Zoo zou ik van elke harmonische eigenschap, die wij, krachtens de

wetten van gewoonte en oefening, zagen tot stand komen, de voortplanting

op het nageslacht door voorbeelden kunnen staven, en hierdoor de

noodzakelijkheid der harmonie van het dierlijk leven op nog breeder'

grondslagen vestigen. Ik wil mij echter, kortheidshalve, bepalen tot

de instinctmatige vermogens. Bij de wet van oefening heb ik mij omtrent

dezen opzettelijk van voorbeelden onthouden, naardien het mij

gemakkelijker scheen, u de kracht der oefening, door verscheidene

geslachten voortgeplant--en als ware het vermenigvuldigd--aanschouwelijk

te maken, dan in het leven van een enkel individu. En hierom mogt ik

deze hier niet met stilzwijgen voorbijgaan. Weder de hond levert ons het

sprekendst bewijs van den invloed der oefening ook op de instinctmatige

vermogens. Het lijdt geen' twijfel, of bij de oorspronkelijke soort,

waarvan al onze honden afstammen, bestond één en hetzelfde instinct.

En thans, welk een verscheidenheid! Schier elk ras heeft ook ten

dezen opzigte zijne eigendommelijkheden. Behoef ik u te wijzen op

de instinctmatige vermogens van den herders- of jagershond, van den

bloeddog of van den New-foundlander?--Van waar nu die verscheidenheid?

Het antwoord is niet moeijelijk. De mensch heeft door kunstmatige

oefening het een of ander instinct bij den hond meer en meer ontwikkeld,

en door de wet van erfelijkheid werd dit instinct bestendigd. Overwin

bij een' hond den tegenzin, om te water te gaan, gij zult hiermede

bij de jongen reeds veel minder te kampen hebben. Wilt gij andere

voorbeelden? Frederic Cuvier verhaalt, dat in zoodanige streken, waar

den vossen dikwijls hinderlagen worden gelegd, de jongen, reeds de

eerste maal, dat zij het nest verlaten, eene omzigtigheid aan den

dag leggen, die men in andere streken bij hen te vergeefs zoeken

zou.--Voorts weten wij, dat elk dier instinctmatig vlugt voor zijn'

vijand. Men spreekt van doelmatigheid in die poging tot zelfbehoud. Maar

het dier, welks voorgeslachten niet vervolgd werden, de vogels op een

onbewoond eiland, vlugten niet; zij zijn zoo argeloos, dat zij zich met

de hand laten vangen. Na weinige generatien echter is hun het instinct

om te vlugten reeds aangeboren. Alzoo: de vervolging door den vijand

heeft het instinct om te vlugten, volgens de wet van oefening,

ontwikkeld; en naar de wet van erfelijkheid plantte het zich voort.

Gij ziet: het aanwezen van dit instinct, als dat van elk ander, is het

noodwendig gevolg der omstandigheden, die deszelfs oefening uitlokten,

en waaraan het dus nu harmonisch moet beantwoorden.

Hoe een instinct ook eindelijk kan worden tot zwijgen gebragt, wanneer

op deszelfs oefening inbreuk wordt gedaan, leert ons reeds het temmen

der dieren. Nimmer zullen de jongen van een getemd dier de wreedheid en

wildheid aan den dag leggen, die zijnen voorouders eigen waren. Maar nog

opmerkelijker is de gedeeltelijke verdooving van een der natuurlijkste

instincten bij onze inlandsche runderen. Overal, waar het de gewoonte

is, het kalf bij de koe te laten zuigen, bestaat hiertoe bij beide de

grootste behoefte. Zij schreeuwen zich half dood, zoo als Sturm

zich uitdrukt, wanneer men ze van elkander scheidt. De koe, die

dagenlang zoo onrustig zich gedraagt, dat een vreemde niet zonder gevaar

ze zou naderen, spant al hare krachten in, om los te breken; en het kalf

zoekt, verscheidene weken, bijna onophoudelijk naar de uijer, alles

aanvattende, om er aan te zuigen. Bij onze inlandsche koeijen

daarentegen, welker kalveren doorgaans onmiddellijk na het werpen

verwijderd worden, is de moederliefde, als ware het, uitgedoofd. Wordt

het kalf maar terstond op eenigen afstand gebragt, dan gedraagt zich de

moeder volmaakt rustig, en laat de melk veel gemakkelijker kunstmatig

verwijderen, terwijl ook bij het kalf de pogingen tot zuigen zich in

veel geringere mate opdoen.

Zietdaar, mijne Geëerde Hoorders! de drie wetten ontwikkeld, die aan de

harmonie van het dierlijke organismus ten gronde liggen. Naar de wetten

van gewoonte en oefening zaagt gij de harmonie in het individu tot

stand gebragt; naar de wet van erfelijkheid zaagt ge in het nageslacht

bestendigd, wat door gewoonte en oefening in het individu gewrocht was.

