invitos. Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille
moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem
ingratitudinem.
Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos,
desnoods tegen den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid,
voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel
niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden
wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.
Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres
audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni
non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum
professionem non ferret homo mere Romanus.
Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap
zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook
tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel
de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde,
maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze,
waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen.
Isque tantum tribuit experientiae, ut artem esse noluerit, sed
idem universam Graecorum philosophiam ex urbe pellendam censuit.
Existimabat homo durus, ad purgandum hominis corpus sufficere brassicam
et crebros vomitus, et tamen ille ipse medicorum hostis observatione
medicinae, in extremam usque senectutem robur infractum tutatus
scribitur.
Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde
toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan
ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den
Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie
uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het
menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En
toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming
der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn
krachten onverzwakt behouden heeft.
Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine
magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum
impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt
facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter
pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit.
Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van
straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede
geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet
alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever
de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote
macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid.
Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het
spreekwoord: "wie medisch leeft, leeft ellendig".
Quasi vero felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere,
turgescere cervisia, sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est
oratione refellere, cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant
arti, mox podagra contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus,
caecutientes ante senectutem, iamque prius vituperatae medicinae,
exemplo Stesichori, seram canunt palinodiam miseri.
Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te
worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig
biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand
te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te
bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der
geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra
worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand
verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk,
maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen
laster herroepen[6].
[Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk,
doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en
later doorhet dichten van een palinodie het weer teruggekregen
hebben. (Vert).]
Et tamen his licet indignissimis, artis bonitas non gravatur esse
praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex vetere comoedia scommate,
vocent medicos +skatophagous+. Quasi vero non isto nomine vel praecipue
laudari mereantur, qui quo subveniant hominum calamitatibus, ex illa sua
sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. Quod si medicis tantum esset
supercilii, quantum istis est procacitatis, liceret passim impune mori.
Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus commune, ut bene faciat ac
male audiat.
En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen,
ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te
helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie
ontleend, de geneesheeren "dreketers". Verdienen zij dan niet juist
daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te
heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te
dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de
onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo
maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep
heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een
slechten naam heeft.
Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt,
cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena
ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male
consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam
detorquere?
Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor
geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er
zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die
uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker
dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te
lasteren?
Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae ac
piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta
professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus
optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui
censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus,
quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant.
Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken
moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den
godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo
heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker
dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij
dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie
niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige
plunderaars en vijanden van den staat rondloopen.
Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum
dari Graecorum proverbio, +polloi boukentai pauroi de te gês arotêres+.
Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates
sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque
tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi
conspicimus.
Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam
konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche
spreuk: "velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers". Ik
wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening
van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in
plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen
reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te
streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.
Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut
difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod
initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes
summatim complecti.
Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een
grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput
te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan,
gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der
geneeskunde in het kort samen te vatten.
[_Epilogus._]
Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam
omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius
inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non
alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit.
Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid
aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de
noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem
erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven.
Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan
geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.
Si magni fiunt, quae summis viris probantur, haec summos reges,
haec primates non solum delectavit, verum etiam illustravit. Si
difficilia quae sunt, ea sunt et pulchra, nihil hac operosius, quae tot
disciplinis, tantarum rerum pervestigatione usuque constat. Si dignitate
rem aestimamus, quid excellentius, quam ad dei benignitatem proxime
accedere?
Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de
goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer
wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen
niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke
iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met
meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel
kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als
wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de
goddelijke genade het dichtst nabij te komen?
Si facultate, quid potentius aut efficacius quam totum hominem
certo exitio periturum sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque
necessarium atque id sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute,
quid honestius, quam servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus
neque maior est, neque latius patet. Si compendio, aut haec in primis
frugifera sit oportet, aut ingratissimi mortales.
Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten
dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan
zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo
onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte
mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd
beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in
het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in
wijder kring. Indien wij eindelijk het financiëel voordeel tot
maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de
menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft.
Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc
pulcherrimo genere professionis excellere.
U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het
voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.
Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc
nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes
est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo
mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi.
U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst
toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem,
aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt
uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op
meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.
Dixi.
Ik heb gezegd.
[Errata in Latin text noted by Transcriber:
[Sidenote]
Laudandi ratio
_text reads "Laudandiratio"_
propter arctissimam amborum inter se cognationem
_text reads "intet se"_
[Sidenote]
Honora medicum.
