_is_ niet. Zij ontwikkelt zich; zij wordt. Zij streeft voortdurend naar
eene volmaaktheid, die zij nimmer bereikt. Dit gebiedt reeds de wet, die
aan hare ontwikkeling ten gronde ligt, en de ervaring bekrachtigt het
met haar zegel. Overweegt het zelven. Wanneer de invloeden, die onze
organisatie wijzigen, niet volmaakt bestendig zijn,--en zij zijn het
nimmer,--dan kan ook onze organisatie niet in volmaakte overeenstemming
wezen met deze invloeden. Zij blijft, in zekeren zin, bij deze ten
achter. Immers niet op het oogenblik der inwerking kan zich de
organisatie wijzigen: zij behoeft hiertoe tijd; en inmiddels is reeds
weêr een nieuwe prikkel daar, die zijnen wijzigenden invloed doet
gelden. Vanhier eene ingewikkelde reeks van invloeden en werkingen, die
men te vergeefs, in al hare bijzonderheden, zou trachten te ontleden.
Elke nieuwe invloed heeft te strijden met de organisatie, dat is met het
produkt der voorafgegane invloeden. Is derzelver afwisseling niet te
groot, dan valt die kamp niet zwaar. Daarenboven heeft de vatbaarheid
voor accommodatie zich des te meer ontwikkeld, naarmate het organismus
aan meer verscheidenheid van invloed was blootgesteld. Maar is de
prikkel meer vreemd en ongewoon, dan grijpt hij dieper in, en brengt
verschijnselen voort, die wij stoornisssen noemen, omdat zij niet
strooken met onze begrippen van harmonie. Deze stoornissen nu kunnen van
dien aard zijn, dat de physische voorwaarden van het harmonisch verband
tusschen de verschillende ligchaamsdeelen worden opgeheven. Thans is het
leven niet langer bestaanbaar, en allengs treedt een andere toestand,
die van ontbinding in. Grenzen dan ook tusschen leven en dood bestaan
slechts voor den oppervlakkigen beschouwer. Het eindigen van het leven
aan den laatsten ademtogt te verbinden, verraadt gebrek aan inzigt in
hetgeen aan het leven ten gronde ligt. De bewegingen tot ademhaling
nemen een einde; en eenige uren later is van ontbinding nog geen spoor
te zien, maar de toestand van elk ligchaamsdeel is toch een geheel
andere geworden. Nu eerst heeft de spier haar zamentrekkend vermogen
geheel verloren; nu eerst is alle werkdadigheid van het zenuwstelsel
vernietigd. Door duizenden van overgangen maakt de stofwisseling in de
weefsels, die aan 't gezonde leven ten gronde ligt, plaats voor die
wisseling, welke wij ontbinding noemen; en al deze verschijnselen,
leven, stoornis, ontbinding, zijn even noodwendig en volgen elkander
wettig op.
Zoo geeft dezelfde wet, waarop de harmonische betrekking tusschen het
dierlijk organismus en de uitwendige invloeden berust, tevens rekenschap
van de onvolmaaktheden, die haar aankleven. Wil daarentegen de teleoloog
deze onvolmaaktheden in zijne beschouwingswijze opnemen, dan velt hij
zijn eigen vonnis. Of zou hij, op het natuurkundig standpunt, de
stoornissen onzer bewerktuiging als de tuchtroede willen beschouwen
eens goeden Vaders, tot onze zedelijke verbetering?
