Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van

dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten,

van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij

waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden;

maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk

openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de

vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de

wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende

dier pseudoscheikundigen heeft verbreid?

[Voetnoot 8: TERENTIUS' Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)]

His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum specie

allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria primi

periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id

saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae

tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de

Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum

cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris

obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur.

Omdat het dezen schandelijk toeschijnt alleen gedwaald te

hebben, lokken zij daarom ook anderen tot zich door schoonschijnende

sier van woorden en wikkelen hen in dezelfde dwalingen en, daar zij

het eerst door hun eigen onwetendheid te gronde zijn gegaan, trekken

zij hun volgelingen met zich in een gemeenschappelijk verderf, waarbij

zij tenminste dit bereiken, dat onder den opgestapelden hoop, de een

boven op den ander, de oorzaak en bewerker van den eersten val bedekt

wordt. Zij bezitten voorwaar niets van de Scheikunde behalve den naam,

dien zij zelfs ook niet waardig zijn, daar zij slechts luisterend naar

de begeerten van hun zinnen of naar monsters van hypothesen in een

waanzinnig brein geboren, de ware regels der wetenschap noch weten

noch zich er naar richten.

Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus:

aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum

testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo

corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et

accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti,

varia instituunt experimenta;

De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te

schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs

is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der

oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier

beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift

der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste

nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle

verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend;

horum dein singulos quosque eventus sensibiles, bona fide, notant,

et ex his demum liquidissime perspectis, et sibi invicem collatis,

severitate Mathematica eliciunt, quae clara et individua sequela inde

deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, quae pro veritatibus et

Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. Quid vero est, si non haec

certitudo est?

vervolgens teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten

eerlijk op en eerst nadat zij daarin een volkomen helder inzicht

hebben gekregen en ze met elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit

met wiskundige strengheid die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke

en onafgebroken volgorde uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is

het, niets anders, wat de ware beoefenaars der Scheikunde als

waarheden en leerstellingen erkennen. In waarheid wat is zekerheid,

indien dat het niet is?

Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget,

rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam.

Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum

Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter

ac maxime necessariam præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu

derivandam.

Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden

worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige

beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest

verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in 't kort de

voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten

nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze

een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan

niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de

Scheikunde beschikt.

Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio:

haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur;

nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum

daretur affinitas.

Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de

beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band,

waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en

de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet

nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed.

Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc

individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium

vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine

suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla

alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem

actiones, quam distinctissime perspectas postulat:

De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het

menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel

op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van

andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te

wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden.

Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo

eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de

bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op

elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden.

quum autem hisce indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus,

Chemia potissimum omnem suam et unice et felicissime impendat operam;

hac sine mancam fore mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod

mox, ac plebi erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum

splendore fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes

pertraxerit Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus,

horum deliciae.

Daar nu aan het nasporen hiervan de Scheikunde vooral boven alle

overige wetenschappen bij uitstek en met veel succes al haar moeite

besteedt, wie ziet dan niet in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel

en gebrekkig zou zijn? Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde

weldra en na zich aan het gemeen onttrokken te hebben onder de

geletterden in aanzien begon te komen, thans stralend in haar eigen

oorspronkelijken glans, en zoozeer alle zonen der Geneeskunde er toe

heeft gebracht haar lief te hebben en te beoefenen, dat zij in de

allereerste plaats van hen het werk, van hen de lust is geworden.

Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta,

communem sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices,

pro parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit

tantopere, omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae

pomoeriis indefessam dederit.

Ja nog meer; vervolgens ook in de Heilkunst zelf gebracht heeft

zij voor zich een gemeenschappelijk doel met deze aangenomen en is

toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar verreweg haar grootste deel

gesierd geworden. Daarin dan schepte zij zulk een behagen, dat zij

terstond onvermoeid met alle krachtsinspanning zich geheel er aan

gegeven heeft om de landpalen van hare bondgenoote uit te zetten.

Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, aut flocci

aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: quamcunque enim

hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa quae in operis

versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros clamat Chemiae

usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe necessarium

exemplis docet infiniris.

