LONGFELLOW.

_Andante con moto._

_Toen_--en _nu_!

_Toen_ was ik een arm studentje;--_nu_ was ik »Ambtenaar van den Staat,"

_Toen_ had ik minder pennies in den zak--dan _nu_ shillings. _Toen_ trok

ik te voet door straat en steeg, en besproeide in een armelijk bierhuis

mijn boterlooze boterham met _twopenny_ ale;--_nu_ stond op mijn wenken

een _cab_ gereed, en kon ik mijn plaats in _Her Majesty's_ betalen, en

smulde ik, als 't mij lustte, volop den geurigsten _negus_ in _the Royal

Alhambra_. _Toen_----

----en toch,

broêr Willibald--had ik gaarne al mijn pas verworven rijkdommen

gegeven--om nogeens te kruijen door dik en dun, gelijk ik _'t toen_

deed; ik had mijn schitterendste vooruitzigten, ja, 't lichtend visioen

van den goudgeranden residentspet, blijmoedig in burgerlijke

onbeduidendheid zien ondergaan--om nogeens bitter bier te drinken,

zooals ik 't dronk in de nederige kroegjes die ik _toen_ bezocht.

Want _toen_, broêr Willibald, slenterde en dronk ik met U--en _nu_

dwaalde ik alléén er rond.

* * * * *

En weêr toefde ik op de brug: weêr leunde ik mij aan de breede

balustrade, en zette mij neder op een der steenen banken aan den kant.

* * * * *

Ja, _London-bridge_ was nog dezelfde gebleven. _Nu_, als toen, broêr

Willibald, gleed onder mij de snelle rivier, »_the silent highway_";

_nu_, als _toen_, schemerde in de verte, een berg van zilver, de

maanverlichte globe van _St. Paul_'s magtigen koepeldom; _nu_, als

_toen_, raasde vóór mij, langs mij heen, de onafgebroken stroom van

menschen en menschelijke werken, woelend en in regelmatige verwarring

zich verdringend, slovend en zwoegend, elk voor zich--dezelfde

sprekende, schreeuwende, joelende, gonzende, ratelende schilderij van 't

geen men in onze groote steden _leven_ noemt.

Maar, gelijk de wateren van den Thames gewisseld hadden sedert

_toen_--gewisseld en nogmaals gewisseld; gelijk de atoompjes die _toen_

zijn bed vulden, door andere waren vervangen--: zóó ook was de levende

stroom die mij voorbijholde, niet onveranderd gebleven: nieuwe beekjes

waren toegeschoten, en de oceaan der eeuwigheid had zijn tol

geeischt.--Ichabod! hoevele waren er _toen_ onder die drokke

voorbijgangers, die, als pelgrims op de verraderlijke brug des

levens,[5] dansend en juichend hun weg vervolgden; andere, die peinzend

voorttraden; nog andere, ijverig de veelkleurige luchtbellen najagend,

die hoop en eerzucht hun vóórtooverden; hoevele ook, die _nu_, een korte

wijle later, reeds gestruikeld waren, en, als ze 't minst er aan

dachten, voor immer verdwenen in den zwarten vloed des

tijds.--»_Surely,_" zuchtte ik met Mirza, »_man is but a shadow, and

life a dream. Alas, how are we given away to misery and

mortality!--tortured in life, and swallowed up in death!_"

------

------

------_halfpenny Sir, halfpenny!_"

--En 't schelle stemmetje van een haveloozen straatjongen, gevoegd bij

de onzachte aanraking waarin hij zijn houten schoentje met mijn likdoorn

brengt--roept mijn geest terug in de valleijen van 't dagelijksch leven,

wáár ik, onder grazende ossen, schapen en kameelen, er één vond: een

blatend bokje--_dat muskus-lucifers verkocht_.

London. November, 1865.

[Footnote 3: Zie: Staring, »Thor, als Visscher"; en, Walter Scott, »_The

lay of the last Minstrel_", Note 47.]

[Footnote 4: Maleisch: een uitroep van medelijden.]

[Footnote 5: »_The Vision of Mirza._"]

Ontboezemingen · 第 34 / 83 题