Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste
lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke
orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde
Nederlanden, gouverneur van 's Hertogenbosch, buitengewoon gezant bij
H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst van
Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz.
Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van 's Grevelsregt, voorzitter
van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz.
Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en
afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van
Alblasserwaarde, enz. enz.
_Den Edel Achtbaren Heeren_
Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en
secretaris van het college van Curatoren.
Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH,
Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN,
Den Heere PIETER VAN DORP,
draagt deze redevoering
met verschuldigden eerbied op
de hun toegewijde
HERMAN BOERHAAVE.
REDEVOERING
van
HERMAN BOERHAAVE
over
Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde.
Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid,
hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe
waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten
genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner
wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen
aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men
niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde
in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een
wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne
alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke
grenst?
Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan
ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en
ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn.
Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire,
wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor
andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen,
als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van
dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof
nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk,
opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij
niets goeds vermag tot stand te brengen.
Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de
waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik
gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur
voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting
als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal
duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde
van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_.
Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke
rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit
echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo
welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds
lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit
deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus
terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar
hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel,
het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en
aandacht vergt hij van zijne hoorders.
Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de
Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige
tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard
echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur
voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze
algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. Daar deze immers
voortgesproten is uit de samenvatting van die eigenschappen, welke
alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige uitsluiting van alles,
wat het eene lichaam van het andere onderscheidt, zal daaruit met nog
zoo logische redeneering geen enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid
worden, die over den bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering
geeft. En toch hangt juist van dezen in de eerste plaats de grootere
of geringere werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de
kennis van deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde
onbestaanbaar is.
Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te
bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn
anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den
eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze
voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met
de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder
heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van
de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te
onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne
eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij
haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen
waarneembaar is.
Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten
langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar
voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met
behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch
zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder
waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene.
Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere
inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen.
Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het
menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons
omringende natuur.
Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat
het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met
wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in
vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is
uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er
doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden.
Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het
vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen
voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der
mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de
onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit,
dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische
beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding
verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het
menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont
er derhalve alle eigenschappen van.
Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen
zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige
behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door
zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste
gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke
eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene
oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven
grond uitgekozen zijn.
Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de
ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door
den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na
te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen
hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop,
hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg
overeenkomen. Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele
factoren doen kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de
richting der door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden.
Derhalve zal aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de
voorrang moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook
bij het naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij
men misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs
wetenschappelijken weg niets valt af te leiden.
Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk
waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt
of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met
elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars
kan worden afgeleid?
Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote
traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste
geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten.
Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den
goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar
voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort
schieten.
Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit
genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen
opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht
hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere
wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen
der lichamen uit te vorschen. Wie dat poogt te doen, moet zich in het
hoofd gezet hebben, dat de aard der dingen het best kan worden
opgespoord door van zulke grondbeginselen uit te gaan, die daar het
meest tegen indruischen, en door zoodanige personen, die het sterkst
afwijken van de onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als
de eenige, welke ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds
daardoor echter zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden
verstrikken, dat ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne
stelling bewezen mag achten.
Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te
zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot
instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht
van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid
der menschen.
Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de
zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle
beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim
gebruik maken.
Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen
zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te
brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische
schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet
worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak
zelve meen niet achterwege te mogen laten.
Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is
en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te
behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen
loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het
grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij
niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de
slagers. Niet minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van
deze kanalen, van het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die
met den hoofdstam gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich
op hun beurt splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij
echter deze eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht
doorloopende hoofdstam ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk
een wijder opening vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringende
zijtakken. Dat echter al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven,
dat de zich zijdelings vertakkende buizen op een oneindig aantal
plaatsen wijde hoeken vormen en dat deze windingen een buitengewonen
invloed uitoefenen op de doorstrooming van het bloed, is eerst voor
weinige jaren ontdekt door hen, die de scherpzinnig gevonden
stellingen der wiskunde op geneeskundige vraagstukken hebben
toegepast.
Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende
kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme
deze buigzame kanalen gevormd!
Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder
gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun
tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te
keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra
dit opgehouden heeft ze uit te zetten.
MALPIGHI was echter de eerste, die zag, dat de laatste uiteinden der
slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als in een
stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe
kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons
het eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze
dwaalwegen, welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden
voortgedreven, te doorloopen hebben.
Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in
Zijn werk openbaart, is wel het volgende.
De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en
die zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting,
zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante
veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne
boezems.
Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het
microscoop, het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der
lijken met kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken
toestand en eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten
en planten aan het licht gebracht heeft.
Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen
enkel; al wat er verder van verteld wordt, berust op louter
verdichting.
Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk
voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is,
bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig
en gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen
van denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van
cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het
geheel er als een net uitziet.
Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan
niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts
bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting?
En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze
werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn?
Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze
zaak uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die
alleen reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden,
systematisch uiteen te zetten?
Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige
beschouwing van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de
kunst verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een
menigte belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander
dan de Werktuigkundige.
Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de
zoo uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna
het geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en
geringe inspanning van onzen geest.
Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft,
zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de
roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere,
kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen.
Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat!
Ter zelfder plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden
stam uit, die, van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het
dikkere, roode, van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren.
Ziedaar den waren oorsprong der aderen!
Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door
het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat
er ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar
zóó dat de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt.
De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel
schoons bergen zij niet in zich.
Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze
tot één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht
daar zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol
dit alles vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van
een klier voor U.
Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het
orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan
echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn
toegeschreven.
U echter, groote MALPIGHI, die alle hersenschimmen voorgoed verjaagd
hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke
inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te
toonen, dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts
door de boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt!
En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat
immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren!
De hersenen, die reeds HIPPOCRATES een klier had genoemd, worden ons
nu door het penseel van MALPIGHI geschilderd als een massa, bestaande
uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en afvoerkanalen. Lever,
milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd.
Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen
van cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het
embryo, de woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten
nectars, dien de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare
afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de
vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan
behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke
geschriften van MALPIGHI, KERKRING en HAVERS?
Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende
beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de
meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst
zeer duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit
kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu
eigenlijk haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan
een ruim maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een
uiterst nauw nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat
kanaal, waaruit het voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is.
[Voetnoot 1: Met "geest", de vertaling van het Latijnsche
"spiritus", is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens
Boerhaave en andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen
gevonden wordt (Vertaler).]
Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst
recht inzien, indien men de hydraulische proeven van MARIOTTE
bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van
CARTESIUS.
Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen
verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die
afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte
wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn
echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van
lymphvaten.
Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo
kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo
eenvoudige inrichting tot stand gebracht?
Het is stellig niet anders.
Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien!
De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde
opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft
van _hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het
voortbrengen der verlangde werking het meest geschikt en
tegelijkertijd onder alle, die deze kunnen voortbrengen, het
eenvoudigst is.
Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken?
Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks
vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen
te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te
verdeelen, bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische
instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid
hunner verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te
dienen als bepaalde bewegingen uit te voeren.
Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe
waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste
bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo
vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat HIPPOCRATES met de gansche
schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen hij
volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets
anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen
ontdekken.
De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der
ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen.
Raadpleegt VESALIUS, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde,
diens mededingers EUSTACHIUS en FALLOPIUS, vervolgens ook HARVEY en
MALPIGHI, die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam
verworven hebben, voorts ASELLIUS, PECQUET, BARTHOLINUS, DATHIR,
BELLINI, GLISSON, WHARTON en WILLIS, die elk op hunne beurt oude
meeningen voor nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken;
voegt bij dezen LEAL en LOUWER, die de wetten der mechanica op de
ontleedkunde toepasten, en eindelijk HOOKE, POUWER en LEEUWENHOEK, die
tot de diepste verborgenheden zijn doorgedrongen, en ge zult vinden,
dat zij met al hunne wetenschap, met alle middelen, welke hun bij hun
onderzoek ten dienste stonden, geene andere dan de twee genoemde
bestanddeelen van het menschelijk lichaam hebben kunnen ontdekken.
Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en
ons maar steeds wat op de mouw speldt?
Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen,
chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is
hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen?
Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar
verzonnen verschijnselen.
Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun
gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste
wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt.
Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_
uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts
_hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar
de werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien
heeft.
Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_
wetenschap ervaren Meester geleverd wordt.
U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik,
wat de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het
hoornvlies, wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het
waterachtig vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht.
Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het
midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden
breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor
het opvangen en richten der geluidsgolven?