_text reads "Honara"_
[Sidenote]
+iatros gar anêr pollôn antaxios allôn+
_spelling "iatros" as in original_
Timetheo suo
_spelling as in original_
qui mutatis aedificiis
_text reads "aedifiiciis"_]
* * * * *
* * * *
* * * * *
[Illustratie:
ANTONI VAN LEEUWENHOEK
LID VAN DE KONINGHLYKE SOCIETEIT IN LONDON
_GEBOREN TOT DELFT. A. 1632_
_Daer leeft een aerdigh Man een wardigh Man en gauw
Die wisse wondren teelt en heeft Natur in 't nauw
Doorkruypt all haer geheim en opent all haer Sloten
Syn Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten
Noch kan ontschieten dit's die dappre man niet maer
Siet scherp toe die hem soeckt 't gelyckt hem of hy 't waer_
_J. Verkolje pinx. fec. et exc. A. 1686_]
Den Waaragtigen
Omloop des Bloeds,
_Als mede dat_
DE ARTERIEN EN VENÆ
Gecontinueerde BLOED-VATEN zijn,
_Klaar voor de oogen gestelt._
Verhandelt in een BRIEF, geschreven aan de
Koninglijke Societeit tot Londen.
door
ANTONI VAN LEEUWENHOEK,
Lid van deselve SOCIETEYT.
Antony van Leeuwenhoeks
65. MISSIVE,
Vanden 7. September 1688.
HANDELENDE
_Van tweederley soort van Kikvorsschen. Uyt wat deelen der selver
eyeren bestaan. Dat uyt die eyeren Wormen komen. Van wat maakzel
die Wormen zyn. De circulatie van het bloed op ses distincte
plaatsen aan het hooft van dese Wormen. Continuele schielyke
voortstotinge, die het bloed van het hert ontfangt. Ommeloop
van het bloed op veel plaatsen in de staart van de Kikvors-worm.
Hetgene men Arterien en Venae noemt, zijn gecontinueerde
bloed-vaten. Arterien en Venae die dwers over malkanderen loopen.
De ommeloop geschied in de dunste bloed-vaten. De Circulatie van
het bloed, in kleyne en groote Kikvorsschen. Hoe in een Arterie
het bloed te rug quam loopen, en wat de oorsaak daar van was. De
ommeloop van het bloed in een kleyn Visje, en in desselfs staart
vier-en-dertig byzondere ommeloopen: Ende in het zelvige mede seer
naakt voor de oogen gestelt dat Arterien en Venae gecontinueerde
bloedvaten syn. In een nagel grootte van onse huyd geschieden wel
duysent ommeloopen van bloed. De deeltjens die het bloed in de
Vissen root maken, zyn platte ovale deeltjens. Wat Heeren, onder
andere, de waaragtige Circulatie van het bloed hebben gezien._
Hoog-Edele HEEREN, enz.
Myn laatste alder-onderdanigsten aan hare Hoog-Edele is geweest den 24.
der voorledene Maand, waar in ik kome te handelen, van de angel van de
Mugge, namelijk dat de selve angel uyt de koker genomen zynde, in vier
distincte angels bestaat. Dat ik Linde Boomen hebbe geplant, welkers
wortels in de lucht tot takken wassen, ende de takken in de aarde tot
wortels zyn geworden. Dat in yder welgemaakte Garst of Tarw al een
Koorn-air geformeert is.
_Hier nevens gaan weder eenige van mijne geringe Observatien._
Wy hebben hier te lande twederley soort van Kikvorsschen; de eerste
soort, die wy seer overvloedig ontrent onse Stad plegen te hebben,
werden ordinair Kikvorsschen genoemt. Welke sedert eenige jaren hier
seer weynig zyn geweest, uyt oorsaak, beeld ik my in, dat onse
stilstaande kleyne water-grachten, na verloop van eenige jaren, met een
ongediert van sekere kleyne vis (daar wy voor desen niet van geweten
hebben, soo veel my bekent is) die wy Stekel-baarsjens noemen, sijn als
vervult geworden, die de Kikvorsschen als die nog wormen waren, hebben
verslonden.
De kuyt of eyeren van dese Kikvorsschen heb ik in de kleyne
water-gragten, die onse weyden of velden van een separeren, somtyds in
soo een groote menigte byeen zien leggen, dat de superfitie van het
water voor een groot gedeelte beset was.
De tweede soort van Vorsschen die men hier gemenelijk Worken noemt, die
zyn in veel minder getal, ende die zyn grooter, en ook starker in 't
voortspringen; welkers achter-lijven of dikste van de achter-pooten by
de France Natie voor goede spijs gebruykt werd. Op dese laatste soort
heb ik veel-maal mijn gedagten laten gaan, eensdeels om dat ik die noyt
en hadde gezien dat die verzameld waren; ende ten anderen, om dat ik
noyt haar Eyeren ofte kuyt en hadde gezien.