Die harmonie erkent gij dus als noodwendig: want zij is aan wetten

gebonden, en elke natuurwet eischt volstrekte en onbegrensde

gehoorzaamheid. Wie het doel durft uitgeven voor den grond der harmonie,

hij wordt afgewezen voor de regtbank der wetenschap; want in de

onvergankelijke bladeren van het wetboek der natuur, waarop hare

uitspraken gegrond zijn, staat met onuitwischbare letteren geschreven:

_gewoonte_, _oefening_, _erfelijkheid_.

Het is evenwel niet genoeg, de noodwendigheid der harmonie uit deze

wetten te herleiden; ons streven moet het zijn, die wetten zelve dieper

te doorgronden. Reeds gaat er naar die zijde eenig licht op in de

wetenschap over de oorzaken der verschijnselen, welke wij tot de wetten

van gewoonte en oefening terugbragten: en zoo, opklimmende van oorzaak

tot oorzaak, zonder ooit in droomerijen omtrent het doel ons te

verliezen, naderen wij, langzaam wel is waar, maar met vasten tred,

het ideale standpunt, van waar men alle verschijnselen der natuur met

noodzakelijkheid uit de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten

konde zien voortvloeijen.

Wie dus een doel huldigt in de harmonie der stoffelijke wereld, hij

plaatse het in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten.

Hier verstomt de wetenschap der Natuur; hier staan hare grenzen. Zij

verloochent haar karakter, wanneer zij ook den grond dier eigenschappen

kennen wil. Zij overschrijdt hare regten, wanneer zij den staf durft

breken, over wie hier grond en doel vereenzelvigen.

En, wanneer eens door eene alwijze Almagt die stoffen en krachten

met een bepaald doel werden in het aanzijn geroepen, en in hare

eigenschappen de voorwaarden voor de geheele toekomst werden weggelegd,

dan stroomt ook geen druppel bloeds zonder doel door onze aderen,--maar

het is een doel, dat buiten de wetenschap ligt der Natuur.

Van mijne taak heb ik het deel volbragt, door de wet mij opgelegd.

Een ander deel, waartoe hoogachting en dankbaarheid mij nopen, blijft

te vervullen over.--Het eerst rigt ik mij tot U, Edel Groot Achtbare

Heeren Curatoren! die met onvermoeiden ijver de belangen behartigt der

Hoogeschool, aan uwe hooge zorgen toevertrouwd. Steeds uw blikken gerigt

op den vooruitgang der Wetenschappen en op den toestand der Hoogeschool,

is het uw heilig streven, dezen aan de eischen van gene te doen

beantwoorden. Het kon uw naauwlettend oog niet ontgaan,--en gij hoordet

het telkens door zaakkundige mannen rondom u uitspreken,--dat de

geneeskundige wetenschappen, terwijl zij meer het karakter en den geest

der natuurkundige aannamen, zich op ruimer en ruimer gebied vestigden.

Dit eischte in uw oog dan ook ruimere voorziening in het onderwijs;

en de betrekking, waarin ik thans sta tot de Hoogeschool, strekt ten

bewijze, dat gij niet geaarzeld hebt, tot stand te brengen, wat

uwe overtuiging u als wenschelijk had voorgespiegeld. Mij hebt

Gij geroepen,--en onze geëerbiedigde Koning heeft uwe keuze

bekrachtigd,--niet zoo zeer om eene taak op mij te nemen, die vroeger

op andere schouders rustte, dan om naast den werkkring van ijverige

Ambtgenooten mij, als leeraar, een' weg te banen op het uitgebreid

gebied der geneeskundige wetenschappen.--Gij zult geene klagte van mij

vernemen, Edel Groot Achtbare Heeren! dat mijn werkkring hier te beperkt

is: integendeel, ik spreek het opentlijk uit, dat men nog aan meer dan

één' nieuw Ambtgenoot eene even uitgebreide taak zou kunnen aanwijzen,

die ook thans nog onvervuld moet blijven. Maar, vergeeft het mij, zoo

ik u toch op eene schaduwzijde wijzen moet: ik bedoel het verbroken

evenwicht tusschen de eischen der vorderende wetenschap, die gij door

uwe voorziening in het onderwijs bewezen hebt volkomen te begrijpen,

en de nog onveranderde wettelijke vereischten, voor wie den graad

van Doctor in die wetenschap verlangt. In Nederland worden thans

nog geneeskundige studien volbragt, zonder dat de grondslagen der

physiologie van den gezonden en van den zieken mensch, de weefselleer

en de ziektekundige ontleedkunde, tot de verpligte lessen behooren.

