IETS OVER DE ENGELSCHEN.

(EEN DIALOOG TUSSCHEN JUDOCUS EN GABRIËL).

Not so bad as we seem.

_Bulwer._

't Was op zekeren onvergeetlijken December-namiddag, dat ik mij, met

mijn vrienden Josua en Judocus, binnen de wallen der Engelsche vesting

Portsmouth, en, meer speciaal, in de gezellige _parlour_ van de te dier

stede wélvermaarde _Queen's Arms' Tavern_, te zamen zag. Dáár warmden we

ons aan den haard, en dronken goudgeelen sherry.--Josua ging,

loffelijker gewoonte, zich aan dien goeden drank te buiten. Wij echter,

Judocus en Gabriël--altijd zoekend, 't nuttige met 't aangename te

veréénen--leverden, al drinkend, elkaâr strijd met de wapenen onzer

tongen, en schonken, al schenkend, 't leven aan de volgende zeer

leerzame en zeer aanhoorenswaardige redewisseling.

* * * * *

JUDOC. Dat is dan alweêr een deugd, die ge bewondert in een volk,

waarvan ge U schijnt voorgesteld te hebben, niets dan 't goede te

vermelden.

GABR. Toch niet: ik beweer niet, dat de Engelschman zich minder bezuipt

dan de Hollander;--'t zal wel gelijk staan; maar, hij doet 't

fatsoenlijker, draaglijker, aangenamer.

JUDOC. Ge zijt partijdig, en spreekt als zoovele onder ons Hollanders,

die altijd 't vreemde en den vreemde boven hun eigen verkiezen.

GABR. Minder partijdig dan zij, wier wiegeplek-liefde zóóver gaat, van

hen te doen gelooven, dat er geen beter land ter wereld bestaat, dan de

stad en ommelanden van Appingadam.

JUDOC. Spaar je haatlijkheden: je weet zeer goed, dat ik om mijn

Groningschen geboortegrond evenveel geef als om Doggersbank of

Biesbosch. Ik ben volstrekt niet zoo Groningsch- of Hollandschgezind; ik

geef geen volk de voorkeur; mijn streven was steeds, de goeden onder

elke natie te achten en lieftehebben;--

GABR. Regt cosmopolitisch gesproken!

JUDOC.--Maar ik zie ook geen reden, mijn vaderland te verachten, en 't

buitenland vóór te trekken, _alleen als zoodanig_.

»Hebt gij een vaderland, zoo kleef niet aan een ander:

Wees Gal noch Brit--wees Nederlander."

De man, die zijn nationalen trots laat varen, verliest een deel van zijn

karakter als mensch en burger.

GABR. Ontwijfelbaar, o vrome kampioen van opregte Haarlemmer

vaderlandsliefde.--Edoch, mijn brave Judocus, we verliezen 't onderwerp

van ons twistgeding uit 't oog. Er is hier geen sprake van Holland en de

Hollanders; ik wil geen parallel trekken tusschen mijn landgenooten en

éénig ander volk. 't Betreft hier een natie, die gij, in navolging van

de meeste vreemdelingen, instinktmatig verafschuwt; die ik, daarentegen,

van een zijde heb leeren kennen, welke mij regt geeft, haar tegen uw

bevooroordeelde aanvallen te verdedigen.--Voeren we nu elk onze gronden

aan, en wegen we die in de schaal eener onpartijdige regtspraak.

Zoo dan, Judocus--in den naam van al wat Groningsch is, vraag ik u af:

wáárom haat gij de Engelschen met zóó doodelijk diepen haat?

JUDOC. Om verschillende redenen.--Vooreerst moet ik je zeggen, dat ik

ontzettend hecht aan eerste indrukken. De eerste indruk nu dien de

Engelsche natie op mij maakte, was, in alle opzigten, magtig

onaangenaam.

GABR. De _eerste_ indruk?

JUDOC. _La première impression est toujours la meilleure_, zegt een

Fransch spreekwoord.