Maar nu op den 29. Mey kome ik wederom in een Weyde, daar in ik sedert
eenige jaren tot mijn vermaak dikmaal hebbe gaan wandelen, en geen
gedachten hebbende tot de kuyt of eyeren van de Kikvorschen, om dat de
tijd van het eyer-leggen van de eerste Kikvorschen al lang verloopen
was, soo gaa ik op het geschreeuw, dat dese Kikvorschen, anders Worken
geseit, soo by dag als nacht in groote hitte doen, aan, en ik beelde my
in dat ik eenige eyeren aan eenig groen gewas, in 't water sag leggen,
gelijk het inderdaat ook was.
Dese eyeren en zijn op verre na soo wel, in 't water leggende, niet te
kennen, als die van onse gemene Kikvorschen, om dat de lijmachtige
stoffe minder in het water uitsteekt, en ook soo veel niet en is.
Ik liet dan eenig groen gewas daar dese eyeren aan vast saten, aan mijn
huys brengen, en ik leide die, in twee besondere aardepotten, in ons
gemene gracht-water, en ik examineerde alsdoen de eyeren door het
vergrootglas, en sag dat die meest alle aan de eene zijde bruyn waren,
ende dat de ander zijde ofte de wederhelft geelachtig was. Doch als ik
de geseide eyeren des anderen daags 's morgens wederom besag, bevond ik
dat de geelachtigheid meest weg was, ende dat maar een weinig plaats die
couleur was behoudende: waar uyt ik een besluit maakte, dat dese eyeren
niet lang uit de Kikvorschen geweest waren.
Vorders nam ik verscheide eyeren uit de heldere lijmachtige stoffe, en
ik bevond doorgaans dat dese lijmachtige stoffe, die haar noch in twee
distincte rontten scheen te separeren, seer stark en taay was, soo dat
die niet als met ontstukken-scheuringe van het rechte Ey en konde
gescheiden worden; en als ik op het aldersachtst daar mede handelde, soo
en behield het ey niet meer zijn rondigheid, maar het berstte en
scheurde als noch van malkanderen. Ik hebbe van dese eyeren verscheide
achter den anderen (als ik die van haar lijmachtige stoffe daar in
deselve lagen, hadde ontbloot) geexamineert, ende gezien dat het dunne
omwindsel meest bestond uit zwarte stipjens, over-een-komende met de
knobbelagtige deelen die het zegreyn-leer heeft.
Vorders bestont het ey, soo veel my bleek, uit een weinig (in 't oog)
waterige vogt, en een onbegrijpelyk groot getal van globulen; welke
globulen yder weder bestond uit een groot getal van kleinder globulen,
die yder in 't midden een grooter globule hadde, soo dat yder eerste
globule wel een ey, met een seer kleine doir verbeelde.
De figuur van veele van dese eyeren veranderden van dag tot dag: want
die wierden in plaats van rond, langachtig: daar wierden kleine staarten
geformeert. Ook scheent my toe dat ik hoofden zag.
Ik opende van dag tot dag veel van dese eyeren, ja selfs op den sevenden
dag dat ik de eyeren in mijn huis hadde gehad, als wanneer eenige wormen
of jonge Kikvorschen al soo verre gekomen waren, dat die zig beweegden.
Maar al wat ik zag dat waren niet dan globulen, en schoon ik de jonge
Kikvorsch-worm opende, op die tijd als hy uit zijn lijmachtige stoffe
was gearbeid, en door het water swom, aan de welke ik, geheel zijnde,
de rugge-graat ook konde bekennen, soo en konde ik deselve, ontstukken
snijdende, geen ingewanden, veel min aderen of zenuwen bekennen.
Het scheen my als doen noch toe dat het het gantsche ligchaam van dat
Dier, uit geen andere deelen en was gemaakt dan uit globulen, en wel
voornamentlijk de buik die geelachtig was, zijnde gemaakt uit dat
gedeelte van het ey dat geel was gebleven, en nu tot de buik was
geworden. Dit quam my vreemd voor, dat ik in soo een groot schepsel, dat
ik voor mijn gezigt doode, geen vaten of zenuwen en konde bekennen.
Na alle dese mijne Observatien die ik ontrent dese eyeren hebbe gedaan,
konde ik geen ander besluit maken, als dat de lijmachtige stofte die om
het ey leit, alleen geschapen is, om het inleggende ey te bewaren, ende
te beschermen, even gelijk de schillen of schalen van de eyeren van het
gevogelte, het wit en doir bewaren en beschermen.
