AANGEZEGD

dat Mr. Mozes Gluip, procureur bij de Arrondissements-Rechtbank te

Amsterdam, voor den Eischer als zoodanig in deze procedure zal

occupeeren en haar tevens exploit doende aan en sprekende als

voren, gelaten afschrift van voorschreven stukken, ook van dit

exploit waarvan de kosten zijn ƒ 6.60.

P. W. PENNING, Deurwaarder.

Ik smeet deez’ bevuiling van huwelijksschoonheid, ’t Edel-Achtbaar

gedoe van rechters, advocaten, griffiers, procureurs, deurwaarders

tegen den grond, liet ’r den schurftigen hond van Veuve Perron mede

spelen, die het pleizierig aan stukken scheurde.

Daarna geschiedde weinig. Veuve Perron schuchterde verlegen binnen, de

bruine handjes in de zakken van haar voorschoot knutselend.

„... As ’k u vrage mag, meneer... U ben vannacht hier gebleve... voor

Georgien... met die gebeurtenis van de kindere, niewaar?... Dààr zeg ik

niks van... Dáár zeg ik niks van... Georgien had wel troost noodig...

’t Was verschrikkelijk... Mààr... as ’k vrage mag... Was... Wàs ’t uw

plan... om èlleke nacht... ’k bedoel wou u...”

„... Ja dat was éérst m’n plan...”

„... O... O... Mààr ziet u...”

„... Maar we gaan strakkies weg... ’k Weet zoo iets van uw dochters

Amélie en Sophie... Wil u, als ’r nog verdere papieren van de rechtbank

komen, die voor ons aannemen en... en... èn nazenden...”

„God, wil u zoo dàdelijk weg? Zoo dàdelijk?”

„Ja.—We blijven geen dàg langer. Dat kun je zoo hebben... De fabriek

stinkt en ’t bed is te klein...”

„’k Had ook maar op ’n één-persoons gerekend, niewaar Georgien?... Maar

às u ’n twéépersoons wil hebbe...”

„Nee. Dànk u. Wij gaan strakkies.”

Op straat vertelde ’k Georgine het afgeluisterd gesprek—wààrom ik Veuve

Perron in de rede viel. Mijn hóófdreden was de gedachte aan de

herinneringen van dìè kamer.

Wij aten, zochten Scherp op, die met koorts te bed lag. Tegen half

twaalf wilden we ’n kamer nemen bij Mast. De portier schelde. De

Oberkellner kwam naar benee, inspecteerde ons, zag dat we géén bagage

hadden, vroeg of we getróúwd waren. Ik zei néé. En er waren gèèn

kamers. We gingen naar Suisse. Er waren gèèn kamers. We gingen naar

Polen. Er waren gèèn kamers. Wij hadden geen bagage. Wij waren niet

getrouwd. Oberkellners zijn wèl zoo edel-achtbaar als de president van

’n Rechtbank.

Toen nam ’k, om niet langer bekeken te worden door kellners en

portiers, een kamer in een Rendez-vous.

De juffrouw bracht frisch water.

De juffrouw bracht schoone handdoeken.

De juffrouw vroeg of ’t voor ’n uurtje was of voor den heelen nacht.

Ik zei voor den héélen nacht.

En betaalde vijf gulden.

Zij sloot de deur.

Ik dee de knip er op.

En huiverig in de kille kamer kleedden wij ons uit, kropen bij

elkander, zoenden elkaar goeien nacht, woelden onrustig tot de morgen

door de neergelaten gordijnen grauwde, de morgen die eerbaar Amsterdam

kwam wakker maken.

Vroeg stond ’k op, sterk door m’n werkende zenuwen, keek door ’n

gordijnkier naar buiten. Fletse, vale wolken druilden langs roodvuile

daken. Een zwarte schoorsteen stompte vlak-bij, naast ’n dakgoot. Het

was een uitzicht op goorbruine, verweerde stadsmuren, beslagen,

schimmelend cement, verslijkende stofbulten. Van de straat was niets te

zien. Schuinsover een zolderraam met grijze tullen gordijntjes.

’n Goeie afgelegen buurt voor ’n Rendez-vous, voor ’n Naaikrot in

dienste der bourgeoisie, ’n huis zonder buren.

Op ’t ledikant ging ’k zitten, keek haar aan, zoo ze daar lag, wit,

vermoeid, wekte haar. Zij sloeg de armen om mij heen, zoende me, zoende

me. Ik zoende haar. De eerste reine kussen in dit bordeel.

Uit het bed, uit de kamerhoeken, uit de meubels opsloeg de stank eener

zedelooze, ròttende bourgeoisie.

Wij kleedden ons aan.

Wij gingen naar beneden.

De dienstmeid maakte de deur open.

Wij stonden op straat.

Een arbeider, met een kalkbak op z’n schouder, zag ons uit het

Rendez-vous komen, spuwde z’n tabakskwijl tot dicht bij mijn voeten.

Het was nog héél vroeg.

Samen gingen wij zoeken naar nieùwe kamers.

Kamertjeszonde · 第 73 / 77 题