van het bloet mede hebbe ontdekt, heb ik het selvige laten afteikenen,
soo groot als het ons in het bloote oog te vooren komt, als hier met
Fig. 7 is afgeteikent.
Fig. 8. Vertoont mede de hoegrootheid van zoo een Visje dat ik op nieuw
hadde wesen vangen, dog de meeste waren kleinder, en onder agt à thien
had ik'er maar een dat wat grooter was.
Ik hebbe een Visje voor het vergroot glas gestelt, ende geordonneert dat
den Teikenaar alles soude teikenen dat hy quam te sien; het welke hier
met Fig. 9. A B C D E F G H I K L M N. is aangewesen.
B C. verbeelt het oog van de Vis, dat my soo groot en volmaakt doorgaans
voorquam, als of wy met ons bloote oog een schelvisoog beschouden. Dog
alsoo het Visje meer dan een gansche dag hadde doot geweest, ende in die
tyd het hooft, ende oog, meer als de andere deelen van het lighaam was
ingedroogt, heeft het den Teikenaar niet beter konnen sien.
Tusschen C D. waren op de rugge verscheide korte uytstekende deelen.
D E. is een vinne digte by de staart gelegen.
F G H I K. is de staart-vinne waar in men telt seventien beentjens, daar
van der drie met G H I. werden aangewesen. Dese beentjens die de styfte
of starkte aan de staart-vinne geven, waren met ledekens verzien, en ik
sag ook dat die uyt lange deeltjens [dat na alle aparentie holle pypjens
sijn] waren te samen gestelt.
Ik konde ook te gelyk sien, dat het vlies of vel, dat dese beentjes
overdekten, en het meerendeel van de staart-vinne uytmaakten, mede uyt
lange deelen was te samen gestelt, dog alle dese deelen en heeft den
Teikenaar niet konnen sien, om dat deselvige met het sterven van het
Visje, het gesigt ontweken waren.
L M. is mede een vinne digte by de staart aan het onderste deel van het
lighaam.
N A. is de mond die in 't droogen seer wyd is open gebleven, daar het
Visje anders, wanneer het leeft, continueel de mond, ende dat seer ras
agter den anderen, maar een weinig op en toe doet.
Ik hebbe hier vooren geseit, hoe dat ik aan yder sijde van het beentje,
dat voor een gedeelte de staartvinne uytmaakt, seer klaar de Circulatie
van het bloet konde bekennen; soo dat tusschen yder beentje twee
distincte ommegangen geschieden. Sulx dat dan in de vinne van de staart
geschiede vierendertig bysondere ommegangen, dat is, daar waren in de
vinne van de staart van soo een kleyn Visje, agtensestig bloet-vaten, te
weten vierendertig Arterien, en gelyk getal van venae, ende dat behalven
de bloet-vaten die nog in 't kortste van de selve vinne mogten leggen,
als ontrent F. of K. daar op ik geen agtinge en hebbe gegeven.
Omme nu de circulatie die in de staart-vinne geschiede beter aan te
wysen, heb ik een gedeelte van een vin-beentje grooter laten afteikenen,
als hier met Fig. 10. O P Q R. werd aangewesen.
Aan welk been seer digt aan yder sijde heen loopt een Arterie die hier
beyde werden aangewesen met S T. ende W X. in welke bloed-vaten ik hebbe
laten teykenen die deeltjens bloet die haar als rond vertoonen.
Dit bloet met een vaardige loop van S. na T. volbragt hebbende, keerde
met gelijke snelte van T. weder te rug na V. soo dat S T. een Arterie
is, ende T V. een Vena, en nogtans is het een gecontinueert, ende
doorgaande bloet-vat. Soo was het insgelijks gelegen met de bloet-vaten
aan de ander sijde van het beentje als W X Y. Dog dese Arterie en Vena
en lagen soo wyd niet van den anderen, als hier naar advenant is
afgebeeld, maar die lagen op veel plaatsen soo digt nevens den anderen,
dat Arterie en Vena malkanderen raakten.
