Ook ik was kind, ook ik had kinderen-illusie,
Ook ik had graag ’t moois dat ’k bij and’re kind’ren zag.
Doch niet lang mocht ik kinder-denken houden,
’k Was groot en slank, verdiende vroeg reeds geld.
’t Brood verdiende ik met mijne arme ouders,
Die in den vreemde zochten hun bestaan,
Geen thuis, geen school, was mij ooit toegewezen
Als paria in woestheid opgebracht.
O, vreugdevolle kinderjaren
Wat bracht gij mij blond kind voor vreugd en heil,
O, gouden jeugd, vol zonnige lentedagen,
Voor mij geen lente en voor mij geen heil.
En dikwijls kwamen rijke heeren,
Ze vroegen aan mijn moeder mij te koop,
Belust op ’t mooie, blonde kinderhoofdje,
Mijn goudblond haar, mijn flinke vorm en leest.
O rijken, die armen het brood ontnemen,
Uw geile zonen, die met hun kapitaal
De dochtren ook trachten af te koopen
Als zwarte zorg de ouders nijpend drukt.
O, maklijk valt het meisjes der hooge standen
Te smalen op de diep gevallen vrouw,
Voor hoer en dief u neuzen op te halen
Als gij op kostschool of bij moeders pappot zit.