VIII.

’t Is laat in den nacht

Men snelt huiswaarts henen

Sneeuw vlokjes dwarlend in de lugt,

de kou bevangt een elkeen,

een snerpende vorst. En toch een droef gezucht

stil smart gekerm, gesmoorde tranen sprangen

twee kindertjes bedolven onder sneeuw bevangen door de kou

trachtend van elk een gave te erlangen

Een kleine aalmoes kermt de vrouw.

Gij arme vrouw gij zijt wel te beklagen

’k voel de smart die het u lijden doet

om zoo voor uwe kindren brood te vragen.

Ik lijd met u, o ween! O, tranen doen zoo goed.

Dinsdagavond.

Kamertjeszonde · 第 59 / 77 题