Op andere plaatsen en selfs in de vinne D E. ende L M. heb ik het bloet
soo in de Arterien als Venae, mede niet alleen sien loopen, maar daar
inne hebbe ik ook de ommeloop konnen bekennen, als in de staarte-vinne
is geseit.
De geseide ommeloop van het bloet in het verhaalde kleine Visje, hebbe
ik aan twee voorname Geleerde Heeren bekent gemaakt, die haar seer
genegen toonde om deel te mogen hebben van dat gesigt, dat ik haar
toestont, en hebbe verscheide Visjens, sodanig voor het vergroot-glas
gebragt, dat sy seer distinct, in verscheide bysondere vaten te gelyk,
de ommeloop van het bloet, met groote verwondering en opmerkinge
aansagen.
Sien wy nu in de staart-vinne van soo een klein Visje, als hier met
Fig. 7 of Fig. 8 werd aangewesen, vier-en-dertig bysondere circulatien
van bloet, wat een onbedenkelyke groote menigte van circulatien moeten
daar dan niet wel geschieden in ons lighaam. 't Welk zoo sijnde, zoo
hebben wy ons nu niet meer te verwonderen, dat als wy met een naalde of
ander klein werktuyg ons komen te quetsen, dat daar bloet uyt komt.
Ja ik verseker my uyt de geseide observatien, dat in de plaats of spatie
van een nagel van onse hand groote op onse voorste vinger, of ik mag wel
seggen in onze geheele huyt, doorgaans meer dan duysent besondere
ommeloopen van het bloet geschieden.
Na myne voorgaande observatien heb ik myn gedagten laten gaan op onse
gemene Rivier-vis, namentlyk op de Voorn en Braassem, omme, was het
mogelyk, in de selvige mede de circulatie van het bloet te sien. Ik
hebbe dan jonge Voorn en Braassem genomen, die ik oordeelde dat twee
jaar out was, dese heb ik met haar hoofden om laag in 't water gestelt,
ende der selver staarten buyten het water laten komen, opdat de Visschen
haar hoofden of kaken soude konnen bewegen, ende dat dus de circulatie
van het bloet geen hinder aangedaan mogte werden, maar sijn volkome loop
voor eenigen tijd continueren.
Alsoo het nu onmogelijk is dat wy de circulatie van het bloet in eenige
andere deelen van dese Visschen souden konnen sien, als in de vinnen van
deselvige, om dat haar lighamen met schobbens bezet sijn, soo heb ik
alleen de staart-vinne doorsogt, om dat die de bequaamste was, en hebbe
in de selvige seer klaar gesien, een groote menigte van bloet-vaten, die
mede soo dun waren, dat maar een enkel deeltje bloet daar te gelyk konde
door passeren, ende daar benevens sag ik de vaaten, waar in het bloet na
de uyterste deelen van de staart-vinne wierd gestooten, ende andere,
waar door het bloet weder te rug quam, sonder dat ik nogtans konde
vernemen of bekennen, de uyterste deelen van de Arterien en Venae, want
als ik na het uyterste eynde van de staart-vinne, die met het gesigt
wilde vervolgen, soo verloor ik, en Arterien en Venae uit het gesigt.
My is meer als eenmaal te vooren gekomen, dat het my toe scheen dat een
Arterie, die niet wyder was als dat een enkel deeltje bloet te gelyk
daar door konde passeren, quam te verstoppen; 't welk aldus toeging, te
weten, dat bloet, na dat het eenige malen door de Arterie als met gewelt
voortgedreven was, schielyk een weinig te rug quam, en in sijn eerste en
ordinare cours als gestuit wierd. Waar op het dan gebeurde, dat dat
bloet een andere cours (niet verre van het eerst gewesene vat) nam, en
volvoerde aldaar onverhinderlyk sijn loop, alleen met dit onderscheid
dat het soo vaardig niet en liep. Dit siende, stelde ik vast, dat den
veranderden cours, die het bloet hier quam te nemen, niet geschiede door
een bloet-vat dat een rok of menbrane hadde, maar dat het bloet alleen
met gewelt, een Canaaltje hadde gemaakt.
