X.

Ik zag twee zwarte kruisen staan,

Geplaatst in ongewijde aarde,

Geheel alleen in schaduw hoek,

Van ongewijde aarde.

Ook stonden er kruisen wit en zwart,

Beschermd door muur van roode steenen,

Daar rust de dood, zonder smet of blaam

Door zonnegloed beschenen.

Bimbam, zoo klinkt het klokje luid

Bimbam, met zwaren, loomen galm,

Bimbam, o dood, in ongewijde aard,

Bimbam, rust gij ook zacht en kalm?

En ’t herfstwindje ruis-suisde zacht,

De blaadjes vielen teeder,

Ze vlogen op gewijde aard’,

Toch ook op ongewijde lagen zij neder,

Het klokje bamde steeds maar voort,

’t Kerkje tot bidde noodde,

O, zoo ik innig bidden kon,

’k Bad voor elken doode.

Kamertjeszonde · 第 61 / 77 题