Maar nog van eene andere zijde van het dierlijk organismus schittert
ons de prachtigste harmonie in het oog. Ik bedoel: in de betrekking
tot zijne levensbehoeften en in die zijner zamenstellende deelen
tot elkander. De tijd gedoogt niet, u ook deze even uitvoerig te
schilderen: trouwens, zij staat levendig genoeg u voor den geest. De
teleogie, die hier vooral de bouwstoffen vergaderde voor haren tempel,
is nimmer in gebreke gebleven, ze u op zegevierenden toon voor oogen te
stellen. Wie bewonderde niet vaak, met hooge ingenomenheid, de treffende
evenredigheid tusschen de eigenschappen en vermogens van elk dier en
deszelfs levenswijze en levensbehoeften? De kracht, de vlugheid en
juistheid van elk zijner bewegingen, de scherpte en het doordringend
vermogen zijner zintuigen, ja de oneindige verscheidenheid van neigingen
en vermogens, die men met den naam van instinct pleegt te bestempelen,
alles beantwoordt harmonisch aan de behoeften van elk dier, en verzekert
de instandhouding van het individu en de voortplanting der soort!
Altijd en overal ligt aan de verrigting de bouw ten gronde. Ook deze,
bij gevolg, moet aan de behoeften beantwoorden, waar de verrigtingen
hieraan harmonisch geëvenredigd zijn: en zoo worden wij als van zelve
gewezen op de harmonische betrekking tusschen de zamenstellende deelen
van hetzelfde organismus. In dit opzigt zou elk dier, welke plaats het
in de rij der wezens moge innemen, ons breede stof ter beschouwing
opleveren. Springt niet overal de volmaaktste evenredigheid ons in het
oog tusschen de passieve en actieve organen van beweging? Bezit het
hoofdorgaan des bloedsomloops niet altijd de vereischte kracht, om het
levensvocht door het geheele ligchaam rond te voeren? Zijn niet juist
menigvuldige verbindingen en vlechten tusschen de bloedvaatstammen daar
voorhanden, waar het ligtst hinderpalen dreigend zich konden opdoen?
Wat meer is,--terwijl de zintuigen en de geheele oppervlakte van het
ligchaam als wakkere wachters voor de indrukken der buitenwereld
openstaan, en deze aan het bewustzijn mededeelen, staat, in al de
organen van het voedingsleven, het gevoel op zóó lagen trap, dat wij
noch van de zamentrekkingen van het hart, noch van de bewegingen van
maag en darmkanaal, noch van den prikkel en de wrijving der vochten,
waaraan beide zijn blootgesteld, eenige de minste kennis krijgen. Ziet
gij niet,--roept de teleoloog u toe,--waartoe dit dient? Zóó alleen was
de werking van uwen geest vrij en onbelemmerd; zóó alleen werd hij
nimmer afgetrokken in de waarneming der buitenwereld; zóó alleen kon
hij zich ongestoord verheffen tot in hoogere sferen.--Gij erkent die
harmonie; gij ziet er, op het menschelijk standpunt, zelfs het
doelmatige van in. Maar gij verlangt meer. Gij wilt van deze en van zoo
vele andere verschijnselen den grond kennen. Gij wilt zien aangetoond,
dat zij aan wetten gebonden, dat zij noodwendig zijn. Gij wilt weten,
waardoor zij tot stand kwamen, en hoe zij zich handhaven. Ik wijs U op
de wet van oefening: _Elk orgaan, elk ligchaamsdeel wordt onder den
duurzamen invloed van den wil of van andere omstandigheden zoodanig
gewijzigd, dat het beantwoordt aan hetgeen de wil of de omstandigheden
van hetzelve eischen_.
Toetsen wij deze wet aan de verschijnselen, dan zal tevens blijken, dat
zij rekenschap geeft van die harmonische betrekking, waarop wij een'
vlugtigen blik wierpen.
De schoonste overeenstemming bemerkten wij tusschen de levensbehoeften
van elk dier en de kracht, de vlugheid en juistheid zijner bewegingen.
Maar komt u hierbij niet onmiddellijk voor den geest, dat, door
oefening, onze krachten, tegelijk met de spier zelve, ontwikkeld worden?
Hebt gij den geoefende niet vaak bewegingen, voor ons volstrekt
onuitvoerbaar, met eene vlugheid en juistheid zien volbrengen, die aan
het ongeloofelijke grensden? Ik zag een meisje, bij 't welk het gemis
der bovenste ledematen aangeboren was, met hare voeten, oorspronkelijk
als de onze gevormd, allerlei handwerk verrigten. 't Was alsof de voeten
in handen herschapen waren. Zóó vermogend is de invloed der oefening! En
bedenkt men nu, dat bij elk dier de oefening steeds bepaald wordt door
de levenswijze en levensbehoeften, dan heeft men slechts dieper in het
verledene terug te zien,--en men is overtuigd, dat, op grond der wet van
oefening, kracht, vlugheid en juistheid van beweging zich harmonisch
geëvenredigd aan de levenswijze en levensbehoeften van elk dier moesten
ontwikkelen.
Nergens evenwel vinden wij het vermogen der oefening sterker uitgedrukt
dan in de zintuigen. Bij den blindgeborene zijn gehoor, gevoel en reuk
tot eene scherpte en fijnheid van onderscheiding ontwikkeld, dat zij
voor een groot deel in het verlies van het edelste der zintuigen
voorzien. In eene stip aan den horizon, die het ongeoefend oog ontgaat,
erkent de zeeman een schip in volle zeilen; en wie zich daarentegen bij
voortduring met het onderzoek der kleinste voorwerpen bezig houdt, en
hierbij verzuimt met zijnen blik nu en dan dieper in de ruimte door te
dringen, wapent allengs zijn oog met een natuurlijk vergrootglas. Door
oefening wijzigen zich alzoo de grenzen van het accommodatie-vermogen,
en zij moeten dus bij elk dier wel beantwoorden aan de behoeften: want
door deze werd de oefening bepaald. Weder derhalve gaf de wet van
oefening u den sleutel tot de harmonie!
Maar ook in het zoogenaamd instinct zie ik slechts het noodwendig gevolg
der omstandigheden. De vermogens en eigenschappen, die men hiertoe
pleegt te brengen, ontwikkelen zich door oefening;--zij worden verdoofd,
zoodra de omstandigheden aan die oefening paal en perk stellen. Men
zegge derhalve niet: aan deze diersoort werd dit of dat instinct
gegeven, omdat hare levenswijze dit vorderde,--bij gene ontbreekt het,
omdat zij hieraan geene behoefte had; maar men erkenne, dat het zich bij
deze diersoort noodwendig moest ontwikkelen, doordat de omstandigheden
deszelfs oefening medebragten, en dat het bij gene wettig onbestaanbaar
is, wijl tot deszelfs oefening de levenswijze nimmer aanleiding gaf.
Wij hebben nog het harmonisch verband tusschen de verschillende deelen
van hetzelfde organismus onderscheiden; maar ook dit berust op dezelfde
wet, de wet van oefening. Oefening is dan evenwel in een' ruimeren zin
genomen, namelijk: als de verhoogde verrigting en voeding van een
bepaald ligchaamsdeel, niet slechts voor zoo ver die onder den invloed
van den wil plaats grijpen, maar door eenen gewijzigden toestand, van
welk orgaan ook, te weeg gebragt.
Door oefening nu in dien zin komt de harmonie tot stand tusschen de
passieve en actieve organen van beweging;--immers de bewegelijkheid van
elk gewricht wordt geoefend en dus bepaald door de spierwerking. Op
denzelfden grond moet de omvang en kracht der zamentrekkingen van het
hart aan den weêrstand in het bloedvaatstelsel beantwoorden; want die
weêrstand juist is het, die de kracht van het hart bepaalt. Wilt gij
hiervan het bewijs? Waar de weêrstand ziekelijk verhoogd wordt, ontstaat
overvoeding van het hart; en kondet gij van het thans onstuimig
kloppende hart de spierwanden in een oogenblik tijds tot de normale
dikte terugbrengen, gij zoudt den lijder onfeilbaar op staanden voet
zien bezwijken. Blijkt hieruit, dat verhoogde weêrstand de werking van
het hart opwekt, dan immers moet, krachtens de wet van de oefening, de
ontwikkeling en de kracht van het hart bij elk dier noodwendig aan den
weêrstand beantwoorden.