En gelijk wy zien dat het ey van een hoen of ander gevogelte gantsch
over gaat tot het Kieken, uitgesonderd alleen de schors van het ey, en
het vlies dat tegen de schors aan sit, en welke beide de binne-stoffe
van het ey bewaard hebben, even soo, segge ik, gaat het gantsche ey tot
de Kikvorsch over, ende de taye lijmachtige stoffe, die om het ey heeft
geseten, die blijven in wesen. Soo dat ik van het Kikvorsch-ey kan
seggen, het gene ik van de Vogel-eyeren gezeit hebbe; te weten, dat het
gantsche Kikvorsch-ey alleen geschapen is, om het dierken uit het
mannelijk zaad te voeden en groot te maken, tot dat het voor zig selven
kan voedsel soeken.
Als ik sag de menigvuldige lucht-bellekens die in dese lijmachtige
stoffe waren, nam ik in gedagten, dat die alleen geschapen waren, om de
eyeren als dese Kikvorschen in 't water groente mogt ontbreeken, om de
zelve daar aan te hegten, dat die dan door behulp van de lugtbellen, op
de superfitie van het water soude konnen drijven, om de warmte van de
lugt te hebben, ende daar door als uitgebroeid te werden.
Ik heb dese jonge Worken, of Kikvorschen, jong zijnde, verscheyden malen
geobserveert, en om dat ik wist dat de Heer _Doctor Swammerdam_ daar van
geschreven hadde, zyn Observatien nagezien, die in zyn uitlegginge pag.
35, onder andere dus spreekt.
_Het tweede getal verbeeld de manier op welke het Vorschen-jong, het
genoemde teer en dunne vlies, waar in het op de wijse der bloedeloose
dierkens, in de vierde ordre voorgesteld, verborgen is; komt af te
stroopen. Soo dat het selve midden in zyn verwydert, ende in het
ingedronge water, uytgedyde voedsel, als een swart en dik-hoofdig
Wurmken sig vertoont. Dan 't geen gemenelyk voor het hooft genomen werd,
is het geheele lighaam te samen, als den onvergelykelyken Harveus seer
wel aanteekent._
Dat nu _Harveus_ of _Swammerdam_ aan de jonge Kikvorsen soo als hy van
het ey tot een worm is geworden, geen hooft en heeft gezien, sal
apparent zyn, om dat zy deselvige niet door het vergrootglas
geobserveert hebben.
Fig. 1 werd het ey van een Kikvors of work vertoont, soo als het in zyn
omleggende tay en slijmerige vogt leyt, en wanneer het soo verre
toegenomen is, dat het zig beweegt, soo is de staart van het Dierken
noch in de vocht wat krom gebogen.
Fig. 2 vertoont de grootte van het Dierken, soo als het zyn volkome
grootte uit het ey heeft ontfangen, ende soo verre gekomen was, dat het
selvige door het water konde swemmen, het welke by my daar uytgenomen
zijnde; op een glas was geleyd, ende also was gestorven, ende gedroogt.
Fig. 3 A B C D E F. vertoont het zelvige Dierke, soo het den Teykenaar
door het Vergroot-glas heeft gesien, aan het welke men hier distinct het
hoofd van het verdere lichamen kan onderscheiden, als hier met A B F.
werd aangewesen.
F E. is de buik van het Dierken, die geelachtig is, gelijk ik hier
vooren geseid hebbe, dat yder ey een geelagtig stipje behoud, welk
stipje de buik van het Dierken werd. Doch dese buik en is soo niet
geteikent, als die sig quam te vertoonen, want die was soo geborsten en
van een gescheurd, dat die niet dan uit groote globulen en scheen te
bestaan.
Met C D E. werd aangewesen de staart van het Dierken, Waar in men seer
naakt de graat konde bekennen, die hier ook soo verre is afgeteikent als
den Teikenaar die konde zien, en schoon ik veel maal de staart van dese
Dierkens, daar de graat haar in vertoonde van malkanderen separeerde,
soo konde ik egter aldaar dan geen andere deelen bekennen dan globulen.
Dese Dierkens of Vorschen-wormen, maken een seer starke beweginge met
haar staart, als sy voortswemmen, en soo ras als de beweginge van haar
staart komt op te houden, soo sinken sy schielijk na de grond, waar uyt
dan blijkt, dat sy veel stof-swaarder zijn, dan het water selfs is. Doch
dese Dierkens is wederom ingeschapen, dat sy haar met haar hoofd (noch
klein zynde) aan een glas konnen vast hechten, soo dat sy aan alle
dingen die in 't water zyn, konnen vast blijven, en alsoo rusten, sonder
dat hare lichamen op de grond komen te leggen.