de harmonie van het dierlijk organismus zich ontwikkelt en handhaaft,
dan verwacht gij geenszins in deze wetten verwezenlijkt te vinden,
wat ik u als het ideaal van ons streven voorstelde. Dit is nog slechts
in eene enkele der natuur-wetenschappen bereikt: in de sterrekunde,
die,--hoeveel haar descriptief gedeelte nog te wenschen overlate,--zoo
wel van hare scherpte in waarneming als volmaaktheid in theorie de
schitterendste bewijzen gaf. Maar toch ook deze wetenschap leerde de
verschijnselen van haar gebied tot wetten terugbrengen, vóór zij den
grond dier wetten in de eigenschappen der stof doorzag. Het wetboek
was door Kepler geschreven, vóór het genie van Newton deszelfs geest
verklaarde. Door Kepler waren de banen en omloopstijden der planeten
aan wetten gebonden, vóór Newton de noodzakelijkheid dier wetten grondde
in ééne hoogste wet, en hiermeê tevens den sleutel gaf van hetgeen de
waarneming afwijkends van de wetten van Kepler had aangetoond of verder
zou aantoonen.
Dit nu is de weg voor elke andere wetenschap der natuur. Door het
opklimmen tot hoogere en hoogere wetten naderen wij den eindpaal,
waarnaar wij streven. Slechts trapsgewijze is hij te bereiken. Het is
waar, wanneer wij de wetten kunnen vaststellen, naar welke de harmonie
van het dierlijk leven zich ontwikkelt, dan mag die harmonie nog
geenszins verklaard heeten: eene verklaring, die iets anders zijn zou
dan eene hoogste wet, dat is eene standvastige eigenschap van stof of
kracht, kan noch mag ons geheel bevredigen. Maar wanneer men, op grond
hiervan, met eenig regt zou kunnen beweren, dat door het vaststellen van
wetten eener lagere orde de zwarigheid slechts verplaatst en niet wordt
opgeheven, dan vergete men niet, dat het eene verplaatsing is nader bij
het doel, en dat elke sport van den langen ladder even onvermijdelijk
is.
Vóór wij de wetten toetsen, die aan de harmonie van het dierlijk leven
ten gronde liggen, moeten wij een' blik werpen op die harmonie zelve.
Reeds terstond springt ons in het oog, dat zij eene tweeledige is. Zij
openbaart zich eensdeels in de betrekking van het organismus tot de
invloeden, waaraan het is blootgesteld, anderdeels in zijne betrekking
tot de levensbehoeften, naauw verbonden met die zijner zamenstellende
deelen tot elkander. In beide opzigten streeft zij onophoudelijk eene
hoogere volmaking te gemoet.
Beschouwen wij eerst de betrekking van het organismus tot sommige
invloeden.
De geheele aarde, hoe verschillend de temperatuur zij van hare
oppervlakte, is met dierlijke wezens bevolkt. Van de tropische gewesten
af, waar, onder de brandende zon in het zenith, de temperatuur der lucht
zelfs de bloedwarmte kan overtreffen, tot in de oorden van eeuwig sneeuw
en ijs, overal treedt dierlijk leven ons tegemoet. Maar onder elk
klimaat, onder elke temperatuur zijn het andere geslachten, andere
soorten; en zoowel de rijke en prachtige Fauna der keerkringsgewesten,
als de ijsbeer en het rendier van het Noorden, eischen voor gezondheid
en leven juist die temperatuur, waaraan zij zijn blootgesteld. Waar dan
ook geene werktuigelijke hinderpalen aan eene onbeperkte verspreiding
in den weg stonden, was verschil in warmtegraad voldoende, om een'
onoverkomelijken grensmuur op te trekken. Duidelijk zien wij dit vooral
in het lama, dat op de verhevene weivlakten van Chili en Peru tot meer
dan 4000 ellen boven de oppervlakte der zee leeft en zich tot ver in
Patagonie heeft verspreid, maar noch in Brazilië noch in Mexico wordt
aangetroffen. De voor zijne organisatie te hooge temperatuur der lagere
streken, die het had moeten doortrekken, om deze landen te bereiken,
trad als beletsel op. Evenzoo staat de koude der toppen van de
Cordilleras als scheidsmuur daar tusschen vele soorten van dieren,
inzonderheid van insekten.--Waar daarentegen werktuigelijke hinderpalen
de verspreiding langs de isothermen beperkten, heeft de mensch, door
zijne tusschenkomst, slechts die hinderpalen te overwinnen, om een nieuw
gebied van verspreiding te openen. Dit bewijzen ons de paarden en
runderen, die, door de Spanjaarden naar Amerika overgebragt, zich aldaar
in het ontelbare vermenigvuldigd hebben. Maar, wildet gij de noordelijke
dieren naar het zuiden, de zuidelijke naar het noorden overplanten, gij
zoudt uwe poging verijdeld zien. Het rendier, volkomen gehard tegen de
lange en strenge winters van Lapland, brengt te Petersburg den zomer
reeds kwijnende door, en bezwijkt spoedig onder den invloed der warmte
van een meer gematigd klimaat. En in hetzelfde oord sterft de aap aan
longtering, en kan de slang alleen door koestering en verwarming het
ellendig plantenleven rekken, waartoe zij door de koude onzer gewesten
gedoemd is.
De mensch althans, meent gij, maakt eene uitzondering. Hij, als
wereldburger, bewoont met enkele hem gevolgde huisdieren schier de
geheele oppervlakte der aarde, en leeft bij de grootste verscheidenheid
van temperatuur.--Ik zou u kunnen wijzen op het tal van middelen,
waardoor zijn vindingrijk vernuft aan felle koude en brandende hitte
leerde afbreuk doen; maar liever vraag ik u, of niet evenzeer de Neger
als de Laplander het best beantwoordt aan den invloed der temperatuur
van het oord zijner bewoning. Het is u niet onbekend, hoe vaak
verhuizing naar een vreemd klimaat leven en gezondheid kost. _Waar_
is het,--en die regel is algemeen,--dat, onder de verschillende
hemelstreken, de organisatie van menschen en dieren harmonisch
beantwoordt aan de heerschende temperatuur. Vanwaar die harmonie? Mogen
wij ze, op het natuurkundig standpunt, voor verklaard houden, met in
haar een wijs doel te erkennen van den Schepper, die hier deze, daar
gene dieren in het aanzijn riep?--Gewis niet!
Even harmonisch is het verband tusschen de gevoeligheid van het oog en
de sterkte van het licht. Reeds merkte ik op, hoe het zonlicht de
luisterrijke pracht der natuur voor ons oog toegankelijk maakt, zonder
het door zijnen glans te verblinden. Maar ziet de nachtelijke dieren!
Zij bezitten eene gevoeligheid van oog, die hen wel is waar het daglicht
moet doen schuwen, maar die juist hen in staat stelt, hunne prooi te
zien en met zekerheid te bemagtigen, waar voor ons enkel duisternis
heerscht. Heerlijke doelmatigheid! moge de teleoloog hierbij in
bewondering uitroepen: hij wane niet, met dien uitroep tot de oorzaak
van het verband te zijn opgeklommen.
De dampkring, eene noodwendige voorwaarde van het dierlijk leven, oefent
eenen tweeledigen invloed op het organismus: eenen werktuigelijken door
zijne drukking, eenen scheikundigen door zijne zamenstelling. In beide
opzigten is de organisatie van het dier hieraan harmonisch geëvenredigd.
In de ijlere lucht, die de hoogste bergtoppen omringt, wordt vaak de
moedige reiziger door de lastigste verschijnselen gekweld. Zijne aderen
zwellen op; het bloed dringt hem uit lippen, mond en neus, zelfs uit het
bindvlies zijner oogen. Bij versnelden pols en ademhaling voegt zich
duizeligheid, onmagt of slaapzucht; en hij wordt door eene loomheid
overvallen, die, op haar hoogste punt gekomen, volgens getuigenis
van de Saussure, hem eene enkele schrede weigeren zou, om het
dringendst gevaar te ontvlieden. Zoo zinkt hij moedeloos, afgemat,
neder;--en trots boven zijn hoofd verheffen zich de arend en de condor,
en zweven in statige vlugt door den nog dunneren dampkring.
Niet minder beantwoordt het organismus aan de zamenstelling der lucht,
waaraan het is blootgesteld. Plaats een dier, dat den frisschen
dampkring met ons deelt, in een mengsel, hiervan merkelijk in
zamenstelling onderscheiden, gij zult het onfeilbaar zien bezwijken.
