Aangezien de Eischer den vijfden Maart 1887 te Amsterdam is gehuwd
met de Gedaagdesse:
Aangezien gedurende dit huwelijk de Eischer heeft moeten
ondervinden, dat de gedaagdesse in ongeoorloofde betrekking heeft
geleefd met een anderen man dan den Eischer, immers met dien
anderen man bij herhaling vleeschelijke gemeenschap heeft
uitgeoefend en bovendien afzonderlijk heeft gewoond van af 5
November 1893 tot Donderdag den twaalfden Maart 1800 vier en
negentig in de Jan Steenstraat No.... te Amsterdam ten huize van
den Heer Jacobus Doedelaar, met dien anderen man dan den Eischer;
Aangezien de Gedaagdesse met den bedoelden persoon één kamer met
alkoof en keuken gedurende dien tijd heeft bewoond en op die kamer
zich toen heeft bevonden slechts één tweepersoonsbed;
Aangezien meerdere personen gezien hebben, dat de Gedaagdes met den
bedoelden persoon te samen in nachtgewaad op hetzelfde bed hebben
plaats genomen;
Aangezien deze feiten daarstellen overspel door de gehuwde vrouw
gepleegd en dat de eischer mitsdien gerechtigd is om de ontbinding
van het huwelijk door Echtscheiding te vorderen;
Aangezien de Eischer, zoo de Rechtbank het noodig acht, bereid is
deze feiten door getuigen en andere middelen rechtens te staven,
Mitsdien bij vonnis van welgemelde Rechtbank en Kamer zal worden
uitgesproken de ontbinding van het tusschen partijen bestaande
huwelijk door Echtscheiding, met al de wettelijke gevolgen daarvan;
alles met veroordeeling van de Gedaagdesse in de kosten van dit
rechtsgeding,—onder voorbehoud voor den Eischer om, pendente lite,
zoodanige incidenteele vorderingen te doen als hij naar aanleiding
van de daartoe bij de wet verleende bevoegdheid zal vermeenen te
behooren. En heb ik deurwaarder aan de gedaagdes