Moeijelijker schijnt het, het noodzakelijk bestaan te betoogen der
menigvuldige verbindingen en vlechten bloedvaatstammen, juist op zulke
plaatsen, waar zonder deze het ligtst belemmering zich zou opdoen. En
toch is dit harmonisch verband in zijne wording hoogst eenvoudig. De
belemmeringen, namelijk, tot welker overwinning de verbindingen en
vlechten, naar de teleologische beschouwingswijze, doelmatig bestemd
zijn, zijn zelven de oorzaak van het ontstaan dier vlechten en
verbindingen. Wij zien ze hierdoor, onder zekere omstandigheden,
als onder onze oogen gevormd worden. Wordt een hoofdstam gedrukt,
onderbonden of door ziekelijke gesteldheid verstopt, dan worden de
naauwelijks zigtbare takjes, waardoor zoo wel de slagaderlijke als
aderlijke stammen van eenig deel steeds onderling gemeenschap oefenen,
tot grootere stammen uitgezet, die nu, bij wijze van vlecht, eenen
collateralen bloedsomloop voortbrengen. Vandaar dan ook in het aderlijk
stelsel, waar belemmeringen menigvuldiger zijn, een grooter aantal dier
verbindingen en vlechten dan in het slagaderlijke.
Maar zullen wij immer den grond kunnen peilen van die mindere
gevoeligheid der voedingsorganen, waardoor aan onze hoogere vermogens
eene zooveel vrijere ontwikkeling verzekerd wordt?--Reeds deed ik u
opmerken, hoe de gevoeligheid van elk zintuig door oefening verhoogd
wordt, hoe gebrek aan oefening deszelfs werking vernietigt. Het
afgeweken oog van den scheelziende ontwaart niet langer den prikkel van
het invallend licht: en al onze zintuigen zijn voor de indrukken der
buitenwereld als gesloten, wanneer wij aan de fantazij onzer verbeelding
den vrijen teugel laten, of ons geheel verdiepen in een vraagstuk, dat
al onze inspanning vordert. Worden hierdoor de zintuigen als verlamd,
hoeveel meer moet, bij het ontwikkelen der psychische vermogens en der
zintuigen zelve, uit gebrek aan oefening, het gevoel zijn verdoofd
geworden in die deelen, welke ons geene indrukken van de buitenwereld
overbragten, die onze belangstelling konden opwekken. Zeer opmerkelijk
gewis is het, dat, naarmate de hoogere vermogens in een dier ontwikkeld
zijn, het zenuwstelsel, dat het voedingsleven beheerscht, als een meer
zelfstandig, afgescheiden gedeelte optreedt. Maar, wat meer is, het
bewustzijn herneemt, ook in de organen der voedingsverrigtingen, voor
een deel zijne regten, zoodra het geoefend wordt. Schier elk orgaan, dat
wij ons, wanneer ook zonder eenigen grond, als ziekelijk voorstellen,
wordt gevoelig, doordat wij onze gedachten nu op dit deel als
concentreren, en zoo gevoel en bewustzijn oefenen, zoo verre zij tot
dit deel betrekking hebben. Vooral is dit duidelijk ten opzigte van
het hart. Het klopt onophoudelijk in onze borst; doch in den normalen
toestand worden wij niets hiervan gewaar, tenzij wij, in den valschen
waan van aan een hartsgebrek te lijden, den hartslag altijd en altijd
naauwlettend gadeslaan. Dat eeuwige kloppen wordt dan op het laatst
ondragelijk, al is de slag niet sterker dan bij een' gezond mensch. Wie
immer zich inbeeldde, door hartziekte te zijn aangetast,--en hun getal
is niet zoo gering,--heeft hieronder bitter geleden.--Maar genoeg, om u
te doen zien, dat de hoogere ontwikkeling der geestvermogens, zoowel als
de zintuigelijke indrukken, aan de oefening van het gevoel in de organen
van het voedingsleven in den weg staan, en dat, bij gevolg, de geringe
gevoeligheid van deze eene noodwendige is.