GABR. Ik twijfel, of de zegger dat in _dien_ zin bedoeld heeft.--Doch

ook dit mag waar zijn voor enkele zeer scherpziende en vlugoordeelende

typen der zoo diepzinnige Fransche natie;--ik echter, in mijn Noordsche

botheid, heb nog altijd ondervonden, dat de eerste indruk een verkeerde,

verwrongen indruk is, geheel afhangend, niet van den aard van 't subjekt

dat hem te weeg brengt, maar enkel van de omstandigheden waaronder men

hem ontvangt.

JUDOC. Een hoogst onpopulaire stelling, die met één slag alle gezag

ontneemt aan den schat van »losse reisindrukken", »schetsjes

_à-vol-d'oiseau_" etc., waarmeê in onze dagen van spoorwegen en

luchtballons, zooveel vliegende touristen getracht hebben, de wetenschap

van land- en volkenkunde te verrijken.

GABR. Daarom alléén reeds zou dus mijn stelling niet geheel verwerpelijk

te achten zijn: omdat ze mij beletten zou me schuldig te maken aan de

malle ijdelheid van dergelijke reizende Argussen, die, als ze op de

vleugelen des stooms een vreemd land van Noord tot Zuid hebben

doorgerend, zich genoegzaam ingelicht wanen, om een uitspraak te vellen

over den aard van 't volk, als waren ze onder datzelfde volk

grootgebragt.--Doch, ga zelf na of ik onregt heb. Immers, wie 't

karakter van een persoon wil doorgronden, moet lang en oplettend met hem

omgaan, achtgevend op al zijn wezen tegenover anderen en zichzelf.

Hoeveel te meer dan, zal hij, die een _volk_ wil leeren kennen, zich

langdurige studie moeten getroosten, en zich moeten wachten voor de

sterk gevoelde doch geheel ongegronde indrukken van 't eerste oogenblik.

JUDOC. Uw gevolgtrekking timmert niet hoog. Maar--als ik je daarmeê

genoegen doe, wil ik mijn eerst ontvangen indruk hier wel buiten

rekening laten. Ik heb grieven van ernstiger aard.--Wat zult ge mij

antwoorden, wanneer ik den Engelschman van _stijfheid_ beschuldig?

GABR. Eenvoudig, dat ge er 't regt niet toe hebt. Ik laat 't zijn, dat

de Franschman of Duitscher--die den Brit alleen beoordeelt naar zijn

_zeer navolgenswaardige_ wijze van zondagvieren[6]--spreekt van _stijve

Engelschen_; doch als de _stijve Hollander_ dat doet, is 't waarlijk de

zwarte pot, die den witten een smeertje verwijt.

JUDOC. En wat zal uw repliek wezen, als ik den Albionees van _grofheid_

en _ruwe manieren_ beticht?

GABR. Dan zal ik u er aan herinneren, dat ik U gister nog onzen Jozua

hoorde gelijk geven, die, na minutieuse waarnemingen, meende te mogen

vaststellen, dat Europa's opinie omtrent de Britsche natie aan twee

voeten mank ging: de Engelschen waren zwak in 't beefsteak bakken, en

lang niet sterk in 't _goddammen_.--En, zeg me, hebt ge ooit in de

matrozenbuurten van Portsmouth, of in de bierknijpen, waar dronken

zeeluî en soldaten den hoofdtoon voeren, dat lasterend vloeken, die

walgelijke spraakversieringen gehoord, waarvan bij ons, niet alleen 't

gepeupel, doch zelfs beschaafde en gegoede jongeluî den mond vol

hebben--? Ergert men zich hier over 't dierlijk brullen langs de

straten, op zondagavonden en andere feestdagen? Ziet men hier de

gruwelijke beestigheden vertoond, waartoe bij ons een Kermis jaarlijks

aanleiding geeft? Welk denkbeeld toch moet de vreemdeling, die toevallig

op een Kermis als de Rotterdamsche verdwaald raakt, zich van _onze_

natie vormen, wanneer hij ziet, hoe de bevolking in massa van een eerste

koopstad, dagen lang, onder invloed van koek, kroosjes, draaimolens en

jenever, als dol rundvee dooreen raast--?

