humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque
tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras
visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae
gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis,
aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi
vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus.
Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de
onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen
grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn
Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland
was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het
uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden
vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls
als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een
onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende
goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de
heilzaamste raadgevingen te schenken.
Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam
debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo
apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri,
hoc sim honore ornatus.
Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij
niet staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite
verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij
zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt
geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding
heb genoten.
Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, quam quibus unquam
dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe gratissimam horumce
agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc tanquam in tabella
suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; et certus crede,
omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, quam procul absim ab
ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat modestia, meusque pudor.
Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat ooit
eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, aanvaard
daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste dankbaarheid,
en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu openlijk
als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk dankoffer,
en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij hiertoe
zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van
ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen
verbiedt mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.
Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et
operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem,
quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis,
quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at
quanto Viro! succedo:
Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner
krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u
dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit
werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te
aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze
raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op.
Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi praeiveris,
omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, haud aequis
passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio sociata
decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, id saltem
fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus quidem, at non
indecorus tamen, inhaeream.
Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo
vele malen hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed
zinken. Vat mij, jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met
gelijke schreden zal kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het
krankzinnig zou zijn te trachten die hoogte te bereiken, waartoe u
uw geweldige ijver gepaard aan een goddelijk talent in de wetenschap
heeft gebracht, ik tenminste die lof mij verwerf, dat ik uw
voetstappen blijf drukken, wel is waar kruipend vorderend maar
toch niet geheel roemloos.
Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et
Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat
Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus
amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc
animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos
desudate!
U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel
aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de
Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw
studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden.
Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt,
dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds.
Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt,
en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns.
Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis,
viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo
ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus
ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta
penetraturi.
Door bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid,
onder duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen,
den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde
beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij
naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend
hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de
heiligdommen der wetenschap binnen te dringen.
Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. Si quid
in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; Vobis id
omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum mihi
summa, is laborum finis erit unicus.
Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat
wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid
of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan
u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën te bevorderen, dat is vooral
het toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten.
DIXI.
IK HEB GEZEGD.
[Errata:
JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori
_text reads "senatorl"_
utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam
_text reads "utillissimam"_
qua lethalem nonnullorum corporum ferociam
_text reads "nonnulorum"_
tuti et felices in artis adyta penetraturi
_text reads "penetraruri"_]
* * * * *
* * * *
* * * * *
DE HARMONIE
van het
DIERLIJKE LEVEN
de openbaring van wetten.
Inwijdingsrede, bij het Aanvaarden van het
Hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche
Hoogeschool
door
Dr. F. C. DONDERS.
Uitgesproken 28 Januarij 1848.
VOORBERICHT.
Wij lezen bij den voortreffelijken Henle, dat, in de physiologie en
vooral in de pathologie van het dierlijke leven, de teleologische
beschouwingswijze (vragende naar het doel der verschijnselen) zich nog
bijna overal krachtig doet gelden--en wie geen vreemdeling is in deze
wetenschappen, staat gereed, die uitspraak te beamen.
Immers niet enkel worden de verschijnselen hier met het praedicaat
van _doelmatig_ bestempeld: teleologische betoogen ook vindt men als
bewijsgronden in het midden gebragt en erkend, ja! in plaats van de
_op te sporen oorzaak_, wordt het _onderstelde doel_ tot "_verklaring_"
der verschijnselen ingeroepen. Of ziet men niet, zelfs door sommige
Coryphaeën in de wetenschap, eene teleologische levenskracht, eene
heelkracht der natuur, aan duizenden, _van de meest verschillende
oorsaken afhankelijke_, verschijnselen _ten gronde gelegd_?
Reeds vroeger (Gids 1846, bl. 893 e.v.) heb ik de teleologische
beschouwingswijze--als ontbloot van absoluten grond, en hierom
willekeurig en onwetenschappelijk--met een enkel woord bestreden. Het
onderwerp evenwel scheen mij gewigtig genoeg voor eene meer uitvoerige
behandeling, en, om deszelfs algemeene strekking, tevens bijzonder
geschikt voor eene openlijke rede.
Ik stelde mij hierom voor, hetzelve, bij gelegenheid der aanvaarding van
het hoogleeraarsambt, nader te behandelen,--en vooreerst te betoogen,
dat, wanneer wij het doel in de verschijnselen der natuur ook geenszins
loochenen, eene _leer_ van het doel nimmer _wetenschap_ worden kan, en
derhalve op het natuurkundig gebied niet mag worden geduld;--ten anderen
te doen zien, dat--waar, bij de prachtvolle en ingewikkelde harmonie
van het dierlijke leven, de, als ware het, aangeboren neiging van den
mensch tot anthropomorphismus het _doel_ als de _oorzaak_ ons wil
opdringen--het opsporen der wetten van wording, naar de oorzakelijke
methode, niettemin mogelijk blijft;--en eindelijk had ik willen
aantoonen, hoe, schier in elke wetenschap der natuur, dwalingen
en bekrompene beschouwingen uit de teleologische zienswijze zijn
ontsproten, die ook thans nog, inzonderheid op het gebied der
physiologie--bij name die van het ziekelijke leven, de verdere
ontwikkeling belemmeren, en met het stellig karakter van wetenschap
geenszins strooken.
Voor dit laatste gedeelte echter, waaruit het duidelijkst de
noodzakelijkheid zou zijn voortgevloeid, om de teleologie van het
natuurkundig terrein te weren, ontbrak mij ditmaal de tijd. Elders
hoop ik dien later te vinden.
Mogen ook zij, wier meeningen en begrippen van de hier voorgedragene
afwijken, deze bladeren zonder vooroordeel ter hand nemen, en verder ook
niemand al te ligtvaardig het vonnis er over uitspreken!
DE SCHRIJVER.
Edelgrootachtbare heeren curatoren der Utrechtsche Hoogeschool!
Weledelgestrenge heer secretaris van het collegie der curatoren!
Hooggeleerde heeren, waarde ambtgenooten! en weledele zeer geleerde
heeren lectoren!
Die met het bestuur van dit gewest of deze stad of met de handhaving
des regts zijt belast, mannen reeds door stand en werkkring
eerwaardig!
Weleerwaarde heeren, bedienaars van de Godsdienst!
Weledele zeer geleerde heeren doctoren der verschillende faculteiten!
Aanzienlijke schaar van jongelingen, die u aan de beoefening der
wetenschappen toewijdt!
En voorts gij allen, die ons met uwe tegenwoordigheid vereert, zeer
gewenschte toehoorders!
Werwaarts wij in de natuur onze oogen rigten, alom erkennen wij
verband, schier overal orde en harmonie. Elk punt op het uitgestrekte
veld is een deel van het groote organismus, een schakel der onafzienbare
keten, die noch begin noch einde kent, en in wezen ondeelbaar is.
Zóó innig is de band, die al 't bestaande zamenvlecht!
Bewegen wij ons in de onmetelijke ruimte, waarin de verbeelding schier
weigert onze woorden te volgen, daar treedt ons, tusschen duizenden van
hemelbollen, het zonnestelsel als een geheel van orde en majesteit te
gemoet, dat ons dwingt tot eerbiedige bewondering. Niet alleen zien wij
de planeten door de zon, als door een hoogere magt, aan hare banen
geketend; maar tevens weten wij, dat ook elke stoornis, van den
wederkeerigen invloed der planeten afhankelijk, vereffend wordt,
vóór zij de bestaande orde zou kunnen bedreigen.
De aarde, met hare duizenden van voortbrengselen, is volmaakt
geëvenredigd aan de schitterende vorstin van het stelsel. Haar afstand
van de zon beantwoordt aan de vereischte warmte voor eene krachtige
ontwikkeling van planten en dieren, aan het vereischte licht, om de
Natuur in haren vollen luister ten toon te spreiden, zonder door te
hellen gloed onze oogen te verblinden.
De dampkring, die onze planeet omhult, vindt tot bodem _hier_ den vasten
grond, welks bergtoppen zich als ondiepten verheffen in die zee van
lucht, _daar_ den wijden oceaan, die de diepten der aardkorst vereffent;
en elk dier elementen brengt al de voorwaarden mede voor de ontwikkeling
en het leven van het heir van voorwerpen, die ze bewonen.
Voortdurend stijgt het water van de oppervlakte der zee in den
dampkring op, en valt ginds, als vruchtbare regen, op den dorstenden
grond. Dit water behoeven de planten. Maar zij putten ook uit denzelfden
bodem de onbewerktuigde stoffen, niet regtstreeks door den regen
aangevoerd;--en van de hooge bergen stort zich het water, rijk beladen
met de bestanddeelen der verweerde rotsen, naar beneden, en drenkt
hiermede het land, waardoor het kronkelend naar den oceaan terugvloeit.
Zoo is er zamenhang tusschen alle verschijnselen der natuur; zoo wordt
ten slotte alles dienstbaar aan de ontwikkeling van leven.
Nergens evenwel is het verband treffender dan tusschen de beide rijken
der levende natuur. Vereenigd door de dampkringslucht, waaruit beide
putten en die in beide haar voedsel vindt, voorzien zij wederkeerig in
elkanders behoeften. De dieren ontwikkelen het koolstofzuur, dat de
planten als voedsel aan den dampkring ontleenen; de planten staan in
de zuurstof de levenslucht af voor het dier,--en zóó is voor beide de
dampkring een eeuwige, onuitputtelijke bron.
Nimmer is hij in rust. Van de oppervlakte der aarde, waar de lucht
aan gestadige wisseling van bestanddeelen onderworpen is, stijgt zij
naar boven, om op hetzelfde oogenblik te worden aangevuld; en door
onophoudelijke stroomen wordt hare zamenstelling alom gelijkmatig
bewaard, beantwoordt alom aan de voorwaarden tot leven en ontwikkeling
van planten en dieren.
Het is de taak van den natuuronderzoeker, de betrekking tusschen al
de verschijnselen der natuur op te sporen. Die taak is even schoon
als verheffend. In de harmonie, die hem des te levendiger in de oogen
schittert, hoe ruimer en meer omvattend zijn blik wordt, verschijnt hem
de natuur als een volmaakt geëvenredigd, organisch geheel. Het genot,
uit hare aanschouwing geboren, is een krachtige prikkel voor zijnen
navorschenden geest. Steeds door harmonische indrukken opgewekt, en in
zijne werking geleid en bepaald, wordt die geest zelf meer en meer aan
harmonie deelachtig. Zóó ontwikkelt natuurbeschouwing bij hem een waar
gevoel voor het schoone en goede. Zóó kan zij de grondslag worden eener
verheven wijsgeerige moraal.
En toch--de kennis dier harmonie is niet het rustpunt van zijn streven.
Hij wil indringen in hare oorzaken, opklimmen tot haren grond. Hij
voelt zich gedrongen, te vragen naar de wetten, die aan de ontwikkeling
der harmonie ten gronde liggen, en wil ze in die wetten erkennen als
noodzakelijk. De eeuwig onveranderlijke eigenschappen der grondstoffen
en der grondkrachten op te sporen, en aan te wijzen, hoe elk
natuurverschijnsel uit deze eigenschappen noodwendig voortvloeit,
zietdaar het ideaal van zijn streven, het toppunt zijner kennis!
Wij weten, dat dit ideaal geenszins bereikt is; maar wij weten evenzeer,
dat er belangrijke schreden op den weg tot verwezenlijking gedaan zijn.
De sterrekundige toont aan, dat de wetten van traagheid en aantrekking,
die slechts de uitdrukking zijn van de onveranderlijke eigenschappen der
stof, de hemelbollen aan hunne banen kluisteren; en uit de betrekking
tusschen de loopbanen en de omloopstijden der onderscheidene planeten
leert de wiskunde hem onfeilbaar besluiten, dat elke stoornis zich
noodwendig moet vereffenen, dat de orde van het zonnestelsel tot in de
verste tijden onomstootelijk verzekerd is.
De natuurkundige kent de oorzaken van het opstijgen der waterdampen, van
het condenseren dier dampen in den atmosfeer: en in het neerstorten van
den regen, zoo wel als in de kracht, waarmede het zeewaarts stroomende
water zijne voren in de aarde groeft, ziet hij het noodwendig
uitvloeisel van dezelfde eigenschap der stof, die de banen der
hemelbollen bepaalt. Het verweren der rotsen, het doordringen van hare
bestanddeelen tot aan de wortels der planten, dit alles is in vaste
natuurwetten als noodwendig aangetoond.
