JUDOC.--Militairen! Spreek me in 's hemelsnaam niet van Engelsche
militairen! Stijver, pedanter, onhebbelijker lummels zag ik mijn leven
niet--met hun lange carcassen, geoliede haren, en ploertige
flesschebakjes op één oor--!
GABR. 't Is waar, ze hebben dát met alle militairen gemeen, dat ze--in
plaats van over hun jammerlijke roeping te schreijen--zich een air van
fierheid eigen maken, 't welk alleen een dom bewustzijn van physieke
kracht billijken zou; ook dát is een bitter kwaad onder de zon; en ook
dát zal niet veranderen, zoolang de roem van een Bonaparte of von
Bismarck niet zal gelijk gesteld zijn met dien van een
Herostrates.--Edoch, vergelijk daarbij de vuile aanmatiging van onze
militairen, die daarin den Pruissen niets gewonnen geven: hoe elk
korporaaltje, naauwelijks vijf voet hoog, knikkend onder den last van
zijn geweer, en de kleêren aan 't lijf gegooid als een
vogelverschrikker, reeds vloekt en bralt als een veteraan; hoe dit
onzinnig _bullyism_ met den rang opklimt tot den----