(GEDEELTELIJK NAAR AANLEIDING VAN WASH. IRVING'S »WESTMINSTER ABBEY").
_Religioso_.
Zacht--zacht! Ontdekt uwe hoofden, schudt 't stof van uw voetzolen: de
grond dien we betreden is heilig. Heilig!--ja: want hier rust 't stof
van onsterfelijke dooden!--Zie rond, menschenkind, en lees de namen die
gegrift staan in 't marmer: zie, lees--en buig 't hoofd in eerbied en
zwijgend nadenken!
* * * * *
We hebben de Abbey doorgewandeld.
* * * * *
Niet lang toefden we bij de trotsche kapel van Henry VII; we stonden
niet in bewondering bij Buckingham's gedenkteeken, noch bij de eerzuilen
van honderd Helden en Grooten der aarde.
Wat hadden we met U te doen, bloedige mannen van Vuur en Zwaard,
priesters van geweld en ligchamelijke overmagt; of met U, Koningen en
Vorsten, die geleefd hebt en gestorven zijt in luiheid en ijdelheid;
wier graftomben zelfs zijn opgerigt ten koste van 't Volk, dat gij
verachttet en uitzoogt--!--U, Helden, zal God toeroepen, »dat wie slaat
met 't zwaard door 't zwaard zal omkomen." U, Koningen, zal de Opperste
Regter rekenschap vragen van 't talent dat Hij U gaf tot woekeren, en
dat gij begraven hebt in den grond--!
Wat hadden we met U te doen!--: de dagen uwer heerlijkheid zijn
vervlogen; en de kinderen dezer eeuw kussen niet meer in slaafsche
onderwerping de voeten der beulen, die 't bloed en zweet der vaderen
niets geteld hebben.
* * * * *
In »Poets' Corner" zijn we teruggekeerd.
* * * * *
We hebben ons neêrgezet, en om ons heen gezien--en 't was ons, of
vriendelijke, welbekende geesten ons uitnoodigden, voor een oogenblik
mét hen de aarde te verlaten, en óm te zweven in de spheren van een
hoogere wereld.
Hier rust de zachte Goldsmith, de bevallige Addison, Shakspeare, de
reus; hier rusten Chaucer, Spencer, Milton, Dryden, Gray, Macaulay--en
zooveel anderen, wier namen ons terugroepen in den tooverlusthof, waar
zoo vaak hun werken onzen geest deden omdwalen.--Hier, zoo ergens,
bloeit in overvloed de trage plant die slechts op de graven tiert.
Gelukkige stervelingen, wier roem uw stof overleefde!--: en wat
roem?--niet de holle roem, door 't bloed van duizenden gekocht;--neen: U
siert 't dankbaar nageslacht met den eeuwig groenen palmtak van Vrede en
Wijsheid en Kunst: Uw namen prijken in eeuwentartend gesteent, als de
namen van hen, wier werken, in Gods hand, de trappen zijn geweest,
waarlangs de menschheid tot hooger volmaking opklom.
Gelukkige stervelingen!----
----Zwijg, prozaïsche
Genius onzer eeuw! Spreek mij niet van de vergankelijkheid, die alle
menschelijke grootheid in 't duister doet wegzinken! Brul mij geen
»_vanitas vanitatum_" in de ooren! Houd mij geen predikatie over
de kortheid van 't geen wij _onsterfelijk_ heeten!--_Deze_
hier _zijn_ onsterfelijk--ten minste voor ons menschenras. Zoolang
nog de taal zal gesproken worden waarin _zij_ schreven, zoolang
nog een beschaafd volk den naam zal voeren van de natie waartoe _zij_
behoorden--zóólang zullen zij, levend en sprekend in hun werken, een
deel van 't menschdom blijven leeren, stichten, vermaken.
--Ik weet wel: 't marmer hunner praalgraven zal vergaan, gelijk hun
gebeente vergaan is; maar ook dan nog zullen ze een schooner
gedenkteeken vinden in de harten der kinderen en kindskinderen van hen,
die ze hebben liefgehad, toen ze rondwandelden op aarde!--ja, hier
namaals nog, in de woningen des Vaders, zullen gelouterde zielen hen
danken, dat zij, van uit 't stof, hun den weg hebben gewezen tot 't
eeuwig goede en schoone!
* * * * *
Peinzend stonden we tegenover Haendel's heerlijk standbeeld, en
neurieden zachtkens de onovertroffen phrase uit den »Messias", _I know
that my Redeemer liveth_, die 't marmeren muziekblad aan den voet ons te
binnen bragt.--'t Was reeds laat in den namiddag, en de schemering begon
te vallen. Er werd dienst gehouden: een plegtige stilte heerschte
alom--: slechts hier en daar een gesmoorde voetstap, en, in de verte,
de galmende stem van den leeraar.
Plotseling jaagt de diepe stem des orgels ons een zalige rilling door de
leden. Een statig preludium;--daar ruischt de zilveren koorzang omhoog,
en speelt en trilt langs 't beeldhouwwerk der zuilen, en verliest zich,
zacht jubelend, aan den boog der hemelhooge daken. Dan weêr valt 't
duizendmondig speeltuig in, losbrekend in een daverend Hallelujah, een
zwellend, juichend, onweêrstaanbaar Looft den Heer--dat zweept en rolt
over de zerken, als 't bazuingeschal des laatsten oordeels--dat 't stof
der dooden doet sidderen in de graven--dat de gewelven vult met den
stroom der akkoorden, en de zielen der levenden meêsleept op de golven
van een alvervoerende harmonie--!
* * * * *
Hoe groot is de magt van een kerkdienst die tot de zinnen spreekt; en
hoe ligt beseffen we 't, onder de bogen van _zulk_ een heiligdom, dat de
zinnelijke schare slechts bidden _kan_ en bidden _wil_ in tempelen door
menschen gebouwd.--'t Ware bidden is in de natuur: onder den blaauwen
hemel, als God-zelf ons voorbijgaat in 't fluisteren van een zachte
koelte;--maar _ook_ liefelijk is 't, te bidden in 't huis, waar alles
zamenwerkt om zelfs in 't hardst gemoed een heilige aandoening op te
wekken.
Vergeven we 't daarom den vaderen, dat ze zoolang binnen deze muren een
heerschzuchtige priesterschap hebben vergood, die, Roomsch of Onroomsch,
den grooten naam van Christus vernederde tot een wachtwoord voor domme
dogmaprediking en bloedige dweeperij; vergeven we hun een ijveren voor
dwalingen, uit wier botsing de vonk sprong, die ons 't Christendom in
een beter licht doet beschouwen! En nemen we hierin een voorbeeld aan
hun warme geestdrift: dat ze goed en bloed opofferden voor de
instandhouding van een dienst, die hun heilig en éénig toescheen!--De
tijden van geloofsdwang zijn voorbij. Wee ons, zoo ze slechts hebben
plaats gemaakt voor de koude onverschilligheid van een laf
scepticisme--!
* * * * *
't Orgel zweeg; de dienst was afgeloopen.--Reeds waren zijvleugels en
nissen in schemerdonker gehuld;--maar door de bontgekleurde
vensterglazen schoot de winterzon een laatsten matten stralenbundel, en
speelde met spookachtig rooden gloed over de graven van Koningen en
Helden.
We traden buiten. 't _Memento mori_ dat de kloosterklok ons nariep,
verstierf in 't gewoel der levenden. De dooden waren
vergeten.--Dienzelfden avond nog leefden we en zondigden--als ware er
voor ons aan geen sterven te denken.
London. November, 1865.