Ik hebbe voor desen geseit dat alle de deeltjens bloet die het selvige
root maken, soo van Vissen als van Vogelen uyt platte ovale deeltjens
bestaan, die my in de voorgaande geseide observatien, rond voor quamen,
waar van alleen de oorsaak is, dat ik in die ontdekkingen, soodanige
vergrootende glasen niet en hebbe konnen gebruyken, als tot het distinct
sien van de bloet-deelen wel vereist wierde.
Dog in de laatst geseide nieuwe bloet-loop, konde ik sien, dat de
deeltjens bloet, die het selvige root maken, plat waren. Ja ik sag niet
alleen dat die plat waren, maar ik sag daar benevens ook, dat die langer
als breet waren.
Dat my nu die deeltjens in soo verscheide veranderingen van Figuren voor
quamen, dat was om dat die deelen in haar loop dikmaals als omwentelden:
want het geene de eene oogenblik op sijde voor het gesigt lag, lag weder
na een weinig voortgang daar voor voor met een platte sijde: wederom een
ander deeltje bloet wierd in een hair-breet voortgaan, in sijn lengte
omgeworpen. In somma, ik sag hier soo veel omkeringen van de platte
deeltjens bloet, als ik my soude konnen magineren. Dit net gesigt quam
my eensdeels te vooren, om dat die spatie waar in de loop van het bloet
geschiede, soo doorschynende voor myn gesigt quam, als of de deeltjens
bloet in een glase pypje hadde voortgeloopen. Ende ten anderen konde ik
van de deeltjens bloet soo veel te beter oordelen, om dat my bekent was,
dat de deeltjens van het bloet, die het in de Vissen root maken, platte
ovale deeltjens waren.
Hebben wy nu geluk gehad (daar wy na verlangt hebben, en waar na wy veel
jaren soo nu als dan seer naarstig, dog te vergeefs, gesogt hebben) dat
wy nu soo naakt de ommeloop van het bloet, ende den doorgang van het
selvige uyt de Arterie in de Vena in de voorverhaalde Kikvors en
Visschen, hebben voor de oogen gestelt, soo sullen wy egter daar op niet
rusten, maar ons devoir doen om het selvige ook in andere Dieren na te
speuren, ende, is 't doenlyk, insgelyks ie ontdekken.
Eer ik afscheide vinde ik my genootsaakt hier by te voegen, dat ik,
weinig tyd geleden, verhalende aan seker Hoog Leeraar in de Medicine,
myne ontdekkinge ontrent de circulatie van het bloet, dese Heer tot my
seide, als men van myne observatien quam te spreken, en se tot
bevestinge van eenige saaken te allegeren, dat 'er veelmaal wierd
geantwoord; moeten wy het geloven om dat het Leeuwenhoek seit; wat
sekerheid hebben wy daar van? Waarom dan dien Heer my aanmaande,
en seide, dat ik wel soude doen, dat ik een attestatie van eenige
voorname Personen, die ooggetuigen mogten sijn geweest, van dese myne
ontdekkingen behoorde te produceren, op dat ik desen aangaande minder
tegenspreekens mogte lyden.
Het is wel waar, dat ik uyt besondere speculatie tot nog toe in myne
brieven niemant met name en hebbe genoemt, van die geene die met my
eenige van de remarcabelste dingen met haar oogen hebben gesien, door 't
behulp van myne microscopien, maar alleen in 't generaal gesegt, dat ik
sommige Heeren van kennis en oordeel, Liefhebbers van de natuurkunde,
deselve hadde voorgehouden.
