RUZIE AAN BOORD.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).

Onze »Meermin" was afgetimmerd, opgetuigd en uit 't dok gehaald.--Wij,

passagiers, hadden Engeland en onze Engelsche vrienden vaarwel gezegd,

waren als lammeren ingescheept, en--reden ten tweeden male voor Spithead

ten anker, om dienzelfden nacht nog onder zeil te gaan.

* * * * *

Nog een laatsten droeven afscheidsblik had ik geworpen op de lichtjes,

die, flaauw schemerend in den mistigen Decembernacht, als schreijende

sterretjes mij hun schijnsel toezonden--ver van over 't koude, breede

water. En toen ik mijn weemoed genoeg had lucht gegeven--toen werd 't

mij toch wat guur en eenzaam op 't dek; en ik ging omlaag, om wat

afleiding te zoeken in den altijd gezelligen kring van Josua en Judocus,

van Grogmeijer, Hupman, Lepidus en consorten.--Wél zou ik afleiding

vinden; doch niet van dien aard als ik ze mij had voorgesteld.

Onder 't in de kerk verzameld gezelschap heerschte een ongewone

stemming: iets sombers, iets dreigends, was op aller aanschijn te lezen.

De Kapitein hield zich absent--'t geen 's avonds zelden gebeurde--en

scheen 't ontzettend druk te hebben met in zijn hut eenige papieren dóór

elkaâr te gooijen.--Ik zette mij neêr, ten hoogste verwonderd en

eenigzins beangstigd door een stilzwijgen, dat mij voorkwam niet

ongelijk te zijn aan de loerende onbeweeglijkheid van den tijger, die op

't punt is zijn prooi te bespringen; of--om eens een nieuw beeld te

gebruiken--aan de doodsche kalmte die 't losbreken van den Cycloon

voorafgaat.--Waarom toch galmde niet 't sonore stemgeluid van den

onuitputtelijken Josua, en deed zich niet 't blij gegiggel hooren

waarmeê de meisjes des geestigen Hupman's uijen plagten welkom te

heeten; waarom zweeg van uit 't paviljoen de suikerzoete zang der

schwärmerische nonna Flora; waarom solde de Majoor niet zijn Kareltje in

slaap, en schold der Grogmeijers echtpaar niet op de stommiteiten, door

Lepidus en ega onder 't quadrilleren begaan--? Waren ze allen zóó

bedroefd wegens hun vertrek uit Engeland? O neen, tot zóó'n malle

smartbetuiging was slechts de sentimentele Gabriël in staat. Was er

iets, broeijend tusschen de passagiers onderling? Ik wist, dat 't

voorgevallene te Portsmouth met zeker min smakelijk kippeboutje, dat, in

een paroxismus van ontembare verontwaardiging, door één der gehuwde

dames op 't bord eener andere was geslingerd, tusschen beide die dames

de zaden van onmin had gestrooid; doch 't was tevens van algemeene

bekendheid, dat, dank zij de pogingen der verzoeninglievende

echtgenooten, die veete sints lang was bijgelegd. Wat mogt dan wel de

oorzaak wezen, dat er haat en nijd geschreven stonden op die anders

steeds minzaam lagchende aangezigten?

Terwijl ik zoo gis en peins en rondkijk--staat de Hr. Hupman op,

verdwijnt in zijn hut, en komt terug met een aangestoken bougie,

mitsgaders een papieren zakje en een trekpot in de hand; hij verzoekt op

pathetischen toon één der dames, zoo goed te willen zijn, thee te zetten

voor 't gezelschap--: van _zijn_ thee, namelijk; vervolgens plaatst hij

de kaars vóór zich, en vangt aan met zóó geconcentreerde aandacht te

lezen--: bij 't licht van _zijn_ kaars, namelijk--dat 't scheen, alsof

zijn eeuwig zieleheil er van afhing, nog dienzelfden avond heel »_les

Mystères de Londres_" van buiten te leeren.--Intusschen heeft de

Kapitein, die, met loenschen blik en gespitste ooren, alles zag en

hoorde, 't noodig geoordeeld, na een dergelijke provocatie uit zijn

schelp te kruipen, en op leuken, verbaasden toon te vragen, »of de

scheepsthee niet deugde, dat de heeren en dames van hun eigen thee

gingen zetten?"--Dáár was de klink van 't schip, de lont in de

kruidkamer!--Een algemeene uitbarsting volgde: zooveel tongen er waren,

zóóveel tongen klepperden er, als zeilen in een windhoos; en dermate

oorverdoovend was 't geraas der stemmen, dat niemand dan ik 't vernam,

hoe een paar liefhebberij-vogeltjes van den Hr. Grogmeijer, uit hun

eersten sluimer gewekt, piepend omduikelden rond hun stokjes; en hoe de

dertien honden op 't dek aansloegen en basten, als zooveel spruiten van

den boozen Cerberus--!

Hoort hier wat er van de zaak was.