Maar evenzeer zoudt gij het leven vernietigen van den worm, die in de
vochten van het darmkanaal voedsel vindt en lucht om te leven, zoo gij
hem overbragt in den vrijen dampkring; de scheikundige invloed van dezen
is vijandig aan zijne organisatie.
Merkwaardig ook vooral is de harmonische betrekking tusschen het
organismus van elk dier, en het voedsel tot zijne instandhouding. Overal
is het dier juist door datgene als omringd, wat voor zijne voeding het
geschiktste is. Terwijl de natuur duizenderlei schadelijke stoffen
oplevert, die, in het organismus gevoerd, gezondheid en leven bedreigen,
is er onder de talrijke bestanddeelen onzer natuurlijke voedsels geen
enkel, welks invloed zich verderfelijk toont. Wederkeerig zegt men, dat
sommige dieren zich ongestraft voeden met stoffen, die voor anderen
doodelijk zijn; en het is eene erkende waarheid, dat plantetende dieren,
die zoo ligtelijk giftplanten in hun voedsel zullen gemengd vinden,
hiervan zonder eenige nadeelige uitwerking hoeveelheden verdragen,
waartegen het leven van vleeschetende dieren niet bestand is. Maar deze,
zegt de teleoloog, zijn door hunne levenswijze tegen het opnemen van
plantaardige vergiften genoegzaam gewaarborgd; en zij hadden dus geene
behoefte aan diezelfde ongevoeligheid. Wacht U, hierin eene verklaring
te zien!
Nog een derde punt in de verhouding van het dierlijk organismus tot
de voedsels verdient allezins onze aandacht. Het is niemand onbekend,
dat van de dieren zich eenigen met plantaardige, anderen met dierlijke
zelfstandigheden voeden, terwijl eindelijk een niet gering aantal zich
van gemengd voedsel bedient. Met dit verschil nu van voedsel, waartoe
het dier door zijne levenswijze en geheele organisatie als gedwongen
is, verkeert het darmkanaal in de heerlijkste overeenstemming. Dierlijke
stoffen behoeven, na opgelost te zijn, naauwelijks verandering te
ondergaan, om als geschikte bestanddeelen in het bloed te worden
opgenomen; de meeste plantaardige daarentegen eischen eene langere
inwerking van het spijsverteringsvocht;--van dierlijke stoffen is eene
betrekkelijk geringe hoeveelheid tot herstelling van het verlorene
benoodigd; van plantaardige zelfstandigheden worden hiertoe integendeel
grootere massas gevorderd: en juist hieraan geëvenredigd bezitten de
vleeschetende dieren een korter en eenvoudiger, de plantetende een
langer en meer zamengesteld spijsverteringskanaal, terwijl de mensen en
de overige dieren, die zich van gemengd voedsel bedienen, in dit opzigt
het midden houden. Treffende harmonie, inderdaad!.... Is het rekenschap
geven van dit verband, wanneer wij zeggen: deze dieren verkregen een
korter, gene een langer darmkanaal, opdat elk zou beantwoorden aan den
aard van zijn voedsel?--Geenszins!
Ik zou de voorbeelden van harmonie tusschen het dierlijk organismus
en de invloeden, waaraan het voortdurend is blootgesteld, tot in het
ontelbare kunnen vermenigvuldigen; maar reeds hoor ik u veeleer vragen
naar den grond dier harmonie. Immers ik heb ze genoemd wettig en
noodwendig. Gij hebt dus regt, meer te eischen, dan op het menschelijk
standpunt hierin een wijs en verstandig doel te zien aangetoond. Gij
wilt weten, hoe zij tot stand kwam, hoe zij zich handhaaft. Eene enkele
wet geeft er u rekenschap van: _Elk dierlijk wezen wordt door de
invloeden, waaraan het duurzaam is blootgesteld, in zijne organisatie
zoodanig gewijzigd, dat het aan die invloeden harmonisch beantwoordt_.
Die wet klinkt u bekend;--zij is zulks in waarheid. Duizenden malen hebt
gij het woord _gewoonte_ uitgesproken, maar veelligt zijn' diepen zin
niet altijd wel doorgrond. Gij hebt haar genoemd eene tweede natuur.