Maar dewyle dat ik nu verneme dat meer geloof aan myn seggen sal gegeven
werden, wanneer ik de name kome te specificeren van die geene die de
voorverhaalde circulatie ofte ommeloop van het bloed ten deele hebben
gesien, van het geene ik nu aan hare Hoog Edelen hebbe overgeschreven
ende ontdekt, so sal ik geen swarigheid maken, in plaats van veele,
soodanige hier te noemen, die ik vertrouwe dat wel het meeste geloof
sullen meriteren. Als daar sijn _d'Heer Cornelius 's-Gravesande, Med:
Doct: en ordinaris Voorleser in de Anatomie en Chirurgie_, als mede
_Raad ende oud Schepen deser Stad; d'Heer Mr. Cornelius Valensis, mede
Raad ende oud Schepen, als boven; d'Heer Mr. Antoni Heinsius, Raad en
Pensionaris deser Stad, voor desen Extraordinaris Envoyé aan zijn
Koninklijke Majesteit van Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen
Staat aan het Hoff van zijn Koningl: Majesteit van Engeland_. Dese
Heeren die ik gewoon ben veele van myne ontdekkingen te communiceren,
heb ik nevens andere de waaragtige circulatie van het bloet laten sien,
soo klaar als of wy de beweginge van het water in een lopende Rivier met
onse blote oogen aanschoude.
Hier hebt gy Hoog-Edele Heeren myne observatien ontrent de circulatie
van het bloet, soo als ik die van tyd tot tyd op het papier hebbe
gestelt; en na het voltrekken deses, heb ik nog verscheide observatien
ontrent de circulatie van het bloet gedaan, en tot myn groot genoegen,
de ommeloop van het selvige in vier besondere levende schepsels my voor
de oogen gestelt, en alsoo dit groote lichamen sijn, in vergelykinge van
de voorgaande, soo heb ik egter middelen bedagt, waar door ik hier na de
circulatie van het bloet in een van dese groote schepsels, aan andere
seer klaar sal konnen toonen, waar van in toekomende breder, en ik sal
onder des blyven,
_Hoog-Edele Heeren, enz._
ANTONI VAN LEEUWENHOEK.
[Erratum:
F G H I K. is de staart-vinne
_text: T G H ... _ ]
* * * * *
* * * *
* * * * *
PROEFNEMINGEN
van
de particuliere beweeging der Spieren
in de Kikvorsch,
die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren
in de menschen en beesten toegepast worden.
Uit:
"DE BIJBEL DER NATUURE",
door
JAN SWAMMERDAM.
_Proefnemingen van de particuliere beweeging der spieren in de
kikvorsch, die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren
in de menschen en beesten toegepast worden._
Hoe gewigtig en ook moejelyk het is, om de waare beweegingen der Spieren
te verklaaren, dat blykt ons uyt de menigvuldigheid der experimenten,
dewelke de gaauste verstanden daar van tyt tot tyt omtrent gedaan
hebben; sonder dat men tot nog toe de waare oorsaak daar van heeft
kunnen ontdekken; waar daar ook de seer groote nuttigheid ende
gewigtigheid der kennis, die uyt deese wetenschap sou volgen, tot nog
toe in de donkere windelen der onwetendheid geinvolveert is. En dit is
de reeden, dewelke my beweegt, om eenige experimenten, die ik al over
lang omtrent deese saak gedaan heb, in het ligt te geeven, en alsoo ik
die van een seer groote consequentie en gewigt oordeel, soo sou ookmyn
versoek zijn, om die ernstig te willen naadenken, en op den toetsteen
der waarheid te stellen.