En voorwaar slechts iemand, die geen kennis van zaken heeft,

zal die dingen weinig noemen of van geringe waarde, die daaruit de

Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk gedeelte van haar men

ook moge nagaan, hetzij dat, wat door bespiegeling wordt volbracht,

hetzij dat, wat zich bezig houdt juist met de uitoefening van het werk

zelf, beide getuigen luide van de ontelbare diensten der Scheikunde;

beide leeren door oneindig veel voorbeelden, dat de samenwerking met

deze in de hoogste mate noodig is tot haar eigen volmaking.

Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso,

constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin

esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine

oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas

Anatomica: sola id liquido docet Chemia.

Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt,

beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen,

dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het

menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel

bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden

wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast

is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen

de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid.

Undenam vero fluidorum ejus singularis indoles et propriae

innotescunt vires? Excepta enim generaliori liquidorum idea, aliud illis

simile frustra quaesiveris extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa

etiam inter se quam diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola

opitulatur; haec est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus:

Waardoor wel worden de bijzondere aard van de vochten in het

lichaam en eigenaardige krachten daarvan bekend? Want met uitzondering

van den meer algemeenen vorm van vloeistoffen zal men tevergeefs

zoeken naar iets anders aan hen gelijk buiten de grenzen van het

dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder elkaar zoo verschillend

als maar mogelijk is.

Sanguinis naturam mediam nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad

calorem naturali majorem, facile coagulum; Bilis indolem saponaceam;

Salivae, succi Pancreatici, Lymphae temperiem, facultates, et innumera

alia nesciremus, abfuisset Chemia.

Hier schiet de Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt

hulp; zij is het, aan wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken

weten, verschuldigd zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt

en noch zuurachtig noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het

serum daarvan bij een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig

karakter van de gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het

speeksel, van het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen

zouden wij niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware.

Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas?

Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et

Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem

salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem

humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum

apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat.

Waartoe zal ik nu gewag maken der functies, die met haar

bijstand schitterend zijn blootgelegd? Het inwendig oplossen der

spijzen in de eerste wegen, het daaruit voortkomen van het chylus-

en melksap, de noodzakelijkheid van spijs en drank en de begeerte

daarnaar, het ontstaan der zouten en zwavelachtige deelen uit het

opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, de merkwaardige verandering

der vochten door de krachten van den kringloop (om nog andere dingen

voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig passend verklaard, voor wie het

meer heldere licht der scheikunde nog niet had geschenen.

Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri,

iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et

symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros

salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam

indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset?

Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der

Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog

zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der

ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde

alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het

wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke

zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het

andere voorkomt?

Quis fontem Acidi aut putridi oleosi, in primis viis,

Hypochondriacis tam molesti? Quis Calculorum in Cysti Fellea, Renibus,

et Vesica Urinaria proventum? Quis cariei ossium, adjunctique foetoris

causam?

Wie de bron van het zuur of van de olieachtige bedorven stof,

die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is voor de

miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de nieren en

de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen en van den

stank, die er mee gepaard gaat?

Quis tetras stagnantium humorum degenerationes in tenacitatem

corneam, aut summam putredinem, acrimoniamve corrosivam? Quis denique

caloris et frigoris, circulationis auctae vel diminutae varias in

permutandis humoribus vires tam pulchre in lucem ponere potuisset, nisi

Chemia praetulisset facem?

Wie het vieze overgaan van stilstaande vochten in een

hoornachtige stijfheid of in zeer sterke ontbinding of inbijtende

scherpte? Wie ten slotte zou den verschillenden invloed van hitte

en koude, van het vermeerderen of verminderen der circulatie op het

veranderen van vochten zoo schoon in het licht hebben kunnen stellen,

als niet de Scheikunde met haar fakkel was vooraangegaan?

Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem

derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia,

usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne

luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus

indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest.

Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het

grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook

haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt.

Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de

ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen

toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht

krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek.

Latet vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti

est, exactum de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud

infantibus, veneni instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa,

dulcem quod vitae fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere.

Hem blijft de ware natuur der voedstermelk verborgen, voor wien

de Scheikunde iets verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover

een zuiver oordeel te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de

ongelukkige kinderen een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig

veel folteringen en den dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven

juist de zoete gezondheid en wasdom had moeten geven.

Si solis Medicis Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de

Sudore, de Urinis et Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius

tamen est involvere silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat

nausea.

Als ik als geneeskundige nu alleen voor geneeskundigen sprak,

zou hier zeer veel te zeggen overblijven betreffende sputum, zweet,

verschillende soorten van urine en ontlasting, die het echter beter is

in stilzwijgen te hullen, opdat niet hen, die minder gewoon zijn die

dingen te hooren, een walging bevange.

Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et

Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini

accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere

utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic

quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae,

ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus.

Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde,

de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel

uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich

gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger

dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige,

al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij

zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen

beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele

beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap

overschreed.

Ortum hic error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes

complurium suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut

arti inesse crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi

delicta luant; nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad

sanitatis tutelam, morborumque propulsionem opera meruit.

Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der kunstenaars,

die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun uitvindingen

daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in hun begrensde

kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus zelf de

misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de

Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door

zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het

verdrijven van ziekten verdiend heeft.

Quid enim? Nonne ejus artificio esculentorum et potulentorum,

aquarum, Vinorum, Cerevisiarum natura, virtutes et vitia cognoscuntur

optime? Nonne Thermarum illa, Acidularum, aliorumque fontium, vi

Medicata insignium, elementa, compositionem et facultates tam liquido

manifestat, ut vel imitetur, et naturalium defectum arte factis

suppleat, haud minoris fere efficaciae?

Want wat is het geval? Leert men niet door haar kunst den

aard, de goede en slechte eigenschappen van eet- en drinkwaren, van

verschillende soorten water, wijn en bier uitstekend kennen? Openbaart

zij niet de elementen, samenstelling en eigenschappen van warme,

zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om haar geneeskracht, zóó

duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het ontbreken van natuurlijke

wateren vergoedt door kunstmatig vervaardigde, die bijna geen

geringere uitwerking hebben?

Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in

unoquoque id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque,

sine analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas

Mortalium aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit

Chemia? Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum

inventionis gloriam illa sibi vendicat?

De grondstoffen, krachten, de wijze van werken der

geneesmiddelen en, wat toch wel in elk dat is, waarin de grootste

macht schuilt, ontgaan den scherpzinnigste zonder scheikundige

analyse. Waartoe zou ik nu melding maken van die veelvuldige kwalen

der stervelingen, wier behoorlijke geneesmethode alleen de Scheikunde

aan de hand doet? Waartoe zou ik de ontelbare geneesmiddelen van een

uitgezochte voortreffelijkheid opsommen, welke uitgevonden te hebben

zij zich beroemt?

Taceo benignissimam ejus operam, qua lethalem nonnullorum corporum

ferociam, laudabili adeo eventu, cicuravit, e venenis ut remedia

evaserint tutissima aeque ac efficacissima. Praetereo singularem ejus,

in Medicamentorum viribus acuendis, extrahendis, in compendium

reducendis, et sub alia et alia gratiori forma exhibendis, dexteritatem:

Ik zwijg nog van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee

zij de vreeselijke, doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten

onschadelijk te maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van

vergiften geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid

de uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om

de krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te

brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens

weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen.

si enim singula, pro dignitate, nunc prosequi susciperem, dies

dicentem deficeret. Videte, quae illustris Boylaeus, quae Bellinus,

Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, aliique laboribus suis Chemicis in

Medicina praestitere: verum quid ad exteros provocare opus?

Want als ik op mij nam alles thans een voor een naar verdienste

na te gaan, zou de dag voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de

doorluchte BOYLE, wat BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door

hun scheikundige werken in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht.

Maar waartoe is het noodig een beroep te doen op buitenlanders?

Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur scripta, nunquam

periturae credidistis memoriae acta praestantissima Viri vere Magni,

quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! sospitemque: volvite

haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri omni exceptione

majora.

Onsterfelijke geschriften bevinden zich in uw aller handen,

onvergankelijk hebt gij in uw geheugen geprent de voortreffelijke

daden van den waarlijk grooten man, dien wij gelukkig hier

tegenwoordig in leven--o moge hij dat lang blijven!--en in welstand

zien. Slaat deze geschriften telkens en telkens weer op en gij zult

daarin getuigenissen van het gezegde vinden, die boven elke bedenking

verheven zijn.

Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima

inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae

partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac

mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro

inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum,

quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret.

Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de

diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe

ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke

onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het

is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke

voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar

ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_

allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden

afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen

hangt.

Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est

argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures

dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae

nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur.

Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve,

moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal

overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere

hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele

wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij

in de lijst van deze worden opgenomen.

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 29 / 34 段