Ik noem haar de natuur zelve. Wanneer wij erkennen als wet,--dat is:
als eeuwige waarheid, voor het verledene als voor het heden en de
toekomst,--dat de aard en zamenstelling van elk bewerktuigd wezen
gewijzigd wordt door de invloeden, waaraan het blootstaat, dan moeten
wij met noodzakelijkheid besluiten, dat, bij de allengsche ontwikkeling
van dierlijke wezens op de oppervlakte onzer planeet, de gesteldheid der
onderscheiden kiemen door de invloeden, dat is door de omstandigheden,
is bepaald geworden, en dat trapswijze verandering dier omstandigheden
tot gedurige wijzigingen, welligt tot splitsing in thans onderscheiden
soorten heeft aanleiding gegeven, zóó evenwel, dat, in elke periode, de
organisatie der dierlijke wezens aan de invloeden van buiten harmonisch
geëvenredigd bleef.
Maar toetsen wij de vastgestelde wet aan de verschijnselen; en laat ons
zien, of zij werkelijk rekenschap geeft van de harmonie, door deze zoo
luide en krachtig verkondigd.
In de eerste plaats wees ik u op de betrekking tusschen het dierlijk
organismus en de uitwendige temperatuur. Niets gemakkelijker dan te
bewijzen, dat deze betrekking noodwendig voortvloeit uit genoemde
wet. Vooreerst is het in de hoogste mate waarschijnlijk, dat alle
menschenrassen uit één en denzelfden stam zijn ontsproten en zich, uit
eene bepaalde streek, over het grootste gedeelte der aarde verspreid
hebben. En thans zien wij de organisatie van elke verscheidenheid
harmonisch beantwoorden aan het klimaat, waaronder zij leeft. Hoe ware
dit mogelijk, wanneer die organisatie niet allengs ware gewijzigd
geworden, naar gelang ze aan eene andere temperatuur werd
blootgesteld?--Of mogt gij twijfelen aan den oorsprong van alle
menschenrassen uit denzelfden stam, dan heb ik u slechts het zoogenoemde
acclimateren te herinneren. Wat is dit anders, dan eene wijziging van
het organismus onder den invloed eener vreemde luchtstreek, eene
wijziging in dien zin, dat het beantwoordt aan de heerschende
temperatuur en de overige invloeden, aan dit klimaat verbonden?--Ik zou
u voorts kunnen wijzen op de uitersten van temperatuur, waaraan zoo
velen zich door den aard van hun beroep leerden gewennen; maar gij
behoeft slechts uw eigene ondervinding te raadplegen. Als na dagen
van strenge vorst de thermometer ook slechts weinige graden boven het
vriespunt rijst, spreken wij reeds van eene zoele lucht; en in het
najaar, bij eene veel hoogere temperatuur, rillen wij niet zelden van
koude. Eenige dagen, in eene warme kamer doorgebragt, zijn voldoende,
om ons voor de frissche buitenlucht gevoeliger te maken; en wie, van
zijne jeugd aan, tegen koude gehard is, stelt zich veilig bloot aan het
guurste jaargetijde. Zoo krachtig doet zich hier de invloed der gewoonte
gevoelen. En wanneer wij nu overwegen, dat de kiem van elke diersoort
onder eene bepaalde temperatuur gelegd werd, dat zich elke soort onder
eene bepaalde temperatuur hooger en hooger ontwikkelde, dat daarenboven
elke wijziging in die temperatuur en in hare afwisselingen als
onmerkbaar plaats greep, dan zien wij in, dat de harmonie tusschen het
dierlijk organismus en de temperatuur, waaraan het is blootgesteld,
noodzakelijk tot stand kwam, dat zij aan de wet van gewoonte gebonden
is.
