JUDOC. Zeg eens, denk er aan--ik heb een broêr die Luitenant is--

GABR.--en die mij, weêrloozen pennelikker, met zijn geduchte strijdlat

wel eens den kop zou kunnen klieven!--Pardon!--ik wou alleen maar

zeggen, dat de Engelsche krijgers zich ten minste nog kunnen laten

voorstaan op meer dan burgerlijke afmetingen in lengte van beenen en

breedte van schouders--en, behalve dat, ook dikwijls op eenige

wereldkennis en een soms goede opvoeding.

JUDOC. Ik meende, Gabriël, dat we afgesproken waren, geen contrasten te

teekenen van Hollandsche en Engelsche toestanden.

GABR. Juist zoo--doch waarom noodzaakt ge mij er toe, door me in de rede

te vallen!--Ik laat dan die zonen van Mars buiten 't spel, en wil U

slechts verzoeken, mij, ten overvloede, de volgende vraag naar waarheid

te beantwoorden. Werdt gij, Judocus, ooit beleedigd, of als vreemdeling

bespot, de enkele malen dat ge u verwaardigen wildet voor een oogenblik

uw nationale antipathie ter zijde te zetten, en 't u behaagde, met

deze-of-gene Dulcinea in een der _boxes_ van Portsmouth's _Music-hall_

plaats te nemen, alwaar ge toch dikwijls omringd waart door sergeants en

stuurluî benevens derzelver respectieve uitverkoren beauties--? En

vertel me verder: zaagt ge zoo iets in Holland een Engelschman wel eens

proberen, zonder dat de man als een wild dier werd aangegaapt en

uitgelagchen--?

JUDOC. Laat Holland toch rusten!--Beleedigd--neen, beleedigd juist

niet--maar toch----

GABR.--Maar toch--?

JUDOC.--Ja, hoor eens,--je moogt zeggen wat je wilt--ik blijf er bij: ik

heb 't zuur aan de Engelschen. Niets in hen van 't jolige en innemende

dat den Franschen en Duitschers zoo eigen is, en dat vreemdelingen tot

broeders maakt;--de Engelschman staat daar, stokstijf, onwrikbaar op

zijn eiland, voor anderen ongenaakbaar, voor zichzelf algenoegzaam. Hij

verdient in alle opzigten de naamgenoot te zijn van den breedgemuilden

kettinghond: hij verschanst zich in zijn hok, slorpt zijn drank, zwelgt

zijn roastbeef; en, als een speelsch medehondje in onschuldige koutzucht

hem nadert--»_damn it_", bast hij; of »_what do you want, Sir_", bromt

hij; of, »_I'll knock your bl.... brains out--boe, woe, woe_", brult de

bullebijter John Bull--!

GABR. Bravo, mijn zoon--uw verontwaardiging grenst aan 't edele! Voeg er

bij, om uw hondjes-metaphora te volmaken, dat de wakkere, trouwe

_bull-dog_ niet altijd ongelijk heeft, wanneer hij 't onbeduidend,

schelschreeuwend keffertje op een afstand houdt.

Maar, in ernst gesproken, Judocus, uw vooroordeel is even ingeworteld

als dom.--Dat ge vroeger, vóór uw verblijf in Engeland, zoo dacht, is te

begrijpen. Gij hebt, in Delft- en Groningerland, de naburige volken

leeren beoordeelen uit weinige en zeer slecht gekozen gegevens.--De

Britten meendet ge te kennen: 1°., uit de stokers en zeeluî op de straat

en in kroegen; 2°., uit de karikaturen, die in sommige geestige boeken

en tijdschriften te vinden zijn; 3°., uit de verschillende categoriën

van Sternesche reizigers, die men in onze steden en in Duitsche

badplaatsen ziet rondtrekken;--die laatste zijn dikwijls dwaas--en, hoe

zou 't anders kunnen: ze reizen met een ziels- of ligchaamskwaal onder

de leden, en zijn dus vrij onverschillig omtrent hun omgeving.--De

Franschen, daarentegen, hebt gij gemeend vertegenwoordigd te zien door

een corps pluimstrijkende _commis-voyageurs_, taalmeesters, kappers en

dergelijke poenen. Vooral--en dit pleit noch voor uw smaak, noch voor de

degelijkheid van uw karakter--hebt gij de Fransche natie lief gekregen

om de produkten van haar suikerzoete, doch walgingwekkende en

zwaarvergiftige moderne romanliteratuur, die----

JUDOC. Houd op--blijf niet steken in een tirade, die even zwaar op de

hand dreigt te worden, als uw veelgeroemde Walter Scottsche novellen!

GABR. Laster niet, Judocus! Drink u in stilte een roes aan de

maagbedervende likeuren der Fransche stokerij;--maar ik bid u--bazuin 't

niet zoo rond, dat de fontein des levenden waters voor u gesloten

blijft: dat ge de meesterstukken van een Fielding, een Scott en Dickens

niet kennen wilt, en dat uw hart en geest slechts behagen vinden in den

sentimentelen onzin van een de Balzac, of in de zwarte schilderingen van

een Xavier de Montépin: verdoolde talenten, die niet schrijven om 't

volk te onderrigten, doch om 't te bedwelmen; die zich daarbij ten doel

schijnen gesteld te hebben, alle huislijke deugd en familiebanden te

vernietigen, door een bandeloozen omgang met vrouwen als 's menschen

hoogste roeping op aarde te prediken--vooral ook echtbreuk als een zeer

passende aardigheid en hoogst fashionable tijdkorting aan te

bevelen.--Ja, ik bidde u, Judocus, ter wille van uw eigen, goeden,

Delfzijlschen familienaam,----

JUDOC.--Bid mij niets!--Ik lees tot mijn uitspanning, en de Fransche

lektuur amuseert me nu eenmaal.

GABR. Dan, basta! Met iemand die leest, enkel om zich te _amuseren_, is

geen ernstige polemiek mogelijk.--Ik bepaal mij tot een "_argumentum

fistulatorium_."

JUDOC. Holla, bedwing op uw beurt uw verontwaardiging!--Ik vraag u, zijn

de meeste Fransche klassieken niet boven allen lof verheven?

GABR. Ontwijfelbaar--even als de meeste Fransche romantieken, om de

strekking hunner werken, er ver beneden staan.

JUDOC. Bah--toch altijd nog Paul Féval boven uw ziekelijke Misses

Oliphant!

Maar, ik weet wel, uw dolle anglomanie wordt alleen geëvenaard door uw

haat tegen Franschen en Hollanders.

GABR. Volstrekt niet! Ik vind de Franschen goedig en gul, en, onder

zekere voorwaarden, vrij hoffelijk; overigens liberaal in doen en

denken, geestig, artistiek, en begaafd met veel gezond verstand, alias,

"_household understanding_";--maar, aan den anderen kant, noem ik ze

oppervlakkig, partijdig, beginselloos, verwaand zonder reden, zinnelijk

en toch koud, en, behalve tegenover vrouwen, dikwijls plomper dan de

plompste Bergschot.

Ontboezemingen · 第 38 / 83 题