een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van
een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de
physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig
hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware
algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest
nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar
hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is! Een meer oplettende
beschouwing ontdekt in de lichamen zeker tallooze dingen, die zoo door
en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, dat zij met het algemeene
karakter dier lichamen bijna niets gemeen hebben, behalve alleen het
voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu iemand deze zaken,
wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene opvatting der
wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a priori zou
verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer zij
bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over
zijn verlies aan moeite beklagen!
Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het
allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is
gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig
onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet
dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak
uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen.
Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen
vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der
zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen. De
eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven verborgen,
daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij brengen echter
uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen en die, in
vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op die wijze
tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker bij
iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des te
meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard. En deze van het een op het
andere terugvoerende weg blijft geheel alleen over om de
eigenaardigheden der lichamen op te sporen, daar de natuur dien
anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, geheel onbegaanbaar
en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het menschelijk verstand.
Derhalve spant de volijverige navorscher van die zaken zich eerder in
voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van zijn zintuigen
onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt op hun
eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij volgens
een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt lichamen
bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, welke
bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij vereenigd
zijn, voortvloeien. Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit
deze gegevens, die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig
vergeleken heeft, de door hem gezochte eigenaardige natuur der
lichamen en hun bijzondere gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk
nooit en nimmer hebben de verborgenheden der Natuur zich duidelijker
geopenbaard, dan toen men dit pad heeft betreden. In de Physica hebben
zij het niet ver gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er
tegen beter weten in geen acht op sloegen.
Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik,
dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van
zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische
wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht,
brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend,
hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band.
Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het
werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna
alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische
studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde
kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen
afzonderlijk. Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der
aarde wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de
vruchtbare aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten
slotte, tot het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder
Natuur koestert en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan
openbaren aan de zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk,
onderwerpt de Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt
zij. Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend
neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk
voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer
onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf
het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend,
navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste
grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs
alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben.
Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze
wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het
andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij
stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit
ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te
voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van
behandelen op allerlei wijzen afwisselt. Zij bedienen zich van het
vuur, het meest beweeglijke en krachtige element; zeer sterke
splitsingsmiddelen staan ten dienste, afgemeten naar den aard der
oplossing (die men wil bewerkstelligen). Wat is dan voor die dingen
moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de deeltjes van een lichaam maar met
een stalen band onder elkaar verbonden zijn, laten zijn ingewanden
zelfs achter een driedubbelen metalen muur verschanst zijn, laten zijn
krachten in de onderste diepte verborgen zitten; waarlijk onder het
beuken van dergelijke stormrammen zullen zij uit elkaar springen,
opengebroken worden, aan het daglicht treden.
Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen
aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht
naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht.
Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken,
welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk
machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan
wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de
aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat
het niets anders was dan beweging. Maar het vuur is ook zeer geschikt
om de beweging, waarin zijn eigen kracht is gelegen, aan andere
lichamen mee te deelen en zijn geweld kan op verscheidene
tusschenliggende graden kunstmatig versterkt of verminderd worden, al
naar men het verkiest. Daardoor ontstaat voorzeker voor den physioloog
de hoogst gewenschte gelegenheid om met de hulp daarvan de meest
verborgen eigenschappen der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden
na te gaan. Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen
tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in
het bijzonder eigen is, schudt ze tot in 't merg door elkaar, roept
hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de
samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden
een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen
in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat
dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij
geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen
bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit?
Wat nuttiger? Wat noodiger?
[Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats Heraclitus
van Ephesus ±500 v. Chr op het oog te hebben. (Vertaler.)]
Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der
feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke
groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is
op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit
later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden
die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON.
Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden
in de geheimen der Natuur. En zagen soms de voorbijgegane nog
scherpzinniger dan zij? deze echter nemen bij het ontdekken van den
aard der lichamen, bij het opsporen van de hun eigen krachten haast
tot niets anders hun toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke
duurzame en schoone vondst betrekking hebbende op den aard van het
vuur, van hitte, licht en koude, al wat bekend is geworden over het
ware karakter van kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der
aardbevingen, en van het vuur, dat zich op verschillende plaatsen
onder de aarde bevindt; omtrent het magnetisme van lichamen en hun
aantrekkingskracht, dit alles is men aan scheikundige proeven
verschuldigd.
De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te
breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw
saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar
voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide
betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het
aan één betwist.
Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. "Zacht
wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en
zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen?
Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen
waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met
oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde
hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over
niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene
dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware
dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo
zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig
koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert".
Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van
dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten,
van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij
waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden;
maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk
openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de
vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de
wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende
dier pseudoscheikundigen heeft verbreid? Omdat het dezen schandelijk
toeschijnt alleen gedwaald te hebben, lokken zij daarom ook anderen
tot zich door schoonschijnende sier van woorden en wikkelen hen in
dezelfde dwalingen en, daar zij het eerst door hun eigen onwetendheid
te gronde zijn gegaan, trekken zij hun volgelingen met zich in een
gemeenschappelijk verderf, waarbij zij tenminste dit bereiken, dat
onder den opgestapelden hoop, de een boven op den ander, de oorzaak en
bewerker van den eersten val bedekt wordt. Zij bezitten voorwaar niets
van de Scheikunde behalve den naam, dien zij zelfs ook niet waardig
zijn, daar zij slechts luisterend naar de begeerten van hun zinnen of
naar monsters van hypothesen in een waanzinnig brein geboren, de ware
regels der wetenschap noch weten noch zich er naar richten.
[Voetnoot 8: TERENTIUS' Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)]
De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te
schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs
is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der
oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier
beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift
der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste
nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle
verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend; vervolgens
teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten eerlijk op en eerst
nadat zij daarin een volkomen helder inzicht hebben gekregen en ze met
elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit met wiskundige strengheid
die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke en onafgebroken volgorde
uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is het, niets anders, wat de
ware beoefenaars der Scheikunde als waarheden en leerstellingen
erkennen. In waarheid wat is zekerheid, indien dat het niet is?
Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden
worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige
beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest
verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in 't kort de
voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten
nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze
een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan
niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de
Scheikunde beschikt.
Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de
beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band,
waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en
de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet
nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed.
De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het
menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel
op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van
andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te
wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden.
Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo
eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de
bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op
elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden. Daar nu aan het nasporen
hiervan de Scheikunde vooral boven alle overige wetenschappen bij
uitstek en met veel succes al haar moeite besteedt, wie ziet dan niet
in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel en gebrekkig zou zijn?
Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde weldra en na zich aan het
gemeen onttrokken te hebben onder de geletterden in aanzien begon te
komen, thans stralend in haar eigen oorspronkelijken glans, en zoozeer
alle zonen der Geneeskunde er toe heeft gebracht haar lief te hebben
en te beoefenen, dat zij in de allereerste plaats van hen het werk,
van hen de lust is geworden. Ja nog meer; vervolgens ook in de
Heilkunst zelf gebracht heeft zij voor zich een gemeenschappelijk doel
met deze aangenomen en is toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar
verreweg haar grootste deel gesierd geworden. Daarin dan schepte zij
zulk een behagen, dat zij terstond onvermoeid met alle
krachtsinspanning zich geheel er aan gegeven heeft om de landpalen van
hare bondgenoote uit te zetten. En voorwaar slechts iemand, die geen
kennis van zaken heeft, zal die dingen weinig noemen of van geringe
waarde, die daaruit de Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk
gedeelte van haar men ook moge nagaan, hetzij dat, wat door
bespiegeling wordt volbracht, hetzij dat, wat zich bezig houdt juist
met de uitoefening van het werk zelf, beide getuigen luide van de
ontelbare diensten der Scheikunde; beide leeren door oneindig veel
voorbeelden, dat de samenwerking met deze in de hoogste mate noodig is
tot haar eigen volmaking.
Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt,
beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen,
dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het
menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel
bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden
wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast
is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen
de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid. Waardoor wel worden de
bijzondere aard van de vochten in het lichaam en eigenaardige krachten
daarvan bekend? Want met uitzondering van den meer algemeenen vorm van
vloeistoffen zal men tevergeefs zoeken naar iets anders aan hen gelijk
buiten de grenzen van het dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder
elkaar zoo verschillend als maar mogelijk is. Hier schiet de
Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt hulp; zij is het, aan
wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken weten, verschuldigd
zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt en noch zuurachtig
noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het serum daarvan bij
een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig karakter van de
gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het speeksel, van
het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen zouden wij
niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware. Waartoe zal ik
nu gewag maken der functies, die met haar bijstand schitterend zijn
blootgelegd? Het inwendig oplossen der spijzen in de eerste wegen, het
daaruit voortkomen van het chylus- en melksap, de noodzakelijkheid van
spijs en drank en de begeerte daarnaar, het ontstaan der zouten en
zwavelachtige deelen uit het opnemen van vrijwel smakelooze stoffen,
de merkwaardige verandering der vochten door de krachten van den
kringloop (om nog andere dingen voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig
passend verklaard, voor wie het meer heldere licht der scheikunde nog
niet had geschenen.
Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der
Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog
zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der
ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde
alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het
wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke
zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het
andere voorkomt? Wie de bron van het zuur of van de olieachtige
bedorven stof, die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is
voor de miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de
nieren en de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen
en van den stank, die er mee gepaard gaat? Wie het vieze overgaan van
stilstaande vochten in een hoornachtige stijfheid of in zeer sterke
ontbinding of inbijtende scherpte? Wie ten slotte zou den
verschillenden invloed van hitte en koude, van het vermeerderen of
verminderen der circulatie op het veranderen van vochten zoo schoon in
het licht hebben kunnen stellen, als niet de Scheikunde met haar
fakkel was vooraangegaan?
Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het
grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook
haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt.
Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de
ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen
toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht
krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek. Hem blijft de ware
natuur der voedstermelk verborgen, voor wien de Scheikunde iets
verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover een zuiver oordeel
te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de ongelukkige kinderen
een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig veel folteringen en den
dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven juist de zoete
gezondheid en wasdom had moeten geven. Als ik als geneeskundige nu
alleen voor geneeskundigen sprak, zou hier zeer veel te zeggen
overblijven betreffende sputum, zweet, verschillende soorten van urine
en ontlasting, die het echter beter is in stilzwijgen te hullen, opdat
niet hen, die minder gewoon zijn die dingen te hooren, een walging
bevange.
Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde,
de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel
uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich
gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger
dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige,
al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij
zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen
beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele
beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap
overschreed. Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der
kunstenaars, die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun
uitvindingen daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in
hun begrensde kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus
zelf de misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de
Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door
zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het
verdrijven van ziekten verdiend heeft. Want wat is het geval? Leert
men niet door haar kunst den aard, de goede en slechte eigenschappen
van eet- en drinkwaren, van verschillende soorten water, wijn en bier
uitstekend kennen? Openbaart zij niet de elementen, samenstelling en
eigenschappen van warme, zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om
haar geneeskracht, zóó duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het
ontbreken van natuurlijke wateren vergoedt door kunstmatig
vervaardigde, die bijna geen geringere uitwerking hebben? De
grondstoffen, krachten, de wijze van werken der geneesmiddelen en, wat
toch wel in elk dat is, waarin de grootste macht schuilt, ontgaan den
scherpzinnigste zonder scheikundige analyse. Waartoe zou ik nu melding
maken van die veelvuldige kwalen der stervelingen, wier behoorlijke
geneesmethode alleen de Scheikunde aan de hand doet? Waartoe zou ik de
ontelbare geneesmiddelen van een uitgezochte voortreffelijkheid
opsommen, welke uitgevonden te hebben zij zich beroemt? Ik zwijg nog
van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee zij de vreeselijke,
doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten onschadelijk te
maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van vergiften
geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid de
uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om de
krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te
brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens
weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen. Want als ik op mij
nam alles thans een voor een naar verdienste na te gaan, zou de dag
voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de doorluchte BOYLE, wat
BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door hun scheikundige werken
in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. Maar waartoe is het
noodig een beroep te doen op buitenlanders? Onsterfelijke geschriften
bevinden zich in uw aller handen, onvergankelijk hebt gij in uw
geheugen geprent de voortreffelijke daden van den waarlijk grooten
man, dien wij gelukkig hier tegenwoordig in leven--o moge hij dat
lang blijven!--en in welstand zien. Slaat deze geschriften telkens
en telkens weer op en gij zult daarin getuigenissen van het gezegde
vinden, die boven elke bedenking verheven zijn.