Utique, si sola contemplemur bona, quibus quascunque fere artes

manuales, humanae vitae commodis inservientes, perfundit Chemia, quot,

quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret enumerantem: minima tamen haec,

et pro parergis tantum aestimanda.

Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, waarmee de

Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen voor de

gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve hoe groot

is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou te kort

zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer weinig

beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen.

Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera

primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit;

illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in

profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina

conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda.

De voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is

edeler, die, welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit

houdt zij de gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren

is, geeft zij ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in

de binnenste heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare

werkzaamheid de wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt;

dien ten gevolge is zij zoowel met de wijsbegeerte als met de

geneeskunde ten nauwste verbonden en niet zonder nadeelen daarvan

te scheiden.

Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc

rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium

hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati

satisfactum arbitrabor.

Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden

grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter

staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig

bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor

houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam

te bewijzen.

Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque

causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia

appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus

hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci

potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare

singulis:

Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen,

hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak

teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze

wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel

der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op

alles, wat onder het begrip "lichaam" valt, of daartoe herleid kan

worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het

bijzonder eigen.

quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus

corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed

tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta;

corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo

limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae

conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula

a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise

corpus, et non aliud:

Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, die in het

bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der lichamen, in de

natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar slechts een beeld

van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van een theorie, de

lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op zichzelf staande

dingen zijn, d.w.z. zóó begrensd en bepaald, dat zij, behalve dat dat

algemeene begrip "Materie" op hen van toepassing is, ook nog

bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene van het

andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist dat

lichaam is en geen ander:

inde clarissime liquet, communes illas Materiae dotes non modo,

sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias Physicae esse

considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout vere existunt,

vel existere possunt, contemplatur.

daardoor is het helder en klaar, dat niet slechts die algemeene

gaven der Materie, maar wel in de eerste plaats die, welke elk lichaam

afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp zijn van de Physische studie,

daar deze immers de lichamen door de natuur geschapen beschouwt, naar

dat zij werkelijk bestaan of kunnen bestaan.

Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis

sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt,

quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum

quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus

emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales,

si a generalibus.

De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij

geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit

deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen

voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van

haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn

voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar

daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn

voortgekomen.

Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis

corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura

fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil

opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis

universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam,

quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest,

haec quin ita sese habeant!

Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat

een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van

een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de

physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig

hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware

algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest

nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar

hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is!

Detegit attentior observatio innumera certe in corporibus adeo

penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole vix quidquam commune

videantur habere, nisi solum, cui inhaerent utraque, subjectum: talia

autem incognita si quis ex universali illo Geometrarum conceptu, utut

accuratissimo, a priori eruere, aut cognitorum etiam ex hoc rationem

exsculpere postulet, nae is et operae simul et olei jacturam sero

doleat!

Een meer oplettende beschouwing ontdekt in de lichamen zeker

tallooze dingen, die zoo door en door eigenaardig zijn, dat het schijnt,

dat zij met het algemeene karakter dier lichamen bijna niets gemeen

hebben, behalve alleen het voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu

iemand deze zaken, wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene

opvatting der wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a

priori zou verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer

zij bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over

zijn verlies aan moeite beklagen!

Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his

potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur.

Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad

intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est.

Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel

Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia:

Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het

allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is

gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig

onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet

dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak

uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen.

Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen

vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der

zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen.

proprietates autem et vires corporeae in se primitus

imperceptibiles latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes,

qui determinatae ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem

simul exhibent, adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei

effectorum supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur.

De eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven

verborgen, daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij

brengen echter uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen

en die, in vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op

die wijze tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker

bij iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des

te meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard.

Haecque adeo sola superest indagandis corporum singularibus via

retrograda; dum alteram illam, quae a priori haec investigat, humano

ingenio imperviam prorsus Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc

rerum scrutator experimentis prius quam ratiociniis insudat, sensuum

adminiculo sua examinat objecta, horum peculiares animadvertit effectus,

quos sponte sua vel praevio tentata consilio ediderint; corpora

corporibus adplicat, rursumque ab invicem removet, ut, qui e solis,

quique e conjunctis fluant motus, experiatur;

En deze van het een op het andere terugvoerende weg blijft

geheel alleen over om de eigenaardigheden der lichamen op te sporen,

daar de natuur dien anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken,

geheel onbegaanbaar en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het

menschelijk verstand. Derhalve spant de volijverige navorscher van die

zaken zich eerder in voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van

zijn zintuigen onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt

op hun eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij

volgens een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt

lichamen bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare,

welke bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij

vereenigd zijn, voortvloeien.

tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis

quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori

demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore

patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti:

parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere

scientes.

Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit deze gegevens,

die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig vergeleken

heeft,

de door hem gezochte eigenaardige natuur der lichamen en hun

bijzondere

gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk nooit en nimmer hebben de

verborgenheden der Natuur zich duidelijker geopenbaard, dan toen men

dit pad heeft betreden. In de Physica hebben zij het niet ver

gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er tegen beter weten

in geen acht op sloegen.

Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi

flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit

me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim,

quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus.

Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik,

dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van

zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische

wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht,

brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend,

hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band.

Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae

opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt

considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud

est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen.

Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het

werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna

alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische

studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde

kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen

afzonderlijk.

Quidquid Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid

protrudit Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid

denique Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere

omne, modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia

sistit examini, rimatur, penetrat:

Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der aarde

wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de vruchtbare

aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten slotte, tot

het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder Natuur koestert

en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan openbaren aan de

zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, onderwerpt de

Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt zij.

penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque in illis vulgaria,

facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, tanquam se indigna,

aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua quaerens, sublimiora,

abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima principia, prima elementa

perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura pretio suos labores.

Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend

neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk

voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer

onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf

het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend,

navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste

grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs

alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben.

Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia

aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata

solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant

instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi.

Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze

wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het

andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij

stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit

ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te

voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van

behandelen op allerlei wijzen afwisselt.

Igne utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto

sunt efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his

arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter

se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant in

profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient,

effringentur, patebunt.

Zij bedienen zich van het vuur, het meest beweeglijke en

krachtige element; zeer sterke splitsingsmiddelen staan ten dienste,

afgemeten naar den aard der oplossing (die men wil bewerkstelligen).

Wat is dan voor die dingen moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de

deeltjes van een lichaam maar met een stalen band onder elkaar

verbonden zijn, laten zijn ingewanden zelfs achter een driedubbelen

metalen muur verschanst zijn, laten zijn krachten in de onderste

diepte verborgen zitten; waarlijk onder het beuken van dergelijke

stormrammen zullen zij uit elkaar springen, opengebroken worden, aan

het daglicht treden.

Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit

tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et

vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si

navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore

quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem

experimentis?

Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen

aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht

naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht.

Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken,

welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk

machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan

wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de

aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat

het niets anders was dan beweging.

[Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats

Heraclitus van Ephesus ±500 v. Chr op het oog te hebben.

(Vertaler.)]

Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum aliud esse

nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo pollet ipse,

motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis ejus, per plures

gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu potest: unde certe

quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, ejus ope abditissimas

quasque corporum affectiones enucleandi.

Maar het vuur is ook zeer geschikt om de beweging, waarin zijn

eigen kracht is gelegen, aan andere lichamen mee te deelen en zijn

geweld kan op verscheidene tusschenliggende graden kunstmatig

versterkt of verminderd worden, al naar men het verkiest. Daardoor

ontstaat voorzeker voor den physioloog de hoogst gewenschte

gelegenheid om met de hulp daarvan de meest verborgen eigenschappen

der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden na te gaan.

Istis enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem

propriam solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget,

mutat, partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim

combinat, proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit,

adeoque nudis usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte

adjuti attingere potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae

scrutatori? Quid utilius? Quid magis necessarium?

Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen

tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in

het bijzonder eigen is, schudt ze tot in 't merg door elkaar, roept

hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de

samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden

een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen

in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat

dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij

geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen

bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit?

Wat nuttiger? Wat noodiger?

Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea

excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit

vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint

bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et

_Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra

agnoscunt secula;

Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der

feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke

groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is

op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit

later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden

die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON.

Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden

in de geheimen der Natuur.

an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda singularium

corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam ad Chemiam

recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa naturam

ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera colorum,

saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque

subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi

attractili, id omne Chemicis debetur experimentis.

En zagen soms de voorbijgegane nog scherpzinniger dan zij? deze

echter nemen bij het ontdekken van den aard der lichamen, bij het

opsporen van de hun eigen krachten haast tot niets anders hun

toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke duurzame en schoone

vondst betrekking hebbende op den aard van het vuur, van hitte, licht

en koude, al wat bekend is geworden over het ware karakter van

kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der aardbevingen, en van

het vuur, dat zich op verschillende plaatsen onder de aarde bevindt;

omtrent het magnetisme van lichamen en hun aantrekkingskracht, dit

alles is men aan scheikundige proeven verschuldigd.

Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae

experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non

formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet

de jure Academico, qui uni movet.

De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te

breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw

saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar

voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide

betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het

aan één betwist.

At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine

tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in

detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum

cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis

fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta,

suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat

nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso

involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem

esse, verissime cecinerit Poeta.

Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. "Zacht

wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en

zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen?

Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen

waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met

oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde

hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over

niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene

dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware

dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo

zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig

koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert".

Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri,

plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano

simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum,

aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens

adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet

errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba

dispersit?

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 28 / 34 段