JUDOC. Met uw verlof--ik heb minder 't oog op 't gepeupel, dat overal

brutaal en dierlijk is (getuigen de boxpartijen der Engelschen bij

verkiezingen)--dan wel op den man uit den middenstand: 't gegoede

publiek, dat men op de straat, in de herberg, in den spoorwagen--kortom,

in 't dagelijksch doen ontmoet. Juist onder die klasse, die men teregt

kan achten, den volksaard 't best te vertegenwoordigen, heb ik mij te

beklagen over een _terugstootendheid_, een air van _selfsufficiency_,

dat aan 't stugge en plompe grenst.

GABR. Uw bevinding, mijn waarde, vloeit voort uit de weinige moeite die

ge u gegeven hebt, met enkele individuen kennis te maken, en uit uw

onbedrevenheid in de taal.--De Engelschman heeft boven alles zijn

persoonlijke vrijheid lief: van dáár zijn zucht tot afzondering. In 't

gewone leven acht hij slechts datgene wat hij kent:--den vreemdeling nu,

dien hij _niet_ kent, ergo niet acht, valt hij niet met een geveinsde

belangstelling lastig.--Ik beschouw daarom die natuurlijke

_stugheid_--of liever, _schuchterheid_, die Goldsmith noemt »_the

Englishman's malady_"--niet als een fout; veeleer prijs ik zoo'n

hoedanigheid, als zeer aanbevelenswaardig tegenover de bemoeizucht en

onbeschaamde indringendheid, die de Franschman en Duitscher voor

gezelligheid en jovialiteit wil doen doorgaan.

JUDOC. Dat mag gedeeltelijk waar zijn; doch die _schuchterheid_, of

_plompheid_--zooals ik ze noemen blijf--ontaardt bij den Engelschman in

verregaande _onbeleefdheid_.

GABR. Ho daar--_beleefdheid_ is een kwestie van persoonlijke opvatting:

elk meent beleefd te wezen op _zijn_ wijs.

Wanneer b. v. de Londoner een _public-house_ binnentreedt, en de gasten

die hij niet kent niet groet, is zulks niet uit _onbeleefdheid_--doch

eenvoudig, omdat de volksgewoonte 't niet meêbrengt, d. i.: omdat geen

Engelschman 't nodig oordeelt, tegenover anderen een vermoeijende

vormelijkheid in acht te nemen, waarop hijzelf geen prijs stelt. Doch

spreek dienzelfden man aan, vraag hem inlichtingen--en hij zal 't zich

een eer rekenen u teregt te wijzen; wek bij hem een zweempje van

belangstelling in u op--en hij zal zich uw vriend toonen op een wijze,

waarvan de Franschman, met zijn lastige koffiehuis-beleefdheid, zich

geen begrip kan vormen.

Dit laatste hebt gij, Judocus, toch ook meermalen ondervonden.--Was die

jonge mensch niet beleefd, die ons, als we den eersten avond hier ter

stede doorbragten, overal den weg wees, en ons op ettelijke pinten

_Burton_ onthaalde ondanks de stroeve stilzwijgendheid van U en Josua,

die steeds in angst verkeerdet, dat de man zou eindigen, met ons in 't

een-of-ander moordhol te lokken--? Was 't geen beleefd oud heer, die

zijn thee liet koud worden, om voor ons een overbodig

introductie-briefje te schrijven aan onze Londonsche hospita--? Waren

die kommiezen (N.B.) niet beleefd, toen we aan 't _Custom-house_

sigaren kwamen halen, en zij niet ophielden, of we moesten aan hun

middagmaal deelnemen, zonder dat ze ons wilden veroorloven, hun

wederkeerig een paar potten ale aan te bieden--? Bleken ook die

Londonsche _police-men_ niet zeer beleefd, die u, Judocus, telkens

wanneer uw oudheidzoekend hoofd u in den steek liet, en gij op 't punt

stond verloren te raken in de meest gecompliceerde labyrinthen van de

wereldstad--die u, o ondankbaarste van Radboud's zonen, zoo bereidwillig

den draad reikten, om u terug te leiden tot uw stillen schuilhoek onder

de herbergzame daken der eerzame Weduwe Eusebia Rackham--?

JUDOC. Val-jij dood met je Weduwe Rackham!

Ontboezemingen · 第 36 / 83 题