quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea
praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non
credit.
En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan
tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een
roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft,
die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der
menschelijke krachten geacht worden.
[_Quibus culta medicina._]
Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et
spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis
ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus
praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses
ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse
creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla
prodidisse legitur.
Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen
nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was,
goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte
raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde
gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt
immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan
naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en
ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze
Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de
geneeskracht der kruiden.
Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons,
plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. Is et
Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam,
efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac
Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat
in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat.
Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron
voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst
zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid "moly"
beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden
en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de
dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses
beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt
ook aan, dat "nepenthes" (letterl. "smarteloos") bij den maaltijd moet
gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te
verdrijven.
Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte
praestantes, saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum
heroibus, verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet
subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse,
atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae
ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo,
huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait:
[Sidenote: +iatros gar anêr pollôn antaxios allôn+] Unum medicum pluris
habendum, quam caeterorum hominum permultos.
Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en
Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de
helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp
verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten
den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen,
die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht
is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de
uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak
verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele
andere menschen tezamen.
Rursum alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus,
palam testans id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina,
sed omnium artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium,
multo etiam rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem
quandam tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen
reliquisse legitur.
Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles
onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het
geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere
wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet
alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele
zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere
mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een
bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten.
Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem
censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel
studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde
regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum
miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum
declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque
in arcanis reliquit, ut autor est Plinius.
Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato
den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze
wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch
ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet
zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn
wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn
geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een
waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen,
voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende
kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap
gevonden zijn.
Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere
regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani
principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis
importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis
domino aliud erat munus gratius.
Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam.
Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen:
spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden
zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als
op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit
ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte,
was geen geschenk aangenamer.
[_Christus ipse medicus._]
Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese
non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus
est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum
Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum
illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum
adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum
insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille
nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur.
Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen,
geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor
wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende,
zegt, dat "zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel
bevinden", terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat
gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde
bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog
aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen;
niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van
ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de
geneesheer naar vermogen na.
Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc
usum rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos,
mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes
inquit, morbis illorum, et ungentes oleo.
Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die
van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel
door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin
het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend,
terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te
verplichten "door", zoo luiden Zijne woorden, "hunne ziekten te
genezen en hen met olie te zalven".
Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum vini praescribit usum,
ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam medici partibus
utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae
caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum
studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento
divinae illae mentes insigniuntur.
Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van
wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen
openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons
daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der
mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van
de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde
wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!
[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee
woorden, waarvan het eerste rapha, "genezen" en het tweede el,
"goddelijkwezen" beteekent. (Vert.)]
Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam
oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu
perversissima hominum judicia.
De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze
wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder
onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!
Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne
quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id
quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis,
in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur
alienum judicium.
Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen
valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval
toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden;
hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste,
wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken
vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid
gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van
anderen.
Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi paucis
contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe partem
eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat quemquam
nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, sed ab
improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur.
En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap
slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun
geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat
gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door
iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de
moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de
kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte
geneesheeren.
[_A simili._]
Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile
fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae
utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut
hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum
illae ingruente bruma devolant.
Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de
vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En
diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in
tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl
het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in
ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het
land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe
oprechter vriend is echter niet de geneesheer.
At quanto sincerior amicus medicus, qui Seleucidum avium exemplo,
quas narrant nusquam a Casii montis incolis conspici, nisi cum illarum
praesidio est opus, adversus vim locustarum fruges vastantium, rebus
integris ac laetis nusquam sese ingerit, in periculis, in his casibus,
in quibus uxor ac liberi saepe deserunt hominem, velut in phrenesi,
phthiriasi, in peste solus medicus constanter adest, et adest non
inutili officio, quemadmodum plerique caeterorum, sed adest
opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum morbo dimicans,
nonnunquam suo quoque periculo.
Evenals de "Seleucides" genaamde vogels, naar verhaald wordt,
door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden,
dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van
sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich
nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van
gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man
verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij
alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen,
met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in
gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor
zijn eigen leven.
Et o plus quam ingratos, qui talis amici officio servati, jam
depulso periculo medicum odisse possunt, ac non potius parentis vice
colunt ac venerantur. Vulgarem amicum, qui subinde salutat obvium,
ad coenam rogant, qui latus claudit, officio pensant, et talem amicum
ubi desierint egere, aversantur? Et ob hoc ipsum aversantur, quod
intelligant illius officio nullam meritis parem gratiam rependi posse.
Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de
dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het
gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als
een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van
tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter
maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met
hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet
meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist
daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot
genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen.
Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec
optimo cuique viro discenda est.
Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het
meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle
uitstekende mannen geleerd worden.
[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et
haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant.
Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans,
plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui
pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum
ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest
incolumis possessio, nisi valet possessor?
[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste,
plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn.
Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de
daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard
der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen,
dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams
gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben
vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want
wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de
bezitter niet wel is?
Proinde leges priscorum, cum nondum quaestus et ambitio
corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, ut corpora civium essent
valida, robusta, beneque temperata. Ea res partim pendet a nativitate,
partim ab educatione, partim ab exercitamentis, et victus ratione,
nonnihil etiam ab aedificiorum modo.
Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht
nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der
burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt
deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de
opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de
inrichting der woningen.
Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora
jungebant matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui
balnea publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges
sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam
excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum
venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes
fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si
tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum.
De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts
goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat
men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden
en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het
doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën
voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor
de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage
meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen
vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven
visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden.
Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit
administrari.]
Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der
geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]
[Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased):
The text printed in brackets does not appear in the editions of
Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus
(Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of
Erasmus' works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected
edition by Clericus (Leiden 1703).]
[Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes []
geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel
1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook
in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de
eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus' werken van Beatus
Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van
Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]
[_A quaestu._]
Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque
metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit
aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim
ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea.
Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab
Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur.
Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever
afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen
zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te
verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij
geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was
ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat,
zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik
reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door
Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven
belooningen begiftigd zijn.
Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum
servatori capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia
depugnabant? Quid ego nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios,
Albutios, quibus Romae tum apud principem, tum apud populum immodicum
quaestum fuisse refert Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis
aetatibus repetimus, quasi non hodie cuique complures succurrant, quos
haec ars ad Croesi opes evexerit?
Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen,
betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel
duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de
Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat
zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers
ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die
voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet
ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door
dit beroep ware Croesussen zijn geworden.
Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat,
esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina
quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita
rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut
alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis
damnari possit.
Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in
uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst
gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager
inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde
onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij
er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op
ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch
helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den
kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend
kan veroordeeld worden.
Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor
frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum
quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur
viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud
Graecorum proverbium, +to technion hê pasa gê trephei+.
Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld
te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de
Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De
medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld
door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep
meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: "de
geheele aarde voedt het ambacht."
[_Confutatio._]
Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum
esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut
quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum
est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur.
Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier
zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn
verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een
broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat,
om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken.
Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te
ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven,
aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden.