Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige

werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een

opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van

schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen

der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een

spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]?

[Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)]

Nihil profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit,

supellex; alius plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia

ratione constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui

appropriatae; erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis

operibus, ad praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta;

innumerae vasorum, materie et figura discrepantium, species; carbonum

cespitumque acervus nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra,

spathulae, folles, forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel

regendo requiruntur.

Niets voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich

voordoet, is geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen:

verschillende rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere

wijze zijn saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte

van het vuur uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd,

geheel gevuld met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap

vervaardigd, die weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid

te brengen; tallooze soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante

verschilt; een hoop kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de

hand zijn voor het gebruik verschillende soorten van zeven, spatels,

blaasbalgen, tangen en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur

òf te onderhouden òf te regelen.

Haec inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem;

sed atras carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo,

cineribus, fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare

metalla; jam vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita

committere corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira;

Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij zijn

katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool in

zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, bedekt

met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen

vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende

vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste

voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich

dra in een vlammenbrakenden strijd zullen storten;

illinc, calore moderato, rerum virtutes, exacto ad numerum

stillicidio, elicere; electas alibi, tepore naturali, unire arctius et

digerere; verbo: totum inter furnos defixum, excitando, applicando,

moderando igne occupatissimum, hujus in corpora efficaciam modis omnibus

explorare. Hoc opus est, hic labor ejus unicus.

aan den anderen kant door een matige warmte de vermogens der

stoffen te voorschijn roept door het druppelen van water naar een

bepaald getal te regelen; en bij een andere gelegenheid die vermogens

na ze te voorschijn te hebben geroepen door een natuurlijke lauwe

temperatuur nauwer bindt en afdeelt; in één woord: hoe hij geheel

tusschen zijn fornuizen levend, zich slechts bezighoudend met het

aanwakkeren, toepassen en regelen van het vuur, de werking daarvan

op lichamen op alle mogelijke wijzen nagaat. Dit is zijn werk,

hiervoor spant hij zich alleen in.

Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones:

vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed

oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis

extorquetur.

Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen

van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen

der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en

niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de

getuigenissen van feiten ontwrongen.

Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in

spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis

sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam?

Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica

Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique

hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque

horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit

trepido, facilem merebitur veniam.

Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit

de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een

plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen

weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de

meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een

redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste

staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in

tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering

van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen,

die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een

wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in

zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men

hem vergeeft.

Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus

fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium

mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta

prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi

juventus forte addidisset.

Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders:

en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te

steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer

goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt

om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed

mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te

wagen, misschien zou geven.

Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum

refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta

iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos

ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus

nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis,

quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris

etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit

nemine.

Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over,

waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid,

hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben,

die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te

voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder

naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands

krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt

getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het

vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter

gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk

persoon ooit van de hand gewezen.

Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor,

officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum

ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum

ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe

obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae

eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam

gratias, vel veniam impetraturus, supplicem.

Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het

onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en

uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te

toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de

Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met

aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen

welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij

gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw

goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om

toegeeflijkheid te smeeken.

Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici,

docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque

hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis

potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola

conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat

splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit

disciplina.

De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien,

openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te

onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die

voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden

bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of

wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de

wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de

bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een

zekeren glans van adeldom.

Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti

Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie

mei constabit ratio et veritas?

Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware

kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de

Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de

waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast

staan?

[Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: +span+ = (uit elkaar)

trekken en +ageirein+ = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die

scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)]

Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides, _Nobilitate_ impertit

hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex

natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet

in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui.

De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof

schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van

één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders

kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde

wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan

de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut.

Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri

dignitatem, pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis

deductam ejus originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot

numeraverit, quantosque sui cultores exponunt, parum interim de

utilitate soliciti, qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint,

dulcia, aut quibusvis clara sectatorum nominibus:

Voorzeker zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje

te verdienen, die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen

toonen, zich verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk

uiteenzetten, hoe haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan

worden, en het buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of

hoeveel en hoe groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich

ondertusschen weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch

alles niets wil zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door

welke namen ook van volgelingen;

externa enim isthaec sunt, et veram potius ornant _Nobilitatem_,

quam constituunt. Utile mensura est, illam qua metitur, verum qui rebus

pretium statuere solus novit, sapiens.

want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den waren

adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, waarnaar

degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast te

stellen, de wijze, haar afmeet.

[Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina

III, 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)]

Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato,

vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur.

Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique

facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus

antecellit.

Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een

mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke

maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar

echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die

wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is,

of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de

andere uit.

Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat sanitatem: ea

namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; deficiens una

praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit excolendum, ars

dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia;

Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die

zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest

gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt,

dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer.

Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt

de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de

overige wetenschappen toe;

una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis

humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium

dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae, et

jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente.

met haar eene helft toch houdt zij zich bezig met het

beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt zij aan het

uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten opzichte van

de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen hebben dus,

als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en met het

burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen

verzette.

Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc

sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae?

opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum

principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum

itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum

perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae,

debitum in Academiis locum obtinuere.

Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk

uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende

wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen.

Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten

zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten

slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze

dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot

aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in

den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook

door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden

en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen.

Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta

sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in

scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris

causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam,

videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat

habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae.

Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom

heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren

van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen

aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van

die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal

zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de

rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met

de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden

met de beoefenaars.

Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc

rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab

impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab

otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans,

vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui

penitius eam introspicere dignaretur:

Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en

aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw

slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in

discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol

gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur,

rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van

lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich

verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen.

[Voetnoot 5: "Inter Pyracmonas." "Pyracmon" is in de mythologie

naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus,

samengesteld uit +pur+ = vuur en +akmôn+ = aanbeeld. (Vertaler.)]

atqui externam ejus faciem monstrosam adeo deformemque reddiderat

cultorum et ruditas et malitia, ab interioribus ut perlustrandis

deterrerentur Eruditi, eodem haec, si non pejori de luto esse conficta,

rati. Frustra ergo suam oravit causam Chemia talibus coram Arbitris qui

praejudicata obcaecati opinione, et usus ejus eximios, et summam

necessitatem praetervidentes, sententiam prius tulerant, quam

cognovissent.

Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar

beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en

afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden

afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit

dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus

de Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit,

die verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone

voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het

hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de

zaak hadden genomen.

Factum hinc, a publico ut Sapientum commercio exclusa, privatorum

exerceret manus atque ingenia, varias sub variis passa fatorum

vicissitudines, nec forte unquam Academicos in suggestus emersura, nisi,

quem nacta tandem est, causae patronum, an rabulam potius? Eremitam

fortuna major quam prudentia secundasset:

Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare verkeer met

geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren bezig

hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende

lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt

zou hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter

geluk dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door

dik en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6]

had ten dienste gestaan.

[Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600

regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn

regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den

tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet

sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld?

(Vertaler.)]

hic enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod

autoritate rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset,

bullato id verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum

insolentia, igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe

adeo felici, ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede

potiretur, vel ipsis contradicentium cineribus inaedificata.

Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde voor die

verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten gedaan worden

door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van feiten, te

beproeven door een systeem van bullen vol met de meest beuzelachtige

woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend karakter

begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in elk geval

een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat vermetel pogen

in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel veroverde, die zelfs

juist op de asch der tegenstanders werd opgericht.

Hanc autem quamvis vi partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa

paulo post fundatoris ejus tyrannide, rursus pessum dederit impatiens

cogi, litteratorum gens liberrima; id tamen inde Chemiae boni

accesserat, quod durante isthac statione sua, propior Eruditis posita,

nonnullos horum, vividissimis quibusdam radiis, per offusas sibi

quisquiliarum tenebras evibratis, latentis intus foecundissimi luminis

sui potuerit commonefacere:

Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op zwakken

grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij van zijn

oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende volk der

geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft omvergeworpen,

was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, dat zij,

zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van beschaafde

lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door eenige zeer

heldere stralen, die zich door de haar omhullende duisternis van

nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst vruchtbare

licht, dat in haar binnenste verscholen was.

quo equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium

se accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus

obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito Orbi

produxere intuendam.

En weldra, door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij

zich inderdaad tot een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand

het masker van bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van

onkunde, waarmee zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij,

eindelijk haar in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht

gebracht ten schouwspel voor de beschaafde wereld.

Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, tum demum, quae

personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita faciei, adeo

pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in scholas

adoptata, strenue coleretur.

Toen dan heeft de Scheikunde, thans schitterend met haar eigen

stralen, toen eerst heeft zij, die vermomd zoo zeer had mishaagd,

hersteld in haar natuurlijke gedaante, de geleerden zoo voor zich

weten in te nemen, dat zij haar waardig keurden om onder hun scholen

opgenomen met allen ijver te worden beoefend.

Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi,

ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam

necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis,

Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque

ullo sine taedio detineat.

En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de

Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van

vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want

zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo

alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer

gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en

als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de

minste verveling.

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 27 / 34 段