JUDOC.--De Hollanders?--wel, zouden er ook onder Bato's zonen enkele
deugden huisvesten, die hen in uw hoogwijze oogen genade doen vinden--?
GABR. Ge wordt spijtig, Judocus--de gewone toevlugt van hen, die hun
argument moeten laten glippen.--Ik heb mijn volk en vaderland lief--meer
dan éénig ander: want in dat vaderland heb ik 't leven ontvangen, en al
wat 't leven mij schonk; onder dat volk heb ik ouders en vrienden
gevonden. Ik ben trotsch op de groote rol door onze vaderen gespeeld; ik
ben overtuigd, dat, ook heden nog, den Hollandschen gentleman niets
ontbreekt dan een weinig energie, en een op zijde zetten van
kleinsteedsche vooroordeelen, om zich, bij zijn uitnemenden aanleg en
veelzijdige studiën, de fijnst beschaafde type van Europa's bewoners te
toonen. Ik betreur 't alleen, dat bij ons de beschaving van geest en
inborst zich zoo uitsluitend tot enkele standen bepaalt, en dat in den
regel, 't gemeen in Holland zoo _ijzingwekkend gemeen_, en de kleine
burgerman zoo allerjammerlijkst _plat_ en _burgerlijk_ is.
JUDOC. Komaan, die verklaring maakt alles weêr goed. 't Spijt me, dat ik
ze u alleen heb kunnen ontwringen, door u ten derden male van streek te
helpen.
GABR. Hoezoo?
JUDOC. Ge zult gelieven op te merken, dat ge uw pleidooi ten voordeele
van de Engelschen, met een lofrede op de Hollanders besluit.
GABR. Dan wil ik voor mijn afwijkingen boeten, door een tweeden pintje
sherry te bestellen, dat we zullen ledigen met den hartelijken wensch,
van nog eenmaal, als een driewerfgezegende leverkwaal ons zal doen
terugkeeren van uit de ballingschap tusschen _sawah's_ en
_klappa's_--een tijd te mogen doorbrengen, zóó vrolijk en onbezorgd, als
dien we sleten in »_old, merry England_"!
JUDOC. Ik heb er niets tegen. Maar toch woû ik, dat onze
Oost-Indie-vaarder, in plaats van te Portsmouth, te Brest of te Havre
met averij lag--dan had ik mijn Fransch kunnen perfectionneren,--
GABR.--En den goeden, gullen, Hollandschen boer uithangen tegenover de
heldinnnen van _Mabille_ en _Rue Bréda_----
* * * * *
Hier begon Josua, wiens geduld ten einde was, met de tinnen wijnkan zoo
onmanierlijk op de tafel te hameren, dat _mistur_, _missis_ en _miss_ te
gelijk binnenvlogen.
't Edel nat werd genoten; 't gelag betaald. Een wandeling in den kouden
Noord-Ooster bragt onze hoofden tot den normalen toestand terug; en 't
heerlijk vischmaal, dat onze restaurateur, Mr. Alexander Howes, ons had
bereid, verzoende voor 't oogenblik zelfs Judocus, zoo niet met de
Engelsche taal- en letterkunde--dan toch met de Engelsche tong, die,
zwemmend in boterige peterselie-saus, door haar stomme, blankvleezige
welsprekendheid, zelfs een Pool zijn Russenhaat, en een Ier zijn Erin's
grieven zou hebben doen vergeten.
Portsmouth. December, 1865.
[Footnote 6: Er wordt veel geroepen tegen 't overdreven streng vieren
van den Zondag in Engeland. We gelooven dan ook gaarne, dat 't voor den
vreemdeling regt onaangenaam moet wezen, wanneer hij, één dag van de
zeven, zich van tooneel en bal verstoken ziet, en slechts vóór en na
kerkuren zijn honger en dorst kan stillen; even goed als we toestemmen,
dat de rustdag overal en altijd een onuitstaanbaar vervelende dag is
voor hen, die geen _werkdag_ kennen. Maar, uit een maatschappelijk
oogpunt beschouwd, kan men 't gedwongen zondagvieren niet genoeg
aanbevelen. Onze vaderen heiligden den Sabbath als _den dag des Heeren_,
en geen policie-reglement was noodig om hen winkel en kantoor te doen
sluiten. Naarmate echter de behoefte aan kerkdienst voor de praktische
kinderen onzer praktische eeuw overbodig wordt, ziet de rijke er geen
bezwaar in, den arme door geld tot werken te _noodzaken_: want de arme
_kan_ niet achterblijven, waar hem een kans geboden wordt tot leniging
zijner ellende.--Prijzen we daarom een verordening, die ook den arbeider
een dag van verpozing schenkt: een verordening, die hem vrijheid geeft,
zijn menschzijn en zijn hoogere bestemming te gedenken: die hem
tijdelijk onttrekt aan de slavernij des gelds, en zoodoende hem behoedt
voor een algeheele verdierlijking.]