Reeds sedert ons vertrek uit Holland, had 't gezelschap zich beklaagd

over de slechte kajuitverlichting, alleenlijk daargesteld door twee

lekkende, middeneeuwsche patent-olielampen. De weinige lezers lazen zich

hoofd- en oogpijn; de kaartspelers zagen schoppen voor harten aan;

sommige jongeheeren, door de duisternis misleid, misgrepen zich vaak

deerlijk in 't waarnemen hunner galante functiën tegenover sommige

jongedames--ja, wanneer er niet erger geschied is, hebben ouders en

voogden 't geenszins te danken aan den overvloed van licht gedurende de

lange avonden aan boord van de »Meermin" doorgebragt. Voeg bij deze

grief nog 't toedienen van ongefiltreerde keteltjeskoffie, en van thee

die slechts onder 't veelbeteekenend epitheton van geut- of bordewater

werd genoten--en ge zult u een denkbeeld kunnen vormen van de lang

verkropte woede onzer reizigers, en van de billijke verontwaardiging,

waarmeê ze den schuldigen gezagvoerder in koor aanvielen: immers, de

thee was ditmaal, meer dan ooit, dunne spoeling gelijk; en de lampen

verspreidden, om zoo te zeggen, een stralenbundel van tastbaar duister.

»Hij, de achtelooze schipper, had nu toch, na zóó herhaald en dringend

betoog, zich in Engeland van betere phosphoren kunnen voorzien; en, wat

de thee aanging--de thee was goed voor de varkens, als die ze lustten,

maar niet voor menschen, die nog wel zóó'n hoog passagegeld moesten

betalen."--Ik vond 't magtig juist geredeneerd.--Mijn edele Josua, die

toch reeds in een, niet ongewonen, ietwat bacchantischen toestand

verkeerde, stelde zich aan 't hoofd van de oppositie. Hooge woorden en

harde waarheden werden van beide kanten met prijzenswaardige

openhartigheid gewisseld; ieder besprak zijn regt, elk herinnerde zich

een gruwel; en--ik vrees, hadden de Tritons opgedoken van uit de zee, en

in schetterende toonen »vrede!" gebazuind--hun geblaas ware om niet

geweest, en hun kunst zonder uitwerking op de verhitte gemoederen der

twistende scheepbewoners.--»_Panem et Circenses!_" was de kreet van 't

Romeinsch gepeupel.--»Kaas en brood!" wilde 't volk van

Noord-Holland.--»Licht en thee!" klonk 't in de kajuit van de

»Meermin"--»licht, of uw leven, o Kapitein--thee, of uw bloed!"

* * * * *

En hoe liep de strijd af?--Werd er bloed gestort; werden Kapitein en

bemanning over boord gesmeten?--of, zag men de raddraaijers onder de

passagiers hun muiterij boeten, kromgesloten in 't donkere scheepshol--?

Noch 't een noch 't ander.--Nadat beide partijen zich, gedurende een

zeker tijdverloop, de keel hadden schorgeschreeuwd, begon men te

bedenken, dat, men elkaar nog drie à vier maanden lang--zegge, drie à

vier lange maanden--van aangezigt tot aangezigt zou moeten bekijken; de

Kapitein zag in, dat hij beter thee en licht _kon_ geven, en de

passagiers overlegden in 't binnenst hunner harten, dat de thee en 't

licht nu ook eigenlijk _zoo_ slecht niet waren; kortom--men begreep, dat

men zich belagchelijk aanstelde--iets, dat de zachtzinnige nonna Flora

en de levenswijze jongeling Gabriël van den beginne af reeds gegist

hadden--; daarop verklaarde men, 't zoo niet gemeend te hebben; en

eindigde, met elkaar de liefderijkst mogelijke concessiën te

doen.--Zoodat onze vrienden, een uur later, toen een buitengemeene

_largesse_ van bisschop en koek was rondgediend, vredig zamen zaten tot

't maken van een genottelijk Zwarte-Pietje. Na beëindiging van welk

onschuldig spel de Hr. Josua opstond, die, blakend van bier, grog en

edelen vriendschapszin, een toepasselijken toast sloeg, welken hij

besloot, met op de volgende wijs de woorden van den dichter te

verminken:

»De Liefde zegt soms haatlijkheên,

Die arme zielen plagen,

Maar 't is tot nut van 't algemeen,

En niet uit _zucht_ tot plagen."

»Och", filosofeerde ik, toen ik in mijn bed stapte, »hoe kleingeestig is

de mensch, dat hij om een handvol thee en een kruikvol olie den lieven

vrede verstoort! Zouden de stomme visschen, in den schoot des oceaans,

ook om zulke nietigheden malkander in 't haar vatten?"--»De visschen",

stamelde Josua, met dubbelslaande tong, »die eten elkaâr op--vin en

staart".--»En de menschen zuigen elkaâr uit, om slechts vel en been over

te laten".--»De mensch is een redelijk wezen", stotterde Josua, »en

neemt de vormen in acht". Dit zeggend, tuimelde hij te kooi, in een

postuur dat ik liever niet beschrijven zal.

December, 1865.

Ontboezemingen · 第 40 / 83 题