(GABRIËL AAN ZIJN BROER WILLIBALD).
Home, sweet home--!
_Con espressione_.
We kruisten in de Golf van Biscaije: we kruisten tusschen 't land van
den wijn, en 't rijk der Almaviva's; een ijzige wind blies ons om de
ooren, een dikke mist stond op de wateren, en somber, als in winterdos
gehuld, strekte zich een loodgraauw zwerk boven onze hoofden uit.
* * * * *
En 't was Kersmis: dát, broêr Willibald, herinnerde ik mij maar al te
goed!
* * * * *
Ik was 't gewoon, dien dag als een dubbelen feestdag te vieren: als
Kersdag, en, broêr Willibald--als _uw_ geboortedag.--Helaas, van dubbel
noch enkel feestvieren kon voor ons sprake wezen.
Verkleumd van koû en nat zaten we, geschommeld en geschud op ons wippend
krukje: soesend, verlangend, niet wetend hoe ons te wringen van armoê
en verveling.--'t Eénig teeken van openbare herdenking bestond voor ons
in 't ontvangen van een kopje chokolaad, welke extra bedeeling ons
gewoonlijk den Zondag van de overige dagen deed onderscheiden.--Onze
Kapitein was immers een modern zeeman--heel praktisch en verlicht: »hij
stoorde zich niet aan die gekheid: 't zat 'em daar toch niet in", zeî
hij, »en de ééne dag was zoo goed als de ander."----Arme Nederlandsche
natie,--mét den devoten zin der vaderen, zijn ook uw kracht en glorie
geweken! Zie dien schipper--: waar vroeger zijn ambtgenoot, gestukadoord
en gestijfseld, 't psalmboek zwaaide--gaat de verbasterde nazaat vóór,
als Silenus bij de dienst van den chokoladeketel!--»_Horrible,
horrible_--_most horrible_--!"
* * * * *
En toch had _ik_ gaarne een kerkdienst bijgewoond, dien dag. Gaarne had
ik 't mij getroost, een preek aan te hooren, in de togtigste en
onhuislijkste aller protestantsche kerken: een preek, opgegalmd door den
leuterigsten en witbloedigsten aller protestantsche dominees: een
solied-orthodoxe Kerspreek, in al haar afmetingen van lengte, breedte en
diepte; met al haar verschrikkingen van punten en deelen en onderdeelen,
van hoogopgetrokken bouffanten, walmende stoven, en bevrozen
wintervoeten------ja, onder al dien jammer had ik blijmoedig 't hoofd
gebogen--ochtend- en middagdienst zonder morren doorworsteld----indien
ik slechts den avond t'huis had mogen doorbrengen: den lieven, éénigen
Kersavond had mogen slijten in den kring der mijnen!
Zag ik 't niet, broêr Willibald--zag ik 't niet, met gesloten oogen: hoe
ze, na kerktijd, allen tot u kwamen, en u de hand drukten, en
gelukwenschten--U, die toen de oudste en éénige zoon waart in moeders
huis!--En 's avonds--zag ik ze 's avonds niet aan de ronde tafel
vergaderd, ooms en tantes, neven en nichtjes--als er gezongen werd, en
pianogespeeld--en krachtige punch gedronken, en keurigen tulband
gegeten--en--en misschien, waar 't gesprek kwijnde, ook nog 'reis door
dezen-of-genen gerept van den verloren zoon, 't _enfant terrible_, die
zijn moeders vetpotten versmaadde, om, in vreemdelingschap, van den draf
te gaan eten met de zwijnen--!--Broeder, broeder Willibald, wees ook van
mij gegroet! Mijn heilwensch roep ik u toe, en den storm maak ik tot
bode mijner woorden! Wees gezegend op dezen eersten Kersdag; en, is uw
oor doof voor mijn stem, die wegsterft in 't magtig geluid rondom
mij--o, broeder, laat in uw hart die stem weêrgalmen met al de kracht
van een heilige, onverbreekbare vriendschap!
* * * * *
Maar, ook zonder de viering van eens dierbaren geboortedag--was Kersmis,
en Kersmis alléén, mij altoos een kerkgang waardig. Kersmis is mij mijn
grootst, mijn éénig Christelijk feest. Ik heb Paschen lief om de eijers,
Pinkster om de bloemen;--maar Paschen huldigt een legende, Pinkster
verstoffelijkt een allegorie. Kersmis alléén is mij heilig, als de
geboortedag van Jezus den Nazarener, den Apostel der Liefde.
O schoone dag, vol zoete poësie! Ideaaldag van huiselijk geluk, van
zalige, kinderlijk godsdienstige herinneringen!--: sneeuwvlokjes
buiten--'t knappend haardvuur binnen; dood en sombere winterkoû in de
natuur--hernieuwd leven en hopen in 't menschelijk hart!
Zie--de halve wereld juicht als één; secten en kerken vergeten haar
vijandschap; arm knielt naast rijk, de vrijzinnige naast den drijver:
want hierin zijn ze allen eensgezind--dat ze God danken willen voor de
geboorte van _hem_, dien ze noemen met verschillende namen, maar
die--wie hij ook wezen mag--wat ook kortzigtige of belangzoekende
dweepzucht hem gemaakt heeft--toch zeker in zóóver Gods Zoon mag heeten,
dat hij 't eerst ons den Vader heeft leeren kennen: den Vader, die is,
en eeuwig wezen zal: den God van 't Heelal, die deugd eischt zonder
magtspreuk, goede werken zonder wet, en geloof zonder openbaring.--Hoe
liefelijk, op dezen dag zaâm te wezen, als broeders! Komt, laat ons
zamen opgaan met de schare ter kerke, om den Vorst der Liefde, den
Stichter der éénige en eeuwige Godsdienst te aanbidden in eenvoudigheid
des geestes--gelijk we 't deden toen we nog jongskens waren, wijs in
onze onwetendheid: als moeder ons vertelde van den lieven Kindervriend,
en we ons Kersfeest vierden, en de blijde vacantie, spelend rond den
warmen haard!--We willen ons nu niet, ergeren aan dogma en
formulier;--we hooren alleen 't plegtig orgelruischen, en stemmen in met
't »Vrede op aarde!--Vrede voor allen!--Vrede ook voor
ons!"--------------------------
--------doch
stil----'t waren nevelbeelden, die ik aanschouwde in den zwarten mist;
St. Elmo's vonken waren 't, die ik hield voor Kerslichtjes; 't was 't
loeijen van den storm, waarin ik orgeltoonen meende te hooren--!
--Neen--geen vrede voor _mij_--geen vrede voor den balling!--Voor _mij_
geen winterkoû, geen sneeuwvlokjes, geen knappend haardvuur--voor _mij_
geen Kersmis meer!--: maar gloeijende zonnehitte en doodend heimwee in
een land, waar slechts Plutus, Venus en Bacchus als drieëenheid
voorzitten--!
O God--schreide ik--zijt Gij een God van Liefde, die zóóveel liefde hebt
uitééngerukt--!
December. 1865.