ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat
operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam.
Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit
Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam
qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat
naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in
Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit.
Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan
weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een
zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen
wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig
van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus
te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de
volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus
zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne
smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de
schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets
lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van
haar te heeten.
Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam
addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis,
ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis
composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo
commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta
methodi?
Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een
zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong,
indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond
voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur
zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van
hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is
verscholen?
ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare
occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet,
antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat
prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente
differat?
Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede methode
zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een onderzoek
van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, bijzondere
eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, voordat hij
zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn onderwerp? Eerst
leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene natuur is,
hoeveel het verschilt van den geest.
Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et
superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat
ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum
sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere
conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese
accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus.
Hij moet laten voorafgaan een onderzoek naar de algemeene
krachten en eigenschappen en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat
hij in de ingewanden doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die
nauwkeurigheid, waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij
hij ook niet onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens
een juiste redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en
leerstellingen af te leiden, en eerst van deze toerusting voorzien
gorde hij zich aan tot den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten
zal plukken, die hem nimmer zullen berouwen.
Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam!
Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato
intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt
profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi,
finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident
sero et dolent.
Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen
vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij
overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen
verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de
binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een
wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te
laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen,
onwetendheid, en armoede.
[Voetnoot 9: "more andabatarum". Andabatae, gladiatoren die
streden in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)]
[Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn
liefde vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd
draaiend rad werd gebonden. (Vertaler.)]
Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur Chemia,
foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo sorduit, invisa
ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein Eruditus Orbis,
una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit falsissimarum
opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus propagatas,
contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: Optimarum
rerum abusus pessimi.
Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de Scheikunde eens,
zoolang zij door hun ongewasschen handen werd behandeld, ontsierd
door de vuilste vlekken van dwalingen en fabeltjes, zóó in het slijk
geraakte, dat zij den geleerden gehaat en verdacht was. Zij zijn het,
van wie vervolgens de beschaafde wereld tegelijk met de edelste
wetenschap dien afschuwelijken vloek van geheel valsche meeningen
ontving, die zich vandaar over ongeveer elk soort van wetenschap
uitbreidde met een bijna niet te keeren besmetting. Hier werd dat
bekende gezegde bewaarheid: Van de beste dingen is het misbruik het
ergst.
Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit
tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice
doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res
ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere
credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia,
et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias,
errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit
inventis, solidissimis veritatibus.
Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar
beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de
verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig
onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de
natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in
haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan
verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat
vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen,
zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit
haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar
ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen
en de meest onbetwistbare waarheden.
Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne,
horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam,
quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo
speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium
tentamine, palaestra fugiam imbellis.
Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de
vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te
goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog
dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor
ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig
vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven.
Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem,
cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile
instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur.
Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk,
dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand,
beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit
Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die
dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten.
Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam
fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis,
quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem,
Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam,
indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius
opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam,
_Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_?
En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb
laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden
voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is
voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door
de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel
als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de
hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee
door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht
namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat
belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele
wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische
wetenschappen?_
Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum
NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS,
Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui
tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia,
huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et
officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere,
postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde
exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum
tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator
merito laudetur omnibus.
Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te
zamen met uw zeer edele collega's, de zeer aanzienlijke burgemeesters
van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken,
dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel
waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor
deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt
ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en,
dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest
eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar
uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een
verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht
zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht
door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde.
Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum
subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties
attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis
praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus.
Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum,
tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis
rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito?
Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat
ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien
onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo
dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over
het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft
moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en
eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden
jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend
geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer
moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde
gunst?
Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione
habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum
Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At
enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc
dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis
fortunae suae incurius.
Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te
houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het
volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus
toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel
van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan
den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild
honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren
om den groei van zijn fortuin.
Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, hi tamen stimuli
haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar favoris
plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: animum
denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis indoles, qua
ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil exigitis. His
adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud nunc auspicor.
Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn geringe krachten
erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van die prikkels.
Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw bijzonder gunstige
meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt opgevat. Moed gaf
mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een edelaardigen geest,
waardoor gij niets verder van een jongeling verlangt, dan de jeugdige
krachten reiken. Door deze omstandigheden er toe gebracht heb ik mijn
ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard ik het nu plechtig.
Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae
memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria
pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo
denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id
promovendis Academiae commodis unice sacrabo.
De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn
geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik
die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten
goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden
arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam
schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en
alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden.
Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non
poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium
scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE
PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae
abundantiam, toto ex animo, apprecor.
Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien
weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben
aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al
het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der
Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en
onbevlekt geluk van ganscher harte toe.
Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima
hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis
Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter
discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat
subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At
temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum
commodis inservitura.
Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe,
schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder
twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van
sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap
van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw
zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet
voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke
den studiebelangen ten goede zal komen.
Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. Probabitis itaque
ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi exhibiturum, nec sane a
fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a latente in praecordiis
honestae gloriae igniculo profectum. Juvat magnorum Virorum ad exempla
componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo conspicabor, et, dum nunquam
dabitur assequi, saltem ex intervallo sequar.
Niemand leert kennen, wat hij vermag, indien hij niet de proef
neemt. Gij zult derhalve deze onderneming van mij goedkeuren, die mij
de kennis van mijzelf zal verschaffen, en die waarlijk niet haar
oorsprong heeft in hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van
verwijderd ben, maar in de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke
roemzucht. Het is mij een genot tegenover de voorbeelden van groote
mannen geplaatst te worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij
uitgaat, van achteren aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal
gegeven worden u in te halen, zal ik u tenminste met een
tusschenruimte volgen.
Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero
vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim
beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae
cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam.
Daardoor juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere
voetsporen vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten
af te dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij
behouden, dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting
betoonend, waarop de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met
eerbied tegen u zal blijven opzien.
Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium
applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et
privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate
Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum
devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria.
Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde
onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen,
dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij
mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt
gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals
de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor
zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen.
Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME 'S GRAVESANDE!
publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore
inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non
sis dedignatus.
Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige 's
GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij
het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels
uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden.
Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari
opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per
aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe
obstrictissimum nunquam non comperies.
Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij
met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van
het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en
oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in
de hoogste mate erkentelijk is.
Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem,
mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si
qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id
omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam
prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim.
U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste
plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den
ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig
talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening
in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie
andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een
gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen.
Solam Te penes addiscere praxim animus erat, studiisque meis
Academicis imponere coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis
defoecatissimae Tuae doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox
tantopere rapuit, ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus,
ad quamcunque pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit,
haurire sategerim avidissimus.
Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn
Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den
rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd,
of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer
verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij
in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide,
op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste
graagte in te drinken.
Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi relicti angustiam, ut
ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. Sive itaque vernam dici
speciem, amabilissimis horti divitiis mira suavitate exponendis,
dicares, jucundo Botanices studio discipulorum animos tanto redditurus
alacriores ad laborum magis arduorum tolerantiam; seu inter furnos
desudans, ad secretissimos Chemiae recessus viam monstrares, certo
castigatissimae methodi filo tutissimam pariter ac facillimam;
Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de kortheid van den
mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, dan ik verzadigd
van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen lentedag
besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den Hortus
op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de
aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te
boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het
zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen
schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren
leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk
was;
seu exacta ad normam Mathematicam stabilires Theoriae Medicae
fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos dogmata, medendi
methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam potissimum diei
partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi consecraveram. Totum
ergo Tuum est, si quid isthac mea industria profeci: Tu ejus omnem
fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus agnosco, poterat id
solum Tibi me mille modis in aeternum devincire.
hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens
den wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma's
der praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen,
u volgde ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best
door mij was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel
uw verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand
gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak
maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op
duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten.