’t Is laat in den nacht
Men snelt huiswaarts henen
Sneeuw vlokjes dwarlend in de lugt,
de kou bevangt een elkeen,
een snerpende vorst. En toch een droef gezucht
stil smart gekerm, gesmoorde tranen sprangen
twee kindertjes bedolven onder sneeuw bevangen door de kou
trachtend van elk een gave te erlangen
Een kleine aalmoes kermt de vrouw.
Gij arme vrouw gij zijt wel te beklagen
’k voel de smart die het u lijden doet
om zoo voor uwe kindren brood te vragen.
Ik lijd met u, o ween! O, tranen doen zoo goed.
Dinsdagavond.