sich aan het glas hadde vast gehegt, voor het vergrootglas gestelt, ende
deselvige alsoo den Teykenaar in de hand gegeven, om af te teikenen het
gene hy quam te zien.
Fig. 4. G H I K L M N O P Q R S. vertoont de Kikvors-worm, soo als hy
levent in 't water aan het glas sig hadde vast gehegt, en met de buik na
het gesigt toe geplaatst was, en welke Worm maar eenige uren daar te
vooren uyt sijn slym, daar in hy hadde gelegen, was uyt geswommen.
Met L M N O P. werd aangewesen het hooft. Ende met H I R S. werd
aangewesen, de buik; ende met G H S. de staart. Bovenop het hooft van
dit Dierken vertoont sig een gedeelte van de huyt, die haar dikte boven
de andere huyt is uytstekende, soo dat ik hier gedagten hadde of dit
niet een gedeelte van de huyt was, waar mede het gantsche Lighaam van
het Dierke op nieuw soude bekleet werden, als hier met M N O. werd
aangewesen.
Met T. werd aangewesen de mont, die ik niet en hebbe konnen sien, dat
het Dierke, dus jonge sijnde, beweegde. V V. sijn twee bruyne plekken op
het hoofd van het Dierke die in dit seer rond waren (daar deselve in
andere Dierkens op verre na die ronte niet en hadde) en by eenige wel
voor de oogen souden aangesien worden. Dog de oogen en konnen in
soodanigen gedaante niet gesien werden, om dat die dus van ons gesigt
afstaan. I K L. ende P Q R. sijn ses doorschijnende uythangende deelen,
die aan yder sijde van het hoofd drie sijn.
Dese deelen sijn alleen de oorsaak dat ik de Kikvors-worm hebbe laten
afteykenen: want in yder van dese deelen sag ik met een groot vermaak
seer distinct de ommeloop van het bloet, het welke uyt die deelen die
naast het lighaam lagen wierd voortgestooten na de buytenste sijde van
de selve, en volbrengende alsoo een continuële seer schielijke
omloopinge. Deze omloopinge en hadde geen egale beweginge, maar die
wierd in seer korten tijd, ende dat continueel, op nieuw met een seer
schielijke voortstootinge te weeg gebragt; en eer dat dese seer
schielijke voortstootinge geschiede, souden wy (by aldien wy geen
continuële verheffinge in de loop hadden gesien) geoordeelt hebben,
datter een stilstant van loop op soude gevolgt hebben; dog de loop van
't bloet en begonde niet te vertragen, of daar quam op nieuw weder een
seer schielijke verheffinge van een voortstootinge: soo datter in 't
bloet van dit Dier, een continuele voortlopinge geschiede: en als ik met
een naeuwkeurige opmerkinge de korten tijd waar in yder voortstootinge
op nieuw geschiede, tragte af te meten; moet ik seggen; dat een vaardige
mond, soo ras geen hondert soude tellen, of daar geschiede in dese
bloet-vaaten wel hondert schielijke voortstootinge van bloet. Hier uyt
stelde ik vast, dat soo menigmaal als dese seer schielijke
voortstootinge wierd te wege gebragt, dat soo menigmaal het bloet uyt
het Hert wierd gestooten. Ja ik sag deze beweginge soo net (dat alle de
voortstootinge van het bloed uyt het Hert, ende de overgang van de
Arterien, daar die in malkanderen vereenigen, tot inde Vena) geschieden,
als ik, of ymand anders, sig eenigsins soude konnen imagineren.
Dit gesigt, tot mijn over groot vermaak veelmaal hebbende beschoud,
wilde ik niet verbergen; maar hebbe het selve aan vijf voorname Heeren
vertoont; die my verklaarden noyt iets van my gesien te hebben, dat soo
waardig was geweest te aanschouwen. Ik moet hier nog byvoegen, dat soo
dit bloet een egale dunne vogt hadde geweest, wy het selvige onmogelijk
souden hebben konnen bekennen: maar nu het bloet bestond uyt een seer
heldere vogt, vermengt soo het in 't oog scheen met kleinder en grooter
globulen, die, al-hoe-wel geen couleur en hadden, egter seer klaar
konden gesien werden, soo was de bekentenisse van den ommeloop soo veel
te naakter.