Omtrent de structuur en de beweeging der Spieren is het seer opmerkelyk
om te weeten, hoe dog eygentlyk de Senuw daar meede vereenigt is, wat
structuur hij daar binnen in heeft, en hoe syn loop, ingank, midden,
distributie en eynde is, met dan wat voor communicatie dat hy ook met de
beweegende Vesels heeft, en wat werking hy in deselve veroorsaakt: gelyk
dan ook, wat eygentlyk die subtiele materie is, die buyten alle dispuut
door de Senuw tot de Spier gevoert wort. Maar dit alles is nog op ver na
niet genoeg tot deese kennis, alsoo men ook de structuur der Vliesen,
soo om als binnen in de Spier, met dan haare subtile Veselkens, die van
de eene beweegende Vesel tot de andere, en ook tussen beyde, als een fyn
geweefsel loopen, diende te kennen: gelyk ook het maaksel van de Ader en
Slagader, en haare waaragtige gesteltenissen, binnen in de Spier: en wat
daar vorder nog tot de kennis van de structuur der beweegende Vesels
behoort. Dat alles nog donker en onbekent is; en mogelyk niet sal bekent
worden, ten sy men al syn tyt alleen op deese saak kwam aan te leggen,
en syn alderuyterste neerstigheid daar toe gebruykte: want sekerlyk den
yver en neerstigheid ontdekken alles. Maar wat my belangt, van alles wat
ik in de Anatomie tot nog toe heb voorgestelt, daar kan ik niet van
seggen, dat ik nog oit een saak tot die perfectie uytgevoert heb, daar
ik sekerlyk van weet, dat men se sou toe kunnen brengen: maar dan most
ik al myn leeven in een eenige ontdekking verslyten. Dat ik onnodig
oordeel, om dat ik ook sekerlyk weet, dat als ik al ten eynde gekomen
was, ik niet als myn onwetentheid sou vinden. En daarom heb ik liever
verscheyde saken willen verhandelen, dan een eenige, op dat de Werken
GODS niet verhoolen souden blyven, om een weynig meer of minder kennis,
die men van deselve sou mogen hebben: alsoo onse waaragtige weetenschap
alleen bestaat, in dat we GOD wel weeten te beminnen.
Ik bevinde dan omtrent alle de voorige opgestelde saken nog seer veele
en onoplosselyke verborgentheeden: en niet tegenstaande dat de
uytmuntende Anatomicus de H. STENONIS, daar seer veele naukeurigheeden
omtrent ontdekt heeft, soo is hy in het midden van syn loop blyven
steeken. En veel minder kan men sig voldoen omtrent de beweeging en
werking, dewelke die subtiele geest in de Spier veroorsaakt, die
geduurig door de Senuw daar invloeyt: als synde dit een saak, die onder
oneyndige duysterheeden verborgen is. Egter alsoo ik omtrent deese
beweging der Spieren al vry eenige experimenten nu en dan gedaan hebbe,
soo sal ik de principaalste tegenswoordig voorstellen, en die het
oordeel der verstandige onderwerpen.
Het is een saak van een eeuwige waarheid, en seer groote consideratie,
dat ten welken tyde men de Senuwen der levende lichaamen aanroert, dat
men terstont in de Spieren, waar naa toe sy loopen, een merkelijke
beweeging siet veroorsaakt, dewelke van de natuurelyke contractie der
selve niet verscheelt. Waarom soo men de Senuwen, by exempel, van het
Middelrif in een levendig geopende Hont, sagtelyk met de punt van een
seer fyne naalt komt te prikkelen, te steeken, of met een weynig vuur,
en ingedronge of scherpe wateren, komt te irriteeren, soo sal men
datelyk het Middelrif syn natuurelyke functie sien volvoeren, sig
contraheeren, van verwulfd vlak worden, en sig uyt de Borst te beweegen,
en de Ingewanden van de Buyk uytwaarts te stooten: en men sal het de
Borst naa die proportie sien dilateeren, naa dewelke dat het in syn
contractie regter wort, en sig verder uyt de Borst extendeert.
Dit is een seer aardig en ook vermakelyk experiment, soo om de
wonderlyke beweeging, die men in die gecomponeerde Spier dan siet, als
meede om dat het selve experiment in het selve subject veelmaals kan
herhaalt worden, soo men maar de Middelrifts-Zenuwen, daar se in haar
begintsel langs het Hartesakje heen loopen, komt te irriteeren, en soo
allenkskens tot de tweede, derde, ende vierde irritatie, naa onderen
komt voort te gaan, tot daar sy ingeplant worden.
Nu, niet alleen omtrent dat deel, maar ook omtrent alle de vordere
spieragtige deelen van het lichaam des Diers, kan men dit experiment
seer ligt omtrent de Zenuw in het werk stellen. Waarom ons ook dikmaals
gebeurt, in de levende Sectien der Dieren, als wy de Zenuwen met een mes
doorsnyden of raaken, dat we seer notable beweegingen in de onderhorige
Spieren gewaar worden. Gelyk de H. STENONIS ook diergelyks yets Myolog.
spec. pag. 78 en 79. edit. Janss. aangetekent heeft. Wanneer ik hem te
vooren een seer out en bekent experiment van my in de Kikvorschen
getoont hadt. En dit siet men niet alleen in de viervoetige Dieren te
geschieden, maar ook in de Vogelen en Visschen; en bysonderlyk in de
Rog, die seer sterke beweegingen in syne Spieren herneemt, als men syne
Senuwen irriteert.
Op de fondamenten van deese beweegingen, die in de Spieren veroorsaakt
worden, als men haare Senuwen alleen raakt of irriteert: soo heb ik
dikmaals voorgenoomen, om ook op die wyse de Senuwen der Ingewanden aan
te raaken, alwaar ik hier en daar seer merkelyke vleesagtige Vesels
vernoomen heb: gelyk als ik ook wilde doen omtrent de Senuen, die naa de
Nieren gaan, naa de Leever, de Milt, de Longen, de Teelleeden, en andere
partyen, waar omtrent, maar voornamelyk de Nieren, ik haast niet en
twyfel, of men sal daar merkelyke contractien veroorsaakt sien te
worden; en alsoo door dit experiment veel nader tot het ware gebruyk
deeser deelen indringen: dan de tyt daar toe heeft my tot nog toe
ontbrooken. Waarom het my voor tegenswoordig genoeg is, dit met een
enkel woort te hebben aangeweesen, om ook andere occasie te geeven, dit
verder naa te soeken, alsoo de Natuur door een gemeenen arbeyt moet
ondersogt worden; en ook, om dat een persoon alleen niet als seer weynig
kan uytvoeren, omtrent saken die oneyndig syn.
Maar hier dient men nu aan te merken, dat in de Dieren, die het heetste
bloet hebben, dese bewegingen der Spieren soo opmerkelyk niet en syn,
of liever soo lang niet en continueeren, als wel in die Dieren, die met
kouder bloet begaaft syn, als daar syn de Visschen, en veele andere
water Dieren, het sy met veel, met weynig, of sonder Voeten, of ook in
die te gelyk op het lant en in het water leeven. En waar omtrent ik in
de Kikvorsch deese myne experimenten voornamentlyk genoomen heb. Want in
deese Dierkens sijn de Senuwen seer sigtbaar, en sy kunnen ligt ontdekt
ende ontbloot worden. En het Ruggemerg, als ook de Hersenen die hebben
dit in de Vorsschen particulier, dat er als een vloeybaar sout, in
rokken beslooten synde, en met Bloedvaten doorweeven wordende, overal en
omtrent aanlegt; soo dat het ook in de bolligheyd der Wervelbeenderen
bevonden wort, als ook in het Bekkeneel selve. De couleur daar van is
als een blinkende perel; en het leyt in gedaante van knoopkens langs de
rey der Wervelbeenderen en de Rug, daar het seer ligt geobserveert wort.
Dit naturel sout bruyst seer sterk, wanneer het met een zuure vogt
vermengt wort. De substantie daar van komt seer over een met dat
greynagtig en stenig poeyer, dat in de hoofden van de Zee-Honden
Carcharias genoemt gevonden wort, en voor de Herssenen van die Visschen
door een onverstant in de Winkels verkogt wort. Want het is niet als een
steen of kalkagtige materie, die, even als de steen der Baarsen in de
Baars, ook soo in het Hooft van de Hond Carcharias geplaatst wort.
Diergelyk een poeyer heb ik in het Hooft van de Rog ondekt, dat meede
seer sterk met zuur opbruyst, en waarom ik oordeel, dat daar meede een
Alkalisch gelyk sout in is: gelyk ook in de steenkens, die men
Kreeftogen noemt. En hoewel deese substantie in de Vorschen vloeybaar
als een water is, soo droogt sy dadelyk op, door de warmte van de hant
of vingers, dan nooit soo hart, of men kan se seer ligt tusschen de
tippen der Vingeren, tot een fyn poeyer vryven; gelyk dat ook omtrent
die kalkagtige en vloeybaare materie in de Rog plaats heeft. Of nu dit
sout eenig gebruyk in de Medicynen heeft, of hebben kan, dat sou de
ervarentheyd moeten leeren, tot nog toe is het my onbekent. Maar ik keer
weer tot de Spieren.
Het is dan een seer aardig en nut experiment, als men een der grootste
Spieren van een Vorsch uit de Dye separeert, en die met syn aanhangende
Zenuw prepareert, dat deselve ongekwetst is. Dit gedaan hebbende, soo
vat men de Spier aan weersyden by syne Peesen _a a_, en als men dan de
neerhangende Senuw met een schaarken of iets anders irriteert _b_, soo
doet men de Spieren syn voorige en verloore beweeging weer herhaalen.
Waarom ook dadelyk de Spier sig contraheerende, de twee handen, die syne
Peesen vatten, als te samen by een komt te trekken, gelyk ik al in het
jaar 1658 dat aan syn Doorlugtigheid, den tegenwoordig regerenden Hertog
van Toscanen, kwam te vertoonen, wanneer hy my seer onverdient geliefde
te besoeken. En dit experiment kan men soo menigmaal met deselve Spier
herhaalen, als de Senuw nog maar ergens ongekwetst is. Waar door men hem
syn contractie soo meenigmaal kan doen herhaalen, als het ons geleegen
komt.
Maar soo men nu wil sien, en dat heel distinct, tot welken graad de
Spier in syn contractie sig komt te verdikken, en hoe ver dat syne
Peesen te samen getrokken worden; soo moet men hem door een glase pypken
losselyk heen steeken _a_, en in de plaats dat men de twee Peesen met de
Vingeren vast hielt, soo dient men daar twee fyne naalden door te
steeken _b b_, die men, niet te vast en niet te los, in een stuksken
kurk met haare punten moet vast maaken. Als men dan de Senuw irriteert
_c_, soo siet men, dat de Spier, door syn verwekte contractie, de
hoofden der naalden sal uyt haar plaats naa malkanderen toe beweegen
_d d_, en binnen in de glase pyp sal men het lichaam van de Spier selfs
sig merkelyk sien verdikken _e_, en het gansche pypken te vervullen,
stotende de lugt uyt syn plaats. Tot dat hy in syn contractie
ophoudende, de naalden weer in haar plaats springen, en dat het lichaam
van de Spier weer van het pypken afwykt, soo dat hy tussen hem en het
pypken een ope passagie voor de lugt laat. Maar soo men nu de Spier aan
syn selfs laat, of dat men hem in kout water met al de verhaalde toestel
set, soo sal men hem, haast op deselve wys, ook allengskens sien
contraheeren, en ten laatsten hem soo merkelyk in een sien krimpen, dat
hy de gansche middelste holte van het pypken sal vervullen.