Even wettig is die harmonie ten opzigte van het licht. Snel en
gemakkelijk gewent zich het oog aan zeer verschillende graden; telkens
wordt deszelfs gevoeligheid hiernaar gewijzigd. Komen wij uit het
heldere daglicht in een vertrek, waar slechts weinige stralen toegang
vinden, dan onderscheiden wij aanvankelijk niets; het is alsof wij door
eene volslagen duisternis omgeven zijn. Maar weldra ontdekt gij enkele
voorwerpen; zij worden duidelijker en duidelijker, en eindelijk zijt gij
in staat, daar, waar het u volstrekt duister scheen, al het omringende
te herkennen en u vrij en ongedwongen te bewegen. Doch wildet gij u nu
weder eensklaps in het volle daglicht verplaatsen, het zou u door zijn'
hellen glans verblinden. Eene pijnlijke lichtschuwheid sluit nu
krampachtig uwe oogen; en eerst na eenigen tijd keert het vermogen
terug, om bij dit licht duidelijk te zien en te onderscheiden.--De
snelheid van dit accommodatie-vermogen van het oog voor verschillende
lichtsterkte staat in een naauw verband met de snelle en belangrijke
afwisselingen dier sterkte, waaraan wij van nature blootstaan. Zijn wij
langen tijd aan deze afwisselingen onttrokken, dan verliest het oog,
alweder krachtens de wet van gewoonte, het gezegde vermogen. Dit is
gebleken bij gevangenen, die, jarenlang van het daglicht beroofd, in
eene bijna volslagen duisternis leerden zien en onderscheiden; doch wier
optische gevoeligheid hierbij zoodanig was toegenomen, dat zij niet dan
met de uiterste omzigtigheid allengs aan een sterkeren lichtprikkel
mogten worden blootgesteld. Gij ziet: zij waren nachtdieren geworden. En
is het dus niet wettig, dat zoodanige dieren, die, zoolang het zonlicht
de aarde beschijnt, in diepen slaap gedompeld liggen,--is het niet
wettig, vraag ik, dat deze dieren dagblind zijn, en dat de gevoeligheid
van hun netvlies aan het duistere van den nacht beantwoordt? Mij dunkt,
gij ziet de noodwendigheid in van het harmonisch verband, dat ik u hier
deed opmerken.
Volmaakt hetzelfde is van toepassing op den tweeledigen invloed des
dampkrings. Reeds komen de lastige verschijnselen, die uit de ijlere
lucht, hoog boven het oppervlak der zee, voortvloeijen, bij geoefende
bergbeklimmers eerst op eene meer aanzienlijke hoogte voor, of wel deze
blijven hiervan bijna geheel verschoond. Maar duidelijker blijkt, hoe
zeer ook in dit opzigt de wet van gewoonte hare regten doet gelden,
wanneer wij ons herinneren, dat op onderscheidene hooge punten der
aarde bloeijende volkstammen gevestigd zijn, waar de reiziger uit lagere
streken niet altijd tegen den schadelijken invloed der ijlere lucht
beveiligd is. Bijaldien nu de waarneming leert, dat de organisatie van
den mensch zich zoo wel aan eene hoogere,--getuige de mijnwerker,--als
aan eene lagere drukking kan gewennen, dan maakt gij zelf het besluit,
dat de organisatie der dieren, zoo wel in de diepte der zee als in de
hoogere streken van den dampkring, noodwendig moet beantwoorden aan de
drukking, waaronder zij leven. Staat niet de wijde, ruime borst van den
bewoner der Andes in innig verband met de dunnere lucht, die hij ademt,
en heeft zijne borst zich niet juist onder dien invloed zoo krachtig
ontwikkeld?
Ook aan een merkelijk verschil in zamenstelling der dampkringslucht
kan het dierlijk organismus zich gewennen. Sanctorius verhaalt, dat
een gevangene, die 20 achtereenvolgende jaren in den onzuiveren
dampkring eens kerkers had doorgebragt, de frissche buitenlucht niet
meer kon inademen, en dat zijne gezondheid eerst terugkeerde, toen hij
weder in denzelfden kerker geplaatst werd. En hoe zeer wijkt ook niet de
zamenstelling der lucht, die de mijnwerker ademt, van die des dampkrings
af, waarin wij leven! Leblanc vond in de lucht der mijnen van
Poullaouen en Huelgoat tot 3 pCt. ja zelfs 4 pCt. koolstofzuur, eene
hoeveelheid, die het koolzuur-gehalte der door ons uitgeademde lucht
nabijkomt; en, wanneer wij zien, dat in andere mijnen het licht zelfs in
sommige gevallen wordt uitgedoofd, dan mogen wij besluiten, dat in de
hier aanwezige lucht, die de mijnwerker voor eene korte poos ongestraft
kan inademen, het koolzuur-gehalte nog aanmerkelijk hooger stijgt.