Zoo geeft de wet van oefening, straks uitgesproken, evenzeer
rekenschap van de harmonische betrekking der dierlijke wezens tot hunne
levensbehoeften, als van den band, die de verschillende ligchaamsdeelen
tot één organismus zamenvlecht.
Gewis ontging het uwe aandacht niet, mijne Geëerde Hoorders! dat er een
naauw verband bestaat tusschen de beide wetten, die der harmonie ten
gronde liggen: de wetten, die ik kortheidshalve die van _gewoonte_ en
_oefening_ noemde. Waar de eerste haren invloed doet gelden, wordt zij
onderschraagd door de laatste. Krachtens de wet van gewoonte, wordt elk
orgaan door den invloed, waaraan het regtstreeks is blootgesteld,
primitief gewijzigd. Dit orgaan staat nu evenwel niet geïsoleerd; het
hangt innig zamen met de overige deelen van het organismus. Wat is dus
het noodzakelijk gevolg van die primitieve wijziging? Wijziging van al
de overige ligchaamsdeelen,--welker werking namelijk òf opgewekt òf
onderdrukt wordt,--en alzoo, krachtens de wet van oefening, eene hieraan
geëvenredigde ontwikkeling van elk dier deelen. Door deze harmonische
zamenwerking der wetten van gewoonte en oefening beantwoorden nu alle
ligchaamsdeelen, ook die, welke nimmer aan eene onmiddellijke inwerking
blootstaan, aan de invloeden der buitenwereld, en wordt tevens de
harmonie tusschen de verschillende organen bij voortduring gehandhaafd.
Doch niet van alle oefening zijn uitwendige invloeden het onmiddellijk
uitgangspunt. In den wil vinden wij eene tweede, magtige drijfveêr van
oefening, die haren onmiddellijken invloed op het zenuwstelsel en den
toestel voor willekeurige beweging doet gelden, en van hier op het
geheele organismus terugwerkt. Deze oefening moet alzoo onderscheiden
worden van die, welke zich onmiddellijk sluit aan de uitwendige
invloeden. Is evenwel de geheele organisatie van het dier onder bepaalde
invloeden noodwendig tot stand gekomen, en wordt deszelfs wil, bij elke
omstandigheid, door de organisatie volstrekt bepaald, dan is de wil, die
als drijfveêr van oefening optreedt, zelve het noodwendig uitvloeisel
van verwijderde invloeden; en wij zouden, in hetgeen hij op de oefening
vermag, slechts het middellijk gevolg dier verwijderde invloeden moeten
zien.
Doch het is mijn voornemen niet, thans dieper in den grond en in het
verband dier wetten door te dringen. Genoeg, dat wij deze wetten
onmiskenbaar in de verschijnselen afgedrukt, en ons zoo geregtigd zagen
tot het besluit: dat de harmonie, die ons de dierenwereld predikt, aan
wetten gebonden--noodwendig is.
En toch--het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn--op zich zelven waren de
genoemde wetten hier nog ontoereikend. Schier bij elk voorbeeld moesten
wij stilzwijgend eene derde wet vooronderstellen,--eene wet, zonder
welke de harmonie nimmer eene hoogere volmaking konde te gemoet streven,
zonder welke wij den klimmenden strijd zouden aanschouwen tusschen het
dierlijk organismus en de buitenwereld, ja! zonder welke misschien alle
dierlijk leven vroeger of later voor het geweld van buiten zou moeten
zwichten. Reeds spreekt gij ze met mij uit. Het is de wet van
erfelijkheid: _De toestand van het voorgeslacht plant zich telkens op
het nageslacht over; de toestand der ouders wordt telkens aangeboren in
de kinderen_. Zietdaar de wet, die in het geslacht bestendigt, wat
gewoonte en oefening gewrocht hebben. Zietdaar den grondslag der
klimmende volmaking in de Schepping.