In Nederland worden thans nog wettig Doctoren gecreëerd in de genees-,

heel- en verloskunde, zonder dat bewijzen van bekwaamheid in de genoemde

wetenschappen worden gevorderd.--Ik koester met vertrouwende gerustheid

den wensch, dat uw veelvermogende invloed niet zal in gebreke blijven,

tot herstelling van het hier verbroken evenwigt bij te dragen.

Maar reeds week ik te ver af van de gevoelens, die mij bezielden, toen

ik mij tot u wendde. Indien ik plegtig verklaar, dat aan de loopbaan,

die gij voor mij geopend hebt, het geluk mijns levens innig verbonden

is, dat de later van u ontvangene blijken van welwillende belangstelling

eenen diepen indruk hebben gemaakt op mijn gemoed, en dat mijn hart warm

en erkentelijk is, dan hebt gij den maatstaf der dankbaarheid, die mij

jegens u bezielen moet.

Maar uw in mij gesteld vertrouwen droeg niet slechts bij tot mijn geluk:

het was mij daarenboven in de hoogste mate vereerend. Het zou overbodig

zijn, en gewis mij weinig passen, over uwe groote verdiensten voor deze

Hoogeschool uit te weiden: alleen op de getuigenis van hen, die het

langen tijd van nabij gezien en ondervonden hebben, kondt gij eenigen

prijs stellen,--en dát ontbrak u nimmer. Maar ik voel mij toch gedrongen

u te zeggen, dat uw vertrouwen mij in te hoogere mate vereert,

naargelang uwe waarachtig belangstellende zorgen voor de Hoogeschool

in zoovele anderen uwer bemoeijingen duidelijker zijn afgedrukt; ja! dat

ik er trotsch op ben, door u tot eene betrekking te zijn voorgedragen,

waarvan het volle gewigt mij levendig voor den geest staat. Ik heb mij

als levensdoel gesteld, aan uw vereerend vertrouwen naar mijne krachten

waardiglijk te beantwoorden. Geene poging hiertoe zal onbeproefd

blijven; maar dikwijls, ik gevoel het, zal ik uwe welwillende

ondersteuning hiertoe moeten inroepen. Reeds hebt gij mij geleerd, dit

met vertrouwen te doen,--en door uwe handelingen mij den wensch in den

mond gelegd, dat gij nog eene lange reeks van jaren, altijd even ijverig

bijgestaan door uwen hooggeschatten, wakkeren Secretaris, aan het

welzijn der Hooggeschool uwe goede zorgen moogt toewijden.

Ook tot u, Weledele Hooggeleerde Heeren, waarde Ambtgenooten, en Zeer

Geleerde Heeren Lectoren! rigt ik mij met volle vertrouwen. Doorloop ik

uwe rijen, dan ontdek ik mannen, die, grijs geworden in wetenschap en

letterroem, mij hooge achting, diep ontzag inboezemen; maar ik zie ook

onder u geëerde Leermeesters, die mij altijd met heusche welwillendheid

den weg tot wetenschap hebben aangewezen,--vrienden, die mij met hunnen

omgang vereerden, vóór ik hen als Ambtgenooten mogt begroeten; en in

u allen herken ik ambtgenooten, die mij welwillend zijt te gemoet

getreden, toen een koninklijk besluit mij aan uwe zijde plaatste.

Ik wierp met u een' blik op de prachtvolle harmonie van het dierlijk

leven,--en al die pracht zagen wij aan ijzeren boeijen geketend. Maar

een hooger beginsel ademt de harmonie, waarmede gij eenparig streeft

naar hetzelfde verheven doel: want, in dit streven kent gij geene

wetten, ziet gij geene noodzakelijkheid. Gij gevoelt: het geschiedt met

bewustzijn, het berust op vrije wilsbepaling.--Thans ben ik geroepen,

om mij met u tot ontwikkeling der hoogere vermogens van den mensch te

vereenigen. Die taak rust zwaar mij op de schouders. Mijne beste

pogingen, om hierin harmonisch met u zamen te stemmen, zou ik gewis

dikwijls zien verijdeld, wanneer gij niet steeds gereed stondet, mij

welwillend de hand tot ondersteuning toe te reiken. Dit zij hierom de

bede, tot u allen gerigt--de bede, waarmede ik mij dringend, maar ook

vol vertrouwen, wende tot de leermeesters mijner academiejaren, die ook

later nimmer ophielden, mij voor te lichten op het pad der wetenschap.

Maar ik zie onder u nog een' vriend, een' leermeester van latere jaren,

wiens naam luide weergalmt in de tempelen der wetenschap, wiens geest

kracht heeft en moed, wiens hart gloeit voor wat goed en edel is.

