richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de
velerlei krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat
daaraan vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging
gebracht wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van
deze inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op
dezelfde wijze en even ingewikkeld vertoont?
Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de
schelp, van het voorportaal, van de dubbele winding van het
kegelvormig slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van
zoovele wonderen van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de
zeer harde rots heeft uitgehouwen.
Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een
diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult
kunnen begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen,
welke hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen.
Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het
ligt in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen
toevoeg.
Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker
onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt.
Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke
voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent,
door welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo
één enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof
en al zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en
vorm. Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof
afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs
experimenteelen weg kunnen opgespoord worden.
Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik
hier niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze
kennis der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver
gevorderd is, dat zij reeds practische resultaten kan opleveren.
Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan
nemen wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle
vochten op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter,
de verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en
adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de
voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling
onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot,
dat de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk
lichaam in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin
behoeft gezocht te worden.
Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een
systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk
van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde.
En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen
kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet
vertrouwd is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo
ingewikkelde onderdeel der Werktuigkunde?
Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door
gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der
zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de
praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft.
Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring
der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof
op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de
zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der
wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan
wij ook in het dagelijksch leven nut ondervinden?
Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten
overtuigen, neme de werken van ARCHIMEDES, CARTESIUS, STEVIN, BORELLI,
MARIOTTE, HUYGENS, NEWTON en BELLINI ter hand.
Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de
nog onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder
licht lieten schijnen.
Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle
richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen
duidelijkheid te doen kennen!
Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de
algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap
op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten
tijd rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare
andere hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd.
Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de
zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de
werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten,
een zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een
belachelijk daglicht geplaatst hebben.
En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan
begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde.
Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig,
zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed
maken, die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar HERMES[2]
noemen.
[Voetnoot 2: HERMES TRISMEGISTUS is de patroon der alchimisten.
In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen
chemie en alchimie. (Vertaler).]
Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen
afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen?
Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de
ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de
wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring
kunnen vinden in de wetten der Mechanica?
Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik
reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden.
Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne
hoorders, de juistheid ervan te beoordeelen.
Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer
beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op
zichzelf staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor
onze zintuigen waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient
rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij
plaats hadden.
De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische
wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide
reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand
doet.
De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden,
waaronder deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen
geval is zij in staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die
gegevens verdere conclusies getrokken kunnen worden.
Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de
hoovaardij van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op
beroemen, enkel door de beoefening der scheikunde den geheelen schat
der medische wetenschap in bezit te hebben!
Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand,
meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene
eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld
hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht,
twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig
verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder
waargenomen feit.
De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam
dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan
soberen kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van
vruchten en meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch,
groenten en met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen
voeden zich met laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen
hunne ingewanden met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten.
[Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).]
Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid
van voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de
andere categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid
kunnen behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij
hunne vochten verzadigen.
Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de
levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den
algemeenen aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen
ontvouwd is en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden
openbaart, dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich
zelf?
Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te
vinden is in de meesterwerken van BACO van Verulam over leven en
dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die HIPPOCRATES en CELSUS
omtrent de voeding van gezonde personen gegeven hebben, en ten slotte
door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons leert, dan zal ik u een
voorbeeld aanhalen, ontleend aan LOUWER, een man, aan wiens woorden
men, wegens zijn buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard
aan een helder oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten.
[Voetnoot 4: Een van BACO's werken draagt den titel: "Historia
vitae et mortis". (Vertaler).]
Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies
uitgeputte jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in
zijne aderen werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder
verandering van kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het
leven teruggebracht werd.
Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich
zelf spreekt.
Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren,
wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer
stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt!
Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze malen
genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te
lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen
meer stevigheid te geven?
Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te
wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de
geheimzinnige werking van het kwikzilver!
Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben,
passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met
verzaking van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde
methoden toe.
Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde
eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die
deze naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit,
dat de kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen
moet blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is.
Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn
van het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel
duidelijker zal de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in
het oog springen.
Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die
beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons.
Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen
bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam.
Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel
zijn eigen oogen willen gelooven.
Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde
stroomend bloed in zwijm gevallen is.
Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste
en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden
worden, zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop
brengt, ontbreekt er aan.
Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van
dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in
beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle
droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter
dan voorheen, terug.
En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur,
de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek
menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder.
Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een
opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig
beginsel?
Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien
wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren.
Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten,
die, door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte
behoeven blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug
te keeren.
Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der
waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te
nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij
berusten.
Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende
feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld
te staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het
laboratorium van Hooke.
Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat
zijn longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden
blaasbalg opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren.
Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons
het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den
grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds lang
overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen kunstmatig
te voorschijn roept door het door middel van een blaas inspuiten van
vocht in de aderen.
Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er
tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons
leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van
het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten?
Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer
beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en
in dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en
vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en
systematisch uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het
gebied der Mechanica gerekend worden.
Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de
voorstanders van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing
en zegevierenden jubel aanleiding geeft.
Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen
door de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der
beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan
dus slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke
en vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting
aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen.
Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van
de beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet
worden; dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf
bevindt, door de koestering der moeder wordt gaande gehouden en
vervolgens, na de geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der
vaste lichaamsdeelen haren voortgang te danken heeft. Hij, die den
wonderlijken bouw van het hart, van zijn boezems tot zijn kamers, en
den samenhang dier deelen aandachtig heeft gadegeslagen, alsook de
hieruit noodwendig voortspruitende bewegingen van het bloed, dat uit
het hart in de slagaderen stroomt, uit deze naar het merg der
hersenen, de aanhangsels, de zenuwen, spieren en aderen en zoo weder
terug naar het hart, zal de voortzetting van het levensproces niet
anders trachten te verklaren dan uit de mechanische werking der
ingewanden.
Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te
bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam
elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt.
Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat
voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid.
De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn
veel eenvoudiger dan men algemeen aanneemt.
De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij
zelven meenen.
Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was,
indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen,
voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de
mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens
onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer
eenvoudige beginselen voortvloeit.
De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één
enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige
en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in
ons lichaam tot stand komt.
Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een
microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel
door den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven
wordt en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige
samentrekking der slagader een weinig teruggedreven wordt. Op
hetzelfde oogenblik houdt de hartslag op en vallen de hartkleppen
dicht, om het bloed daardoor gelegenheid te geven, om terug te
stroomen.
Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa
verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg
nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu
eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont
zich even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende
uitspansel.
Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in
vloeistoffen, onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid,
die zich vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen
hebben dezelfde oorzaak als de voorgaande.
En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische
processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles
uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de
veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot
stand komt.
Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was,
een twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en
niet veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam
werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus
gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang
vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde.
Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de
Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en
betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen,
die nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden,
dan behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op
dit gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn.
Men bestudeere aandachtig de geschriften van BORELLI, waarin deze zich
bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica bedient.
Men leze na, welke ingewikkelde problemen BELLINI, een geleerde uit
de school van BORELLI, met toepassing van dezelfde beginselen en
voortbouwend op de ontdekkingen van MALPIGHI, als een tweede OEDIPUS
heeft opgelost.
Vervolgens ook de problemen, die PITCAIRN, weleer een sieraad dezer
hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der genoemde
geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en opgehelderd.
Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van SCHEINER, CARTESIUS
en HUYGENS over het oog en die van KIRCHER, SCHELHAMMER en MORLAND
over het oor en het gehoor.
Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der
Geneeskunde ten goede komt!
Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien
Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun
eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang
wordt voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der
philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden.
Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan
toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd
worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de
practische uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der
Mechanica door de meeste menschen ten stelligste ontkend.
Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe
spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan,
vermag ik niet te begrijpen.
Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der
geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de
naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven
van den gezonden mensch.
Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig
bezwaar tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de
beste hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten.
Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig
kent, zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong
en het wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen.
Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak
eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden
worden, om die ziekte te bestrijden?
Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt,
zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen
der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis
heeft van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de
verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot
herstel aan de hand doet.
Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde
door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het
practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht.
Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde
erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk.
Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om
zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat
zijn naam ontleent aan het "met de hand genezen"; oordeelt zelf, of de
chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan.
Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van
gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is
met de Werktuigkunde?
De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien
zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde,
voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het
waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo
teere oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die
er vaak een groote verwoesting in aanrichten.
Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert WILLIS met
wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in het netvlies en de
oorzaak er van in de slagaderen gezocht en PITCAIRN dit vermoeden tot
zekerheid gebracht heeft.
Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad
door aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den
patiënt onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke
behandeling onnoodig geoordeeld wordt.
Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een
verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te
willen genezen!
Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen
door brillen, welke naar de voorschriften van HUYGENS voor elke
afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden.