Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis

humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque

tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras

visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae

gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis,

aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi

vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus.

Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam

debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo

apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri,

hoc sim honore ornatus. Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus,

quam quibus unquam dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe

gratissimam horumce agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc

tanquam in tabella suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii;

et certus crede, omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem,

quam procul absim ab ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat

modestia, meusque pudor.

Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et

operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem,

quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis,

quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at

quanto Viro! succedo: Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi

praeiveris, omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem,

haud aequis passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio

sociata decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est,

id saltem fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus

quidem, at non indecorus tamen, inhaeream.

Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et

Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat

Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus

amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc

animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos

desudate! Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis,

viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo

ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus

ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta

penetraturi. Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem.

Si quid in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu;

Vobis id omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum

mihi summa, is laborum finis erit unicus.

DIXI.

[Errata:

JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori

_text reads "senatorl"_

utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam

_text reads "utillissimam"_

qua lethalem nonnullorum corporum ferociam

_text reads "nonnulorum"_

tuti et felices in artis adyta penetraturi

_text reads "penetraruri"_]

* * * * *

* * * * *

Aan de zeer doorluchte en edele mannen,

curatoren der Leidsche Akademie,

JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek,

Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de

Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland,

afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz.,

JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid

van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der

burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz.,

AREND BRUNO'SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid

van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter

hoogmogende Staten van Holland, enz. enz.,

en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen,

burgemeesters der stad Leiden,

ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der

burgemeesters,

DANIËL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten,

HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten,

GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten,

Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de

beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer

doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters,

draagt gaarne en naar verdienste

deze redevoering op

de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen

zeer verknochte dienaar

HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.

INAUGUREELE REDE

van

HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,

Waarin Wordt Aangetoond,

dat de Scheikunde met recht een plaats

verdient onder de Akademische

Wetenschappen,

Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en

vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans

beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan

gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht;

de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft

plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed

door een even groote verbijstering als bezorgdheid.

Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een

scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard

van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel

ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en

VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat

van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de

Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om

een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen

der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk

en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid,

door proeven wijsgeerig redeneeren leert.

[Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)]

Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige

werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een

opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van

schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen

der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een

spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]? Niets

voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich voordoet, is

geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: verschillende

rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere wijze zijn

saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte van het vuur

uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, geheel gevuld

met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap vervaardigd, die

weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid te brengen; tallooze

soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante verschilt; een hoop

kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de hand zijn voor het

gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, blaasbalgen, tangen

en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur òf te onderhouden òf

te regelen. Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij

zijn katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool

in zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook,

bedekt met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen

vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende

vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste

voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich dra

in een vlammenbrakenden strijd zullen storten; aan den anderen kant

door een matige warmte de vermogens der stoffen te voorschijn roept

door het druppelen van water naar een bepaald getal te regelen; en bij

een andere gelegenheid die vermogens na ze te voorschijn te hebben

geroepen door een natuurlijke lauwe temperatuur nauwer bindt en

afdeelt; in één woord: hoe hij geheel tusschen zijn fornuizen levend,

zich slechts bezighoudend met het aanwakkeren, toepassen en regelen

van het vuur, de werking daarvan op lichamen op alle mogelijke wijzen

nagaat. Dit is zijn werk, hiervoor spant hij zich alleen in.

[Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)]

Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen

van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen

der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en

niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de

getuigenissen van feiten ontwrongen.

Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit

de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een

plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen

weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de

meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een

redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste

staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in

tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering

van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen,

die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een

wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in

zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men

hem vergeeft.

Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders:

en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te

steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer

goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt

om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed

mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te

wagen, misschien zou geven.

Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over,

waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid,

hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben,

die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te

voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder

naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands

krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt

getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het

vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter

gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk

persoon ooit van de hand gewezen.

Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het

onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en

uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te

toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de

Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met

aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen

welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij

gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw

goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om

toegeeflijkheid te smeeken.

De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien,

openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te

onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die

voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden

bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of

wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de

wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de

bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een

zekeren glans van adeldom.

Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware

kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de

Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de

waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast

staan?

[Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: +span+ = (uit elkaar)

trekken en +ageirein+ = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die

scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)]

De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof

schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van

één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders

kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde

wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan

de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut. Voorzeker

zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje te verdienen,

die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen toonen, zich

verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk uiteenzetten, hoe

haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan worden, en het

buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of hoeveel en hoe

groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich ondertusschen

weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch alles niets wil

zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door welke namen ook van

volgelingen; want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den

waren adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf,

waarnaar degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast

te stellen, de wijze, haar afmeet.

[Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina III,

2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)]

Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een

mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke

maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar

echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die

wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is,

of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de

andere uit. Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die

zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest

gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt,

dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer.

Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt

de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de

overige wetenschappen toe; met haar eene helft toch houdt zij zich

bezig met het beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt

zij aan het uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten

opzichte van de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen

hebben dus, als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en

met het burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen

verzette.

Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk

uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende

wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen.

Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten

zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten

slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze

dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot

aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in

den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook

door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden

en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen.

Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom

heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren

van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen

aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van

die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal

zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de

rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met

de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden

met de beoefenaars.

Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en

aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw

slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in

discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol

gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur,

rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van

lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich

verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen.

Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar

beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en

afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden

afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit

dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus de

Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, die

verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone

voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het

hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de

zaak hadden genomen. Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare

verkeer met geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren

bezig hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende

lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt zou

hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter geluk

dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door dik

en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6] had

ten dienste gestaan. Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde

voor die verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten

gedaan worden door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van

feiten, te beproeven door een systeem van bullen vol met de meest

beuzelachtige woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend

karakter begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in

elk geval een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat

vermetel pogen in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel

veroverde, die zelfs juist op de asch der tegenstanders werd

opgericht. Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op

zwakken grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij

van zijn oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende

volk der geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft

omvergeworpen, was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen,

dat zij, zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van

beschaafde lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door

eenige zeer heldere stralen, die zich door de haar omhullende

duisternis van nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst

vruchtbare licht, dat in haar binnenste verscholen was. En weldra,

door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij zich inderdaad tot

een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand het masker van

bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van onkunde, waarmee

zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, eindelijk haar

in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht gebracht ten

schouwspel voor de beschaafde wereld. Toen dan heeft de Scheikunde,

thans schitterend met haar eigen stralen, toen eerst heeft zij, die

vermomd zoo zeer had mishaagd, hersteld in haar natuurlijke gedaante,

de geleerden zoo voor zich weten in te nemen, dat zij haar waardig

keurden om onder hun scholen opgenomen met allen ijver te worden

beoefend.

[Voetnoot 5: "Inter Pyracmonas." "Pyracmon" is in de mythologie

naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus,

samengesteld uit +pur+ = vuur en +akmôn+ = aanbeeld. (Vertaler.)]

[Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600

regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn

regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den

tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet

sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld? (Vertaler.)]

En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de

Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van

vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want

zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo

alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer

gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en

als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de

minste verveling. Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan,

waarmee de Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen

voor de gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve

hoe groot is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou

te kort zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer

weinig beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen. De

voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is edeler, die,

welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit houdt zij de

gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren is, geeft zij

ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in de binnenste

heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare werkzaamheid de

wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; dien ten gevolge is

zij zoowel met de wijsbegeerte als met de geneeskunde ten nauwste

verbonden en niet zonder nadeelen daarvan te scheiden.

Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden

grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter

staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig

bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor

houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam

te bewijzen.

Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen,

hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak

teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze

wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel

der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op

alles, wat onder het begrip "lichaam" valt, of daartoe herleid kan

worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het

bijzonder eigen. Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie,

die in het bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der

lichamen, in de natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar

slechts een beeld van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van

een theorie, de lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op

zichzelf staande dingen zijn, d.w.z. zóó begrensd en bepaald, dat zij,

behalve dat dat algemeene begrip "Materie" op hen van toepassing is,

ook nog bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene

van het andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist

dat lichaam is en geen ander: daardoor is het helder en klaar, dat

niet slechts die algemeene gaven der Materie, maar wel in de eerste

plaats die, welke elk lichaam afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp

zijn van de Physische studie, daar deze immers de lichamen door de

natuur geschapen beschouwt, naar dat zij werkelijk bestaan of kunnen

bestaan.

De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij

geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit

deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen

voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van

haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn

voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar

daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn

voortgekomen.

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 24 / 34 段