Als dese Worm-kikvorschen eenige dagen out waaren geworden, soo en konde
ik geen van alle dese ses uythangende deelen (daar in yder van deselve
de ommeloop van 't bloet geschiede) meer sien, maar als dan scheen het
my toe dat die met een huyt waren overtrokken.
Ik konde ook als doen aan yder sijde van het hoofd, wel soo een seer
schielijke beweginge (als hier vooren is geseit) sien, maar ik konde
geen ommeloop van het bloet gewaar werden. So dat ik als doen ook geen
hoofd van het lighaam meer en konde onderscheiden, want dat scheen aan
malkanderen te sijn vereenigt. Wanneer dese Worm-kikvorschen, omtrent
agt a thien dagen out waren, en omtrent tweemaal in groote waren
toegenomen, soo sag ik dat haar mond met op en toedoen, so een
schielijke continueele beweginge hadde, als ik hier vooren geseit hebbe
van de beweginge van het bloet: en als doen waren de tanden boven en
onder in de mond sodanig uytgewassen, dat ik die perfect konde sien:
Dese tanden waren in soo groote menigte, en stonden in sodanigen ordre,
als een rije tanden staan, in de mond van een vis die wy een zeehaye
noemen.
Met dese mijne observatien heb ik my niet vergenoegt gehouden, maar ik
hebbe alle mijne kragten ingespannen, omme de geseide ommeloop des
bloets te vervolgen, en hebbe dese Wormkikvorssen, agt a thien dagen out
sijnde, op alle bedenkelyke manieren geobserveert, en hebbe van binnen
in 't lighaam sien bewegen een klein deeltje, dat ik my imagineerde het
hert te sijn, als wanneer ook de stoffe die in het selvige was, en daar
uyt wierd voortgestoten, al een roode couleur begonde aan te nemen. Dit
deel, dat ik voor het hert aan sag, hadde zoodanige schielijke beweginge
als ik geseit hebbe dat inde bloet-aderen geschiede. Voorts soo dikmaal
als ik sag dat dit gepresumeerde hert, sig beweegde, soo menigmaal
wierden ook de oogen van het Dier een weinig bewogen: soo dat ik my
inbeelde dat de beweginge van de oogen alleen van de beweginge van het
hert en mond afhingen. Welke oogen, soo in uytpuylende ronte, als in
swartigheid in 't midden, my ook soo naakt voor quamen, als eenige oogen
van een klein Dier, ons aan het bloote oog konnen vertoonen.
Wanneer ik de buyk van soodanigen Dier als dan quam te openen, sag ik
dat de darmen gevolt waren met een bruynagtige stoffe, ende dat die in
een ronte lagen geschikt.
Als ik quam tot het examineren van de staart van dese kleine Worm, soo
overtrof dat vermakelyk gesigt alle de beschouwingen, die myn oogen van
haar leven hadden gesien; want hier ontdekten ik meer dan vijftig
ommelopen van bloet, op bysondere plaatsen, als ik het dierken maar tot
myn genoegen in 't water levende, en stil leggende, voor het
vergroot-glas konde brengen. Want ik sag niet alleen dat het bloet op
veel plaatsen door seer dunne vaatjens uyt het midden van de staart
wierd gevoert na de buytekant van de selve; maar dat yder soodanig
bloet-vat, sig met een kromte boog, en het bloet weder voerde na het
binnenste of dikste van de staart, om het selvige weder soo na het hert
te voeren. Soo dat my hier bleek dat de bloet-vaten die wy in dit Dier
sien, en de Arterien en Venae noemen; maar een ende de selve bloet-vaten
sijn; alleen, datse soo lang Arterien konnen genaamt werden, als sy het
bloet tot in de uyterste deelen van de kleyne vaten voeren; ende Venae,
als de selve het bloet weder voeren na het Hert. Als by exempel, ik sie
veel bloed-vaatjens in de staart van de Kikvorsworm, die haar loop
hebben als Fig. 5. A B C. waar van A. en C. na de graat van de staart
sig strekken, of geplaatst leit; ende B. leit gestrekt na de uyterste
deelen van de staart. A B. voert het bloed van het hert af; ende B C.
voert het bloet weder na het hert toe: en dus konnen wy seggen, dat het
bloet-vat A B C. een Arterie ende een Vena is, want wy konnen dit
geseide bloet-vat niet verder een Arterie noemen, als soo verre als hy
het bloet weg stoot, of op het verste in de selve voert, dat is hier van
A. tot B; ende wy konnen of moeten B C. een Vena noemen, om dat het
bloet van B. tot C. weder na het Hert gevoert werd. Ende dus blijkt het
ons hier dat Arterie ende Vena een ende deselvige continuële vaten zijn.
Daar ik de ommeloop van het bloet in de Aderen dus quam te sien, waren
de Aderen, niet wyder, als dat een enkel deeltjen bloed (dat in dit
gesigt globulen schenen, daar het nogtans platte ovale deeltjens sijn,
als voor desen geseit) daar sonder hinder door konde passeren. Dog op
een ander tijd sag ik dat de deeltjens bloet om de dunte van de
Bloet-ader, in een lang rond veranderde: en wanneer ik het Dierke buyten
het water bragt, en soo verre quam dat het begonde te sterven, sag ik
dat het bloet inde dunste Arterien, somtijds stil bleef staan; en als in
de selve Ader het bloet op nieuw wierd voortgestoten, sag ik dan dat
verscheide deeltjens bloet, wel tweemaal soo lang wierden uytgerekt, als
de breette van soodanig deeltjen, ende dat die dan aan beide de eynden
spits schenen. Op een ander plaats sag ik dat het bloedt sig uit een
dikker Arterie in twe takken verdeelde: als by voorbeeld: Ik sag de
Arterie Fig. 6A. D E. die sig in twee takken verspreide, als in E. en
yder van dese takken, boog in de ronte met een bogt; als met E F. en
E G. werd aangewesen. Soo wy nu stellen dat D E F. ende D E G. Arterien
sijn, om dat die het bloet van het Hert afvoeren, so moet volgen, dat
F H. en G I K. Venae sijn, om dat die beyde het bloet na het Hert
voeren.
Nu heb ik ook te gelyk gesien, dat een weinig van K. een andere kleynder
of dunder Arterie lag, die met M L. werd aangewesen. Dese laatste
Arterie vereenigde in de Vena I K. soo dat de Arterien D E G. ende M L.
beyde te samen vereenigde in de Vena I K. In somma in de Fig. 6A. is
H F. een Vena. D E F. ende D E G. sijn Arterien. G I K. ende K I L. sijn
Venae, ende M L. is een Arterie, en nogtans konnen wy seggen, dat het
een continuëel vat is.
Op een andere plaats heb ik gesien dat drie van de dunste Arterien,
die yder met een bogt omlopende, alle drie op een punct weder te samen
quamen, ende aldaar een bloet-vat of Vena uit maakten: en by gevolg
was dit bloet-vat soo wyt als van de drie geseide Arterien. Dese drie
distincte vaten nu met haar rondagtigen ommetrek, waar in de circulatie
geschiede, en besloegen geen meer plaats, of een sant grootte soude de
selve konnen bedekt hebben.
Ook is my verscheide malen voorgekomen, dat een Arterie dwars of
kruyselings over een Vena quam te loopen, ten ware men yder sijn
bysondere loop niet distinct hadde konnen onderscheiden, soo souden
veele wel geoordeelt hebben, dat de circulatie aldaar wierd te wege
gebragt, ende dit sag ik niet alleen in de alderkleinste vaten, maar in
vaten die wel tienmaal dikker waren als daar de ommeloop geschiede.