De meteoroloog geeft rekenschap van het opstijgen der lucht, en kent
de oorzaken der stroomen, die de zamenstelling des dampkrings alom
gelijkmatig bewaren,--ja! 't geheele zoo wisselvallig spel der elementen
is door hem teruggebragt tot ééne hoogste oorzaak: ongelijke verdeeling
van warmte.
Eindelijk de geoloog, die de gesteldheid der aardkorst onderzoekt, komt
op onwankelbare gronden tot het besluit, dat de aarde, vóór onafzienbare
tijden, als eene gloeijende zee door het wereldruim zweefde; en,
steunende op wetten, die weder niets anders zijn, dan de eeuwige
eigenschappen der stoffen en krachten, erkent hij, dat zij noodwendig al
de gedaanteverwisselingen moest doorloopen, waarvan de huidige toestand
harer korst, als een onfeilbaar geschiedboek, getuigt.--Kortom! de
wetenschap leert, dat de geheele stoffelijke wereld door den ijzeren
schepter der noodwendigheid beheerscht wordt!
Niet overal echter is deze waarheid even diep en krachtig doorgedrongen.
Niet overal is de behoefte even levendig ontwaakt, om tot den grond op
te klimmen der erkende harmonie. In de bewerktuigde wereld treedt zij,
bij eene onuitputtelijke verscheidenheid, zoo rijk, zoo ingewikkeld,
zoo schoon en boeijend op, dat men wel niet zoo gemakkelijk van haar
kon afscheid nemen. De geest, verrukt door schoonheid en genot, duizelde
bij het denkbeeld, om tot de oorzaken op te klimmen, waardoor zooveel
harmonie tot stand kwam. Zoo gaf hier de volheid harer pracht voedsel
aan eene beschouwingswijze, die overal elders reeds lang voor eene
juistere had moeten onderdoen.
Buiten de levende natuur toch erkent men, zoo als ik u aantoonde, niets
dan wetten, niets dan noodzakelijkheid. Zoo legt de geoloog, om, bij de
geschiedenis der Aarde van de verschijnselen tot de werkende oorzaken
op te klimmen, de overtuiging ten gronde, dat van al de opvolgende
veranderingen der aarde de voorwaarden reeds aan de vroegste perioden
van haar bestaan verbonden waren;--en hoe meer zijn onderzoek zich
uitbreidt, des te minder wordt die overtuiging beschaamd. Wil hij de
verschillende lagen der vaste aardkorst, de verdeeling van water en
vast land over hare oppervlakte, de afwisseling van bergen en dalen, de
rivieren en bronnen, en zoo vele andere verschijnselen, (voor zoo verre
de levende natuur vreemd aan derzelver ontstaan is,) in hunne wording
toelichten, hij beroept zich slechts op wetten, hem door de sterrekunde,
de natuur- en scheikunde aan de hand gedaan, en ziet hieruit al die
verschijnselen met noodzakelijkheid geboren worden.
Planten en dieren daarentegen beschouwt men veelal niet als geworden,
maar als gevormd; niet als eene ontwikkeling der natuur naar bepaalde
wetten, maar als de voortbrengselen eener nieuwe schepping; niet als
de verwerkelijking van hetgeen in de eigenschappen der grondstoffen en
grondkrachten reeds besloten lag, maar als naar een wel beraamd plan, in
harmonie met de overige natuur, eerst later door eene hoogste Wijsheid
tot stand gebragt.
Dit anthropomorphismus leidde tot eene vergelijking van planten en
dieren met de kunstigste voortbrengselen van 's menschen hand: de deelen
heeft men hierom werktuigen, de verschijnselen verrigtingen en het
geheel een organismus genoemd. Men vroeg niet: waardoor kwamen zij
tot stand? maar bepaalde zich bij elk werktuig tot de vraag: waartoe
dient het? waartoe is het bestemd? En even als in een werktuig, door
menschelijk vernuft tot stand gebragt, waande men den grond, de oorzaak
van het bestaan, te kennen, waar men dacht, de bestemming of het doel
te hebben geraden. Zoo antwoordde men op de vraag: _waartoe_? en zag
hierbij over het hoofd, dat het _waardoor_? onbeantwoord bleef. Gij ziet
het: men plaatste zich op een teleologisch standpunt.
Ik laat aan de wijsbegeerte de beslissing over, of men het regt heeft,
in de natuur van een doel te spreken: maar ik wilde u hier reeds doen
opmerken, dat men in de wetenschap van het leven afgeweken is van den
weg, die in de overige natuur-wetenschappen zoo veel dieper in den
oorzakelijken zamenhang der verschijnselen liet doordringen. En toch
schijnt die weg mij ook hier de éénige, die tot hoogere waarheid leidt.
Indien de harmonie van het dierlijk organismus, die aan het besluit tot
een doel ten gronde ligt, volgens bepaalde wetten tot stand komt, dan is
zij de openbaring dier wetten. Dan wil men die wetten vaststellen en op
deze de noodzakelijkheid der harmonie gronden, in plaats van zich met
een nooit bewijsbaar doel als grond te vergenoegen. Eene poging hiertoe
is het doel mijner rede. Ik zal trachten de noodwendigheid der harmonie
van het dierlijk leven uit de wetten aan te toonen, krachtens welke die
harmonie tot stand komt.
Wanneer ik de harmonie in de geheele bewerktuigde wereld even noodwendig
acht, als de orde in den sterrenhemel, dan spreek ik hiermede geenszins
het vonnis uit over den natuurvorscher, die, zonder naar den grond te
vragen, zich bloot de kennis dier harmonische betrekking ten doel stelt.
Integendeel,--ik heb het reeds gezegd,--ik acht die kennis hoog. Zij ook
alleen kan ons opvoeren tot de oorzaken, die der harmonie ten gronde
liggen. Maar wanneer men uit de harmonische betrekking besluit tot
een doel, en, in den waan van hiermede den grond gevonden te hebben,
het doel tot verklaring der verschijnselen inroept, of zelfs de
mogelijkheid der verschijnselen aan het doel ten toets brengt, dan meen
ik die rigting ernstig te moeten wraken. Zij sluit het onderzoek uit
naar den grond, en wiegt het zoo noodige bewustzijn onzer onkunde met
schijnkennis in slaap.
Het teleologisch standpunt blijft daarenboven altijd een betrekkelijk.
Men denke zich 't heelal door eene alwijze Almagt met een bepaald doel
tot stand gebragt: wie is vermetel genoeg, zich op het standpunt van
God te plaatsen? En welk standpunt zullen wij dàn kiezen?--Het dier,
dat zijn' vijand ten prooi valt, moge in diens oog aan zijne bestemming
beantwoorden, in zijn eigen oog valt het als slagtoffer van het noodlot.
Maar gij wilt u plaatsen op het standpunt van mensch:--Welnu! wanneer
gij, als mensch, duizenden verschijnselen in de natuur doelmatig roemt,
wees dan consequent, en noem ondoelmatig, wat niet met uwe menschelijke
inzigten strookt. Hebt gij u het regt aangematigd, naar uwe inzigten
over doelmatigheid te oordeelen, dan hebt gij het regt verbeurd, u op
de ondoorgrondelijke wegen der Voorzienigheid te beroepen, waar gij het
doel in uwe oogen miskend ziet. En wie zal het wagen, waar jeugdige
en veel belovende kracht onder het geweld eener moorddadige ziekte
bezwijkt, waar door geweldige aardbevingen in eene enkele minuut
duizenden van menschenlevens vernietigd worden, waar in den mislukten
oogst millioenen onzer natuurgenooten eene toekomst lezen van honger en
ellende,--wie, vraag ik, zal het wagen, bij dergelijke verschijnselen,
een doel te willen raden?--Gij vraagt hier naar den grond. Gij wilt de
oorzaken dier verschijnselen kennen, welke gij rampen noemt. Welnu!
verlaat dan ook het teleologische standpunt, en tracht niet tot het
doel, maar tot den grond door te dringen, waar gij in de verschijnselen
orde erkent en harmonie: want gene als deze zijn verschijnselen
derzelfde natuur; en die u welgevallig zijn, zij berusten op geene
andere wetten, dan die gezondheid en leven u bedreigen.