Wij naderen tot de voedsels. Harmonisch, zagen wij, beantwoorden de
voortbrengselen van elk land aan de behoeften zijner dieren. Zullen wij
dit verband voor verklaard houden, met hierin de wijze voorzorg der
Voorzienigheid te bewonderen? Of zullen wij erkennen, dat dierlijk leven
onbestaanbaar ware, en, bestond het, onvermijdelijk ten eenemale moest
worden uitgeroeid, waar die voortbrengselen ontbraken? Mij dunkt, het
laatste eischt ons natuurkundig standpunt.--Dat voorts het gewone
voedsel van elk dier aan zijne organisatie beantwoordt, en geene aan het
organismus vijandige stoffen bevat, is onbetwistbaar een noodwendig
uitvloeisel der wet van gewoonte. De wilde van Australië leeft van
ongekookten visch, de Laplander van het vleesch zijner rendieren, de
Tartaar van de melk zijner paarden, de arme Ier van aardappelen, zoo
ze in overvloed groeijen; zij kunnen hierbij allen betrekkelijk gezond
zijn, maar zouden zeker niet straffeloos onderling van voedsel kunnen
verwisselen. Zoo vinden ook wij vooral in onze granen de bestanddeelen
vertegenwoordigd van ons ligchaam; want--onder den voortdurenden invloed
dier granen is ons ligchaam geworden, wat het is. Zonder die granen,
waren wij niet, wie wij zijn. Wij beantwoorden aan die granen, omdat wij
mede zijn uit die granen. En zeer opmerkelijk inderdaad is het, dat de
voornaamste onzer graansoorten zich hoogst waarschijnlijk met en deels
door den mensch over de aardoppervlakte hebben verspreid, uit de
streken, het eerst door menschen bewoond.
Doch vanwaar die mindere gevoeligheid der plantetende dieren voor
verdoovende vergiften?--Het is bekend, dat het dierlijk organismus
zich aan groote hoeveelheden van verdoovende stoffen gewennen kan.
Zelfs in Engeland treft men, naar de getuigenis van Christison niet zoo
geheel zeldzaam opiophagen aan, die, zonder blijkbaar nadeelig gevolg,
jaren achtereen verscheidene oncen laudanum daags gebruiken; eene gift
van 1/4 once zou, gewis, bij elk onzer in den doodslaap eindigen. En
kan ik u niet bijna allen als getuigen oproepen, dat ook de tabak door
gewoonte zijne vergiftige eigenschappen verliest?--Neemt gij nu in
aanmerking, dat de plantetende dieren zeer ligt eene zekere hoeveelheid
narcotische deelen in hun gewone voedsel aantreffen, terwijl de
vleeschetende hieraan nimmer zijn blootgesteld, dan hebt gij den sleutel
der harmonie, die zich ook hier niet verloochenen kon.
Gewis trok ook het merkwaardig verband tusschen de lengte van het
darmkanaal en den aard van 't gebruikte voedsel in hooge mate uwe
aandacht. De oplossing is niet moeijelijk. De aard van het voedsel
bepaalt, namelijk, de lengte van het darmkanaal. De kat is, zooals gij
weet, een vleeschetend dier. De mensch gewende de huiskat aan gemengd
voedsel. En vergelijk nu het darmkanaal van deze met dat der wilde
kat, gij zult het aanmerkelijk langer vinden, niettegenstaande beider
oorsprong dezelfde is. Dit eene voorbeeld zij voldoende tot bewijs, dat
de aard van het voedsel de lengte van het darmkanaal bepaalt, en dat,
gevolgelijk, bij elk dier eene juiste verhouding van beide noodwendig
is.
Zietdaar in enkele voorbeelden U den grond aangetoond der harmonie
tusschen het dierlijk organismus en de invloeden van buiten. Geeft de
wet van gewoonte rekenschap van dien band? Ik durf de beslissing veilig
aan u overlaten.--Uit de ontelbare voorbeelden koos ik slechts enkelen.
Ik hadde u kunnen wijzen op het verdikken der opperheid door wrijving en
drukking, op het gewennen aan eene drooge en vochtige lucht, aan stoffen
van verschillenden reuk of smaak, aan allerlei geluiden, op den invloed,
dien verandering van klimaat op den broeitijd uitoefent enz., en
hierdoor rekenschap kunnen geven van de harmonische betrekking tot de
buitenwereld, die het dierenrijk ook in deze opzigten vertoont. Doch ik
achtte het aangehaalde toereikend voor mijn doel. Gij stemt met mij in,
dat de gezegde harmonie eene noodwendige, eene wettige is. Gij ziet
haar onverbiddelijk tot stand gebragt, onder den invloed der werkende
oorzaken. En waar het rijk van deze gevestigd is, daar althans is der
teleologie de schepter ontwrongen.
Maar, mogt ik vragen, heeft dit harmonisch verband zijn toppunt van
volmaaktheid bereikt?