Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de

diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe

ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke

onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het

is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke

voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar

ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_

allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden

afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen

hangt.

Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve,

moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal

overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere

hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele

wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij

in de lijst van deze worden opgenomen.

Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan

weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een

zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen

wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig

van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus

te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de

volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus

zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne

smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de

schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets

lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van

haar te heeten.

Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een

zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong,

indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond

voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur

zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van

hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is

verscholen? Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede

methode zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een

onderzoek van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten,

bijzondere eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen,

voordat hij zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn

onderwerp? Eerst leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene

natuur is, hoeveel het verschilt van den geest. Hij moet laten

voorafgaan een onderzoek naar de algemeene krachten en eigenschappen

en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat hij in de ingewanden

doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die nauwkeurigheid,

waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij hij ook niet

onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens een juiste

redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en leerstellingen af te

leiden, en eerst van deze toerusting voorzien gorde hij zich aan tot

den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten zal plukken, die hem

nimmer zullen berouwen.

Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen

vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij

overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen

verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de

binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een

wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te

laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen,

onwetendheid, en armoede. Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de

Scheikunde eens, zoolang zij door hun ongewasschen handen werd

behandeld, ontsierd door de vuilste vlekken van dwalingen en

fabeltjes, zóó in het slijk geraakte, dat zij den geleerden gehaat en

verdacht was. Zij zijn het, van wie vervolgens de beschaafde wereld

tegelijk met de edelste wetenschap dien afschuwelijken vloek van

geheel valsche meeningen ontving, die zich vandaar over ongeveer elk

soort van wetenschap uitbreidde met een bijna niet te keeren

besmetting. Hier werd dat bekende gezegde bewaarheid: Van de beste

dingen is het misbruik het ergst.

[Voetnoot 9: "more andabatarum". Andabatae, gladiatoren die streden

in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)]

[Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn liefde

vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd draaiend

rad werd gebonden. (Vertaler.)]

Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar

beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de

verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig

onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de

natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in

haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan

verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat

vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen,

zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit

haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar

ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen

en de meest onbetwistbare waarheden.

Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de

vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te

goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog

dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor

ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig

vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven.

Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk,

dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand,

beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit

Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die

dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten.

En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb

laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden

voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is

voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door

de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel

als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de

hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee

door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht

namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat

belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele

wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische

wetenschappen?_

Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te

zamen met uw zeer edele collega's, de zeer aanzienlijke burgemeesters

van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken,

dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel

waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor

deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt

ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en,

dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest

eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar

uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een

verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht

zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht

door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde.

Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat

ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien

onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo

dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over

het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft

moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en

eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden

jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend

geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer

moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde

gunst?

Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te

houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het

volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus

toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel

van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan

den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild

honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren

om den groei van zijn fortuin. Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn

geringe krachten erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van

die prikkels. Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw

bijzonder gunstige meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt

opgevat. Moed gaf mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een

edelaardigen geest, waardoor gij niets verder van een jongeling

verlangt, dan de jeugdige krachten reiken. Door deze omstandigheden er

toe gebracht heb ik mijn ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard

ik het nu plechtig.

De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn

geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik

die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten

goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden

arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam

schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en

alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden.

Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien

weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben

aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al

het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der

Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en

onbevlekt geluk van ganscher harte toe.

Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe,

schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder

twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van

sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap

van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw

zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet

voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke

den studiebelangen ten goede zal komen. Niemand leert kennen, wat hij

vermag, indien hij niet de proef neemt. Gij zult derhalve deze

onderneming van mij goedkeuren, die mij de kennis van mijzelf zal

verschaffen, en die waarlijk niet haar oorsprong heeft in

hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van verwijderd ben, maar in

de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke roemzucht. Het is mij

een genot tegenover de voorbeelden van groote mannen geplaatst te

worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij uitgaat, van achteren

aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal gegeven worden u in te

halen, zal ik u tenminste met een tusschenruimte volgen. Daardoor

juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere voetsporen

vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten af te

dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij behouden,

dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting betoonend, waarop

de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met eerbied tegen u zal

blijven opzien.

Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde

onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen,

dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij

mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt

gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals

de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor

zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen.

Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige 's

GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij

het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels

uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden.

Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij

met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van

het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en

oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in

de hoogste mate erkentelijk is.

U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste

plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den

ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig

talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening

in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie

andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een

gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen.

Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn

Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den

rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd,

of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer

verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij

in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide,

op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste

graagte in te drinken. Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de

kortheid van den mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden,

dan ik verzadigd van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen

lentedag besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den

Hortus op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de

aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te

boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het

zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen

schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren

leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk

was; hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens den

wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma's der

praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, u volgde

ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best door mij

was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel uw

verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand

gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak

maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op

duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten.

Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de

onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen

grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn

Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland

was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het

uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden

vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls

als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een

onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende

goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de

heilzaamste raadgevingen te schenken.

Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet

staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite

verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij

zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt

geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding

heb genoten. Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat

ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten,

aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste

dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier

nu openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk

dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij

hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van

ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt

mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.

Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner

krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u

dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit

werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te

aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze

raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op. Als

gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen

hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij,

jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal

kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te

trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard

aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste

die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar

kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos.

U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel

aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de

Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw

studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden.

Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt,

dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds.

Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt,

en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns. Door

bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder

duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, den

vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde beproefde

methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij naar zijn beste

weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend hem als

leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de heiligdommen

der wetenschap binnen te dringen. Aan u bied ik mijzelf als begeleider

aan en, indien gij dat wilt, als raadgever. Indien ik over eenige

krachten, dienstvaardigheid of verstand kan beschikken, gebruikt die

dan, zooals gij verkiest. Aan u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën

te bevorderen, dat is vooral het toppunt mijner wenschen, dat is het

eenige doel mijner moeiten.

IK HEB GEZEGD.

[Errata:

... verscheidene van hun uitvindingen ...

_origineel: "uitvingen"_ ]

* * * * *

* * * *

_Illustrissimis et Nobilissimis Viris_

ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE CURATORIBUS,

Aan de zeer doorluchte en edele mannen,

curatoren der Leidsche Akademie,

JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam,

Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc.

Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae

ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato

etc. etc.

JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek,

Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de

Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland,

afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz.,

JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis

Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi,

Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc.

JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid

van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der

burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz.,

ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis

senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum Hollandiae

adscripto, etc. etc.

AREND BRUNO'SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid

van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter

hoogmogende Staten van Holland, enz. enz.,

EORUMQUE COLLEGIS

_Amplissimis, Gravissimisque Viris_

_Civitatis Lugdunensis Consulibus_.

en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen,

burgemeesters der stad Leiden,

ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi.

DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D.

HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D.

GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D.

ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der

burgemeesters,

DANIËL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten,

HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten,

GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten,

Nec Non Viro Spectatissimo

DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss:

Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis.

Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de

beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer

doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters,

L.M.Q.D.

Hanc Orationem

Virtuti et Gloriae Eorum

Devotissimus

HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.

draagt gaarne en naar verdienste

deze redevoering op

de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen

zeer verknochte dienaar

HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.

Hieronymi Davidis Gaubii

ORATIO INAUGURALIS

INAUGUREELE REDE

van

HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,

Qua Ostenditur

CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM

Waarin Wordt Aangetoond,

dat de Scheikunde met recht een plaats verdient

onder de Akademische Wetenschappen,

Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit

mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus

insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in

me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia

alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt

animum.

Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en

vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans

beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan

gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht;

de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft

plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed

door een even groote verbijstering als bezorgdheid.

Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum

officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod

Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab

Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae

aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec

studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per

verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet.

Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een

scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard

van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel

ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en

VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat

van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de

Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om

een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen

der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk

en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid,

door proeven wijsgeerig redeneeren leert.

[Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)]

Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi

inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata

forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae,

Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem?

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 26 / 34 段