XI.

O, Lente, groot in uwe fiere machte

Als alles nog in vorst en sneeuw geboeid,

En weenend bloem en vogelen wachten,

Op kus van u en ’t nieuwe leven bloeit.

En als ge komt op uwe zachte schreden

En ziet de aard’, in somb’re kille smart,

En uwe lippen drukt op bloemen zwaar geleden,

Glorie van godheid, goude Lent’ in ’t hart.

Die teere kus die bloem en vooglen doet herleven,

En baden zich in zee van zonneglans,

In frissche blanke dauw, en dartlend vlinder zweven,

Dan, tooit ge u met gouden stralen krans.

Heil dan o lente, met uwe gouden stralen,

Betoov’rend schoon zijt ge door ’t zilveren gekweel,

Als blank zacht, leeuwrikken door ’t luchtruim dwalen,

Van topazen blauw, wolkjes zacht en geel.

Aldus waren de naïve gedichten mijner ingeslapen vrouw. Een allerlaatst

vers was zoo begonnen:

Kamertjeszonde · 第 62 / 77 题