een klamme,

broeijende pestwalm vult den engen kerker--alles druipt, dampt, zweet en

riekt!

»Zal de mensch"--zoo spreekt Mohammed, de Veelteprijzene--»zal de

mensch, voor wien deze dingen zijn toebereid, even als hij wezen, die

voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal

gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?--En wat zal u

doen verstaan wat de hel is? Zij laat geen ding onverteerd, noch laat

eenige zaak ontsnappen. Zij verbrandt des menschen vleesch."[8]

_Met kokend water gelescht_: ik bid U, groote Profeet, wiens neusgaten

de geurigste van Arabiës reukwerken niet konden bevredigen--ons water

kookt wel niet--maar 't riekt! _Zij laat geen ding onverteerd_: eilieve,

zoon van Abdallah--zelfs onze ligchamen niet, want merg en bloed gaan op

in damp! _Zij verbrandt des menschen vleesch_: ik zweer u, kleinzoon van

Abdelmottalib, bij al de welgedane maagden die gij tot vrouwen hebt

gehad--aan ons zullen eerstdaags niets dan uitgedroogde beenderen te

verbranden overblijven!

* * * * *

De hel--ja, zoo men ze ergens zoeken mag--de hel is _hier_: _hier_, en

in de zandvlakten van Sahara, en in 't gemoed van den onverdraagzame, en

in de Roode zee, en in één huis met een booze wederhelft--maar _hier_

vooral--_hier_, onder de Linie.

Komt dan, onmenschlijke vischwijven, die kreeften en garnalen

springlevend durft koken! En gij, nog onmenschlijker godgeleerden, die

heidenen en ongeloovigen springlevend durft neêrploffen in den ziedenden

zwavelpoel uws eeuwigen vuurs--komt, doet een uitstapje naar Nederlands

Overzeesche Bezittingen beoosten de Kaap de Goede Hoop; toeft een weekje

in den stiltegordel onder den Evenaar of Evennachts-lijn; zweet er,

smacht er, stikt er en braadt er, zooals _ik_ er gezweet, gesmacht,

gestikt en gebraden heb----en voelt, en weet wat 't is, springlevend

gekookt of geroosterd te worden! Komt, orthodoxen van alle

gezindheden--komt alle, regtgeloovige woordaanbidders, die aan een hel

gelooft voor anderen, en aan een hemel voor uzelf--komt, en leert _hier_

't verschrikkelijke begrijpen van de pijnen, waartoe uw _geloof_ den

broeder veroordeelt--leert _hier_ 't afschuwelijke inzien van den

leelijksten, de tastbaarsten, den onchristelijksten uwer leugens--!

* * * * *

Edoch, zacht wat, Gabriël--wáár holt ge heen! Zal een philippica tegen

regtgeloovigen u tot kouden omslag rond de slapen dienen--!

Ai, laat idioten en duivelen malkander een hel stoken!--Maar gij--roep

gij de hulp der Goden in!

* * * * *

Aeolus, winderige Vader der Winden--slaapt ge--zijt ge dood?

Zie, de Nautilus zelfs heeft in wanhoop zijn rooskleurig zeiltje

gestreken, en laat zich zachtkens neder in den azuren afgrond.

Hoe benijden we u, kleine Argonaut, als we u zien wegzinken in de diepte

van uw frisch, doorschijnend bed!

Duik meê in, gestoofde sterveling--duik meê in, en koel u aan den boezem

der hemelsche Amphitrite, die u wenkt--dáár, zie: spelend met haar

jonkvrouwen: haar bruingevinde, witgebuikte, wijdgebekte jonkvrouwen!

Duik--en wees zalig in haar omhelzing, als ze u zullen omvatten, en u

meêvoeren in triomf--diep, diep--tot in 't koelste diep der blaauwe

wateren----! O, Tantalus, arme Tantalus--!

Januarij, 1866.

[Footnote 7: Een kleinere soort van 't geslacht der walvisschen.]

[Footnote 8: Alkoran, H. xlvii. V. 17, en H. lxxiv. V. 27-29.]

Ontboezemingen · 第 42 / 83 题