Dese overdwars lopende bloet-vaten, sijn my voor desen veel te vooren
gekomen, als ik in andere Dieren de vereeningen van de Arterien en Venae
tragte te ontdekken; dog alsoo het by my vast stond dat de ommeloop van
het bloet, niet in de vaten die groot waren, moste geschieden; maar in
de kleinste of dunste bloetvaten: want soo sulx anders was, so stel ik
vast dat alle de delen van het lighaam niet gevoet soude konnen werden.
En also voor my die ontdekkingen onnaspeurelyk scheenen, soo heb ik
sedert eenige jaren myne ondersoekingen daar ontrent gestaakt. Soo wy
dan nu seer naakt voor onse oogen sien dat het overgaan van het bloet
uyt de Arterien in de Venae, in de Kikvors-worm, in geen andere
bloet-vaten geschiet, als in soodanige die soo dun sijn, dat maar een
enkel deeltje bloet te gelijk kan doorgestoten werden; soo konnen wy nu
wel vaststellen, dat het selve in onse lighamen, en in alle Dieren op
soodanigen manier werd te weeg gebragt. En dit soo sijnde, soo is ons
onmogelyk den overgang van het bloet uyt de Arterien inde Venae, in ons
lighaam of andere dieren te ontdekken; eensdeels, om dat wanneer een
enkel globule bloet in een aderke leggende, geen couleur en heeft: ende
ten anderen, om dat het bloet in de bloet-vaten, als wy dat ondersoek
doen, stil staat.
Ik hebbe voor desen geseit, dat de delen of globulen van het bloet, die
het selvige root maken, soo klein syn, dat thien hondert duysent deelen
of globulen, soo groot niet en sijn, als een grof sand is: en over sulks
konnen wy ons wel inbeelden, de hoekleinheid van de bloetvaten waar in
den ommeloop geschiet.
Dese verhaalde observatien en heb ik niet eenmaal gesien, maar die tot
myn overgroot vermaak verscheide malen hervat, ende dat t'elkens in
bysondere Wormen, ende by na doorgaans een ende deselve uytkomst gehad.
Dog het gene ook aanmerkenswaardig was, dat was, dat in dese geseide
seer kleyne vaaten, die op het verst van het Hert geplaatst lagen, als
hier in 't eynde van de staart, dat daar op verre na soo een schielyke
en harde voortstotinge niet geschiede, als wel in de vaten naast het
Hert gelegen. Dog alhoewel de continueele loop hier mede distinct te
bekennen was, soo konde men egter seer klaar sien dat 'er by yder
voortstotinge van het Hert, een weinig rasser loop geschiede.
Wanneer ik myn oog liet gaan in de lengte en op het dikste van de
staart, soo konde ik seer klaar bekennen dat aan yder syde van het
staart-been, of graat, een groote Arterie was, daar door 't bloet na 't
eynde of lengte van de staart wierde gevoert, en sig in die lengte in
verscheide kleyne takken verspreide.
Als ik een weinig ter sijden van dese Arterien na de buytekant van de
staart af sag, ontdekten ik aldaar twee groote Vena, die het bloet weder
opwaarts na het Hert voerden; ende daar benevens sag ik dat in dese
groote Vena uyt verscheide kleyne Venae het bloet wierd ingestort. In 't
kort, ik sag hier myn volkome vergenoeginge ontrent den ommeloop van het
bloet, alsoo my in 't minste niets voorquam waar aan ik behoefde te
twijfelen. Ja ik sag dat in het kleyn gedeelte van de staart, het bloet
der Aderen meer dan in vyf-en-twintig distincte Aders circuleerde. Boven
de geseide Aderen ontdekte ik nog in de staart een onbegrypelyk getal
van andere Aderen met haar takken, die sig eyndelyk in soodanige kleyne
takken verdeelde, dat die het gesigt ontweeken. Dese Aderen quamen mede
voort uyt het dikste van de staart, en hoe nauwkeurig ik ook toesag, soo
en konde ik egter geen de minste loop inde selvige ontdekken, schoon
dese vaten veel dikker waren, als daar ik den ommeloop van het bloet in
sag. Waar uyt ik in gedagten nam, of alle dese vaten niet wel senuwen
mogten zyn.
Ik en hebbe dit gesigt mede voor my alleen niet willen behouden, maar
dat selvige aan twee voorname geleerde Heeren laten sien; niet alleen
dat ik haar toonde dat het bloet uyt de groote Arterie, na het eynde van
de staart wierd gevoert, ende dat daar benevens weder een grote Vena
lag, die het bloet continueel na het Hert voerde; maar ik liet haar op
verscheide plaatsen sien, hoe het bloet in de kleinste vaten na de
buytenkant van de staart wierd gevoert, ende van daar door de geseide
Aderen weder te rugge quam, en gevoert wierde na het binnenste van de
staart.
Vorders heb ik de jonge Kikvorssen op die tyd als sy van een worm, tot
een Kikvors waren geworden, en soo verre waren gekomen, dat sy door de
velden sprongen, geobserveert, ende in deselve mede ontdekt, een
overgroot getal van kleyne bloet-vaten, die continueel door kromme
bogten ommelopende, die vaten maakten, die wy Arterien en Venae noemen:
sulks dat my hier mede seer klaar bleek dat de Arterien en Venae, een
ende deselve doorgaande bloetvaten waren. Dog alderklaarst, ende
aldermeest, quamen my die te vooren, op het eynde van de uytstekende
delen van de poten, die wy wel vingers mogen noemen. Welke delen de
kikvors aan yder voorste poot vier heeft, ende aan yder agter-poot vyf.
Dese bloet-vaten die wy den naam van Arterien en Venae geven (daar het
nogtans een ende deselve bloet-vaten sijn) waren op het eynde van dese
vingers in een seer groote menigte, en yder hadde een ronde bogt, waar
door men den bysonderen loop van yder vat onmogelyk konde navolgen. Alle
dese vaten waren so kleyn of dun dat'er niet meer dan een deeltje bloet
te gelyk door konde passeren. Dog wanneer ik dese vingers ontrent het
eerste of tweede lid examineerde, daar vonde ik de bloet-vaten, die wy
Arterien en Venae noemen, grooter, ja soodanig dat het bloet in die
vaten al een rode couleur hadde.
Dese jonge Kikvorssen, en heb ik niet by stukken geexamineert; maar die
in haar geheel voor het vergroot-glas gestelt, ende sijn my de geseide
bloet-vaten te voren gekomen, soo als ik die nu hebbe beschreven. Dese
doorloop ofte ommeloop van het bloet heb ik soo aan twee voorname Heeren
laten sien, die de selvige niet dan met groote verwondering beschoude.
En voornamentlyk, als sy de delen van het bloet, die het selvige root
maken, in soodanige dunne vaatjens (met groote snelheit sagen loopen)
dat'er maar enkelde deeltjens bloet agter den anderen door konden
passeren.
Vorders heb ik laten vangen van de grootste slag van Kikvorssen, die wy
Worken noemen. Dese heb ik mede in haar geheel gelaten, ende in deselve
(met de vingers voor het vergroot-glas gebragt hebbende) heb ik mede de
ommeloop van het bloet gesien; dog seer beswaarlyk: en ten ware ik die
eerst in de jonge Kikvors hadde ontdekt, het soude my onmogelyk geweest
hebben, dat ik de loop van het bloet, in de kleynste vaten soude hebben
konnen zien.
Dog wanneer ik dese groote Kikvorssen op andere deelen van het lighaam
beschoude, heb ik in de selve seer distinct de ommeloop van 't bloed
konnen zien.
Ik hebbe onder andere eens gesien, dat het bloet in een Arterie (die soo
groot of wyt was dat'er drie deeltjens bloet te gelyk door konden
passeren) te rugge, of contrarie syn eerste loop quam te lopen; dog dese
te rugge loop en duurde niet langer, dan dat wy het getal van vier
souden konnen tellen ende na die tyd liep het bloet weder zyn ordinairen
en voorgaanden loop.
Als by exempel het bloet sag ik loopen in een groote Arterie als by
Fig. 6B. N R O P. en gevoert van N. na O. uyt dese Arterie quam een tak
of kleine Arterie als hier boven verhaalt is. Nu geschiede het voor myn
gesigt, dat het bloet in de Arterie P Q. niet alleen schielyk in sijn
loop quam op te houden, maar het quam ook van Q. na P. te rug loopen, en
storte het bloed in de Arterie N R O P. De oorsaak hier van beelde ik my
in, kan geweest zijn, of dat het bloet in de kleinste Arterien P Q. of
in de kleindere takken, waar in deselve P Q. is verdeelt, door een
kleyne verstoppinge, is tegen gehouden geworden: of dat de muscul of
zenuwe, naast dese kleyne vaatjens gelegen, deselvige so geparst of
gedrukt hebben, dat de loop daar door is verhindert geworden: waar door
niet alleen een stilstant van loop, maar ook een te rugge loop van het
bloet in de groote Arterie die daar digte by was, veroorsaakt is
geworden. Want na het passeren van de geseide korte tyd, nam het bloet
weder sijn voorgaande vaardige loop.
Op een andere plaats heb ik gesien dat den loop van het bloet in
diergelijke Arterie, in korten tijd seer vertraagde, ende dat daar op
wederom in de selvige Arterie, een schielijke voortstootinge volgde;
doch kort op die voortstootinge volgde wel weder een trager loop; ook
wel een seer korte stilstand. Dese voortstotinge en vertraginge van
loop, geschiede wel vijf à sesmaal agter den anderen, ende daar op
volgde weder een continuële vaardige voortgang, ende dit alles geschiede
in soodanigen korten tyd, dat men geen tien woorden souden konnen
gesproken hebben.
Ik hebbe verscheide maal de Kikvors-wormen uit de water-gragt laten
opvangen, en onder dit vangen waren drie à vier seer kleyne Visjens, die
een weinig langer waren als de Kikvors-worm is, als deselve van een Ey
tot een Worm is geworden. De huit van dese visjens was met swarte
stipjens beset, welke eenige ook verbeelden sterrekens.
Ik oordeelde dat dese visjens niet groot wierden, om dat ik noit
zoodanige maaksels gelyk my die door het microscope voor quamen, met het
bloote oog gesien hadden. Ik heb in 't eerst een van dese Visjens
geobserveert, maar daar inne als doen niet konnen sien het geene
noterens waardig was.
Dese Visjens hebbe ik na dat die ontrent veertien dagen op myn Comptoir
onder de kikvors-wormen in 't leven gebleven, (ende in die tyd al in
grootte waren toegenomen) weder op nieuw geobserveert, omme was het
mogelijk de circulatie ende het overgaan van het bloet uit de Arterien
in de Venae in de selvige mede te sien, en hebbe eindelijk in de staart
digte by de uyterste staartvinne, een groot bloet-vat, dat een Arterie
was, het bloet sien voeren na het einde van de staart, ende digte by dat
bloet-vat, lag weder een groote Vena, waar in het Bloed weder na het
hert wierde gevoert, welke beyde bloet-vaten in de lengte van de staart
lagen gestrekt.
Als ik myn oog liet gaan op de staart-vin, die het uiterste van de
staart uitmaakt, soo konde ik aldaar mede seer klaar sien, dat aan ieder
sijde van die beentjens (die de stijfte aan de staart-vinne geven) een
seer dunne Arterie en Vena liepen, want ik konde seer klaar ieders loop
bekennen, dog beswaarder als in de Kikvors-Worm: eensdeels om dat dit
visje met desselfs staart weinig stil lag; ende ten anderen, om dat de
deeltjens bloet (die ik in dese observatien niet anders als voor globule
konde aansien) veel kleynder waren als in de Kikvors-worm. Dese laatste
bloet-vaatjens waren ook soo klein, dat maar een enkel deeltje bloet
daar door konde passeren, en ten ware dese geseide delen bloet, niet uit
de dunne vogt, daar in die als drijven, (die by eenige de weyagtige
stoffe van het bloet genaamt werd) uitstaken, wy souden geensins de loop
van het bloet konnen ontdekken.
Alhoewel ik de loop van het bloet soo in de Arterien als Venae, seer
distinct konde sien, soo was het egter my onmogelijk, hoe naauw ik
toesag, de plaatsen of eynden van de Arterien ende het begin van de
Venae te sien. Dog als ik naderhand met het eenigste of laatste Visje
dat ik nog behouden hadde, op een ander manier als met de voorgaande
quam te handelen; sag ik tot myn overgroot genoegen, seer naakt, niet
alleen op een, maar doorgaans op verscheide plaatsen, de circulatie van
het bloet: want aan yder sijde van de hier vooren verhaalde beentjens
(die de starkte aan de vinnen geven) liep yder Arterie met een klein
bogtje om, en maakten aldaar het begin van de Vena.
Wanneer ik quam te sien op de staart van het visje, alwaar de
staart-vinne haar begin neemt, daar sag ik met groote verwondering, hoe
dat de groote Arterie sig aldaar, in de geseide seer dunne vaatjens of
Arterien, verspreide, en hoe dat vele van de dunne Venae van de
staart-vinne hier digte by, weder in de groote Venae te samen quamen
loopen. In 't kort, hier was sulken beweginge van het bloet, dat uyt de
dikke Arterie na het uyterste eynde van de staart, en staart-vinne
vloeide, of gestoten wierde, ende het geene uyt veel kleine Venae, na de
groote Vena weder te rug quam, dat het onbegrijpelyk was.
Wanneer ik myn oog liet gaan op beyde de buytenste kanten van de staart,
daar de korte beentjens van de staart-vinne haar begin nemen, daar sag
ik dat veel van de kleinste Venae te samen liepen of vereenigden, en
maakten aldaar een grooter Vena uyt. Dog dit seer aangenaam gesigt en
duurde niet lang, want ik hadde het Visje uit het water genomen, en
alsoo schielyk voor myn gesigt gebragt, en in sulken geval vertraagde de
loop van het bloet in de uiterste deelen van het lighaam, minder als in
een menuit tijds.
Na die tijd heb ik selfs van die soort van Visjens gaan vangen, om dat
ik met dit schoon gesigt van een Visje niet vergenoegt en was, en hebbe
doorgaans een ende deselve uitkomst gehad.
Vorders heb ik waargenomen dat de groote Arterie (waar uit veele kleine
Arterien haar oorspronk hadden) ende de groote Vena, (waar in het bloet
uyt veele kleine Venae wierd ingestort) digte of nevens den anderen in
de lengte van de Vis geplaatst lagen; digt aan het graat-beentje van de
Vis; te weten, niet na de bovenste ofte rugge sijde van het
graat-beentje, maar na het onderste gedeelte van het graat-beentje,
sonder dat ik na de rugge sijde van het graat-been, geen het minste
groot bloet-vat konde ontdekken. In de geseide groote Arterie konde ik
doorgaans op nieuw de voortstootinge of verheffinge van een rasser loop,
die het bloet van het Hert ontfangt, bekennen: dog in de alder-dunste
Arterien, en konde ik in de loop van het bloet geen veranderinge gewaar
werden, want daar was de loop seer egaal. En gelyk ik geseit hebbe dat
in de dunste vaten geen couleur en was, soo konde ik egter klaar
bekennen, dat in de groote Arterie en Vena [die seer na aan het eynde
van de staart lagen] het bloet root was.