Ik weet het, Mulder! gij zijt afkeerig van openlijk huldebetoon.

Wierook-walmen stijgen niet tot u op. Maar mag het hulde heeten, wanneer

ik zeg, dat gij nimmer hebt opgehouden, mijn' blik in de natuur en in de

menschenwereld te verruimen, dat gij altijd en overal mijne belangen met

vurigen ijver hebt behartigd, dat, wanneer ik, door leed of angst

geprangd, naar een' vriend omzag, gij aan mijne zijde stondt!...

Neen! hulde mag het niet heeten, waar, voor sprekende feiten, zwakke

woorden in de plaats treden.--Ik gevoel het, Mulder! ik heb noch den

geest krachtig, noch het hart warm genoeg, om beide bij u te bevredigen;

maar rein zijn toch de vriendschap en dankbaarheid, die mij bezielen--en

gij zult ook de kleine bron niet versmaden, wanneer ze u frisch en

helder water biedt.

Hartelijk verheugt het mij, ook u hier te zien, Wel Edelgestrenge,

Zeer Geleerde Heeren! die ik, nog kort geleden, de eer had, mijne

Ambtgenooten te noemen. Ik wist het, dat gij een levendig deel naamt in

de mij te beurt gevallen onderscheiding; en uwe tegenwoordigheid op deze

plaats is mij hiervan een nieuw bewijs. De vijf volle jaren waarin wij

onze krachten tot één doel zamenspanden, waren de gewigtigsten mijns

levens. Aan deze, en voor een groot deel aan U, ben ik mijne

wetenschappelijke vorming inzonderheid verschuldigd. Ik herdenk het met

zoo veel voldoening, hoe ik dagelijks door uwen ijver werd aangewakkerd,

hoe ik dagelijks mij kon spiegelen aan naauwgezette pligtsbetrachting,

hoe gij mij dagelijks deedt ondervinden, dat ik met vrienden leefde.

Hebt dank voor uwe hartelijke gezindheid mijwaarts, die zich nimmer

verloochende; en, mogen wij niet langer door ambtsbetrekking vereenigd

zijn,--de heilige band, die tot de minste sporen van misverstand en

tweedragt steeds uit ons midden weerde, blijve ook thans hechter dan

immer gesloten!

Ten slotte wend ik mij tot u, Aanzienlijke Schaar van Jongelingen!

want aan u is mijn volgend leven toegewijd. Ik ben geroepen, om u voor

te gaan op den weg tot wetenschap; en zucht tot kennis brandt in u

allen. Ziet! zoo is reeds eene harmonische betrekking tusschen ons

geboren.--Zoekt gij bij mij de veelomvattende kennis en grondige

geleerdheid, die wij vereeren en hoogschatten alleen in mannen,

wier leven onafgebroken aan ijverige studie gewijd was, ik moet u

teleurstellen maar verlangt gij bereidvaardigheid in het ondersteunen

uwer pogingen, ijver en lust om u nuttig te zijn, ik bied ze u van

ganscher harte aan. En wij kunnen immers gezamenlijk het veld onzer

kennis uitbreiden. Gij toch, die u toewijdt aan de beoefening der

natuurkundige wetenschappen, waaronder ik ook de geneeskundige begrepen

acht, gij weet het, hoe men tot waarachtige kennis kan opklimmen. De

kennis, die gij verlangt, ligt in de voorwerpen en verschijnselen der

natuur opgesloten: zintuigelijke waarneming van deze is de éénige wijze,

waarop zij te verkrijgen is. Van de stelling uitgaande, dat niets wat

waarneembaar is, wordt gekend, vóór het is waargenomen, moet het steeds

mijn streven zijn, u de voorwerpen en verschijnselen der Natuur

waarneembaar voor te stellen. En zóó immers is ons de gelegenheid

gegeven, gezamenlijk kennis op te doen. Ik wil niet tot u spreken als

een boek, en daarom behoef ik ook niet de geleerdheid van een boek; maar

ik zal trachten, uwe zintuigen te scherpen, en ze met uwen geest in

nader verband te brengen. Gij moet leeren zien, hooren, ruiken, proeven

en tasten; en gij moet het bewustzijn hebben, dat gij met deze vermogens

tot ware kennis kunt geraken. Daarin bestaat het groote geheim, om

zelfstandig te worden. Hebt gij de indrukken zelf uit de natuur

opgezameld, gij zult ze gemakkelijk leeren ordenen. Die kennis is dan

uw eigendom, dien niemand u kan betwisten; en op dien grond zijt gij nu

zelfstandig.

Geene andere lauweren verlang ik in mijnen werkkring, dan iets te mogen

bijdragen, om u tot die zelfstandigheid te vormen.

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 34 / 34 段