Zal ik u ook deze wet in de verschijnselen aantoonen? Weder kan
ik mij op uw eigene ervaring beroepen. Hoe dikwijls zaagt gij den
ligchaamsbouw, de gelaatstrekken, de kleur, den gang, de stem, ja zelfs
het gemoed, de hoogere vermogens en allerlei eigenaardigheden der ouders
in de kinderen weêrspiegeld! De Romeinen hadden reeds hunne _naseones_
en _labeones_; en ook thans is de dikke lip eene erfelijke eigenschap in
het Oostenrijksche Huis.
Doch ik kan u op een ruimer gebied wijzen. Immers de ontelbare
verscheidenheden der verschillende diersoorten staan allen als getuigen
daar van de wet van erfelijkheid. De variëteiten van elke soort, zijn,
zelfs veelal in de historische tijden, door verscheidenheid van
invloeden en levenswijze tot stand gebragt; en wij zien ze thans met
gelijke juistheid voortgeplant, als den oorspronkelijken typus. Bij
vermenging van verschillende rassen zien wij daarentegen vormen geboren
worden, die aan de beide ouders herinneren, zoodat ook hierin de wet van
erfelijkheid zich ten duidelijkste openbaart.
Reeds sedert lang heeft ook de veeteelt van de toepassing dier wet
de gelukkigste partij getrokken. Men verlangt runderen, door vorm en
neiging tot vetontwikkeling bijzonder voordeelig als slagtvee, sterke
ossen, geschikt voor den landbouw, en koeijen, die ruime hoeveelheden
goede melk leveren. De eigenschappen, tot deze verschillende doeleinden
vereischt, schijnen elkander evenwel grootendeels uit te sluiten, en
zijn dus niet allen, in hoogen graad ontwikkeld, in hetzelfde ras te
verkrijgen. Maar reeds sedert lang is het gelukt, kunstmatig rassen
te vormen, die aan de eene of andere der gezegde doeleinden bij
uitnemendheid beantwoorden. En welken weg sloeg men hiertoe in?
Telkens bestemde men tot voortplanting die dieren, waarin de verlangde
eigenschappen, onder omstandigheden van welken aard dan ook, bijzonder
ontwikkeld waren, en deze zag men nu op de volgende geslachten sterker
en sterker overgeplant. Eene eervolle plaats in de geschiedenis der
veeteelt komt Bakewell toe; omdat hij van de reeds lang bekende
wet van erfelijkheid (het _like begets like_, zoo als hij gewoon was te
zeggen) het eerst eene consequente toepassing maakte. Zóó legde hij den
grond tot een eigen ras van runderen, bijzonder voordeelig en geschikt
voor slagtvee, 't welk men een' tijd lang op hoogen prijs stelde, en
slechts daarom niet als een zuiver, onvermengd ras bewaard heeft,
wijl Bakewell zijn doel te goed, en hierdoor te zeer ten nadeele der
in andere opzigten wenschelijke eigenschappen, bereikt had. Zóó ook
stelde hij zich in het bezit van een eigen ras van schapen (_Dishley
Breed, New Leicester Breed_), welks wol in sommige opzigten voor die van
andere moge onderdoen, doch hetwelk de bijzondere eigenschap bezit, van
op veel jeugdigeren leeftijd en veel gemakkelijker dan andere rassen te
kunnen worden vetgemest, en hierom ook thans nog tot de meest geachte en
algemeen verspreide rassen in Groot-Brittanie geteld wordt.
Uit een en ander is voldoende gebleken, dat de door verschil van
invloeden en levenswijze ontstane wijzigingen zich op het nageslacht
overplanten, en weldra eene zoo groote mate van bestendigheid
verkrijgen, dat wij hierin eene typische verscheidenheid erkennen.
Wanneer wij nu zien, dat de kenmerken van dergelijke verscheidenheden
des te dieper wortel schieten en zich des te krachtiger handhaven,
naarmate invloeden en levenswijze over een grooter aantal generatiën
onveranderd bleven, dan is er niets gewaagds in het besluit, dat aan
eene vroeger meer duurzame gelijkheid van omstandigheden, over ontelbare
generatiën, de grootere vastheid van typus, die wij thans aan elke
soort toekennen, is toe te schrijven. En zeker bestond die meerdere
bestendigheid van omstandigheden, zoolang de verspreiding van elke thans
erkende soort meer beperkt bleef, en door tusschenkomst van den mensch
minder inbreuk was gemaakt op de oorspronkelijke levenswijze.
Vragen wij nu, in welke diersoorten, op grond der ontwikkelde wetten,
de meeste en belangrijkste verscheidenheden mogen verwacht worden, dan
kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: vooreerst in den mensch, die,
bij zijne verspreiding over de geheele oppervlakte der aarde en bij
het groote verschil in levenswijze en beschaving, wel het meest aan
wijziging in organisatie moest blootstaan: maar daarenboven in alle
diersoorten, die, door den mensch aan den natuurstaat onttrokken, aan
vreemde invloeden, aan eene vreemde levenswijze werden blootgesteld. En
zoo is het ook. Behoef ik meer te doen, dan u op de ontelbare zoo zeer
onderscheidene rassen van honden en paarden te wijzen, om u hiervan te
overtuigen?
Hebben wij uit het bovenstaande reeds gezien, dat elke door het individu
verkregene eigenschap zich op het nageslacht overgeplant, dan behoeft
dit welligt niet meer in het bijzonder aangewezen te worden ten opzichte
der voorbeelden, die wij tot staving der wetten van gewoonte en oefening
hebben aangevoerd. Het zij mij evenwel vergund, nog op enkele van deze
uwe aandacht te vestigen.
Wanneer Parry ons verhaalt, dat hij, op zijne reis naar den
Noord-pool, in eene temperatuur, waarbij het kwikzilver bevriest, een'
zuigeling in de open lucht aan de borst zijner moeder zag, kan het dan
nog aan twijfel onderhevig zijn, dat het vermogen, om aan koude te
weêrstaan, eene aangeboren eigenschap is van den bewoner van het
Noorden? Wanneer wij zien, dat het darmkanaal der jonggeboren huiskat
eene betrekkelijk grootere lengte heeft, dan dat van jonge vleeschetende
dieren, zijn wij dan niet overtuigd, dat de geschiktheid der organisatie
voor het gebruik van gemengd voedsel hier wordt aangeboren?--En wat
leert ons de geschiedenis van het tabaksgebruik? Thans moge het dengene,
die zich aan dit vergift gewennen wil, hoogstens nog eenige benaauwde
uren of dagen kosten:--toen in weêrwil der bedreigde straffen en den
heftigen tegenstand, zelfs door Pausen en Keizers geboden, het gebruik
van den tabak zich eerst door Europa begon te verspreiden, waren de
verschijnselen bij de eerste proeven oneindig heviger, en schijnt zelfs
menig onvoorzigtige rooker zijn' zonderlingen lust met den dood bekocht
te hebben. Onze ouders rookten, onze voorouders rookten,--en thans is,
gij ziet het, de gewoonte tot rooken ons reeds ten halve aangeboren.
Om u vervolgens te doen opmerken, hoe de door invloeden en oefening
verkregene ontwikkeling van het been- en spierstelsel, hoe de kracht en
snelheid van zamentrekking in het nageslacht worden voortgeplant, breng
ik u slechts de zoo verschillende rassen van paarden voor den geest.
En van de door erfelijkheid medegedeelde scherpte der verschillende
zintuigen leveren onderscheidene volkeren,--van een aangeboren verschil
in accommodatie-vermogen van het oog talrijke familiën, bijzonder in de
steden, het overtuigendst bewijs.