Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van

alle overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen

tijde, gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter

berust het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er

geen ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten

verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat

kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen

heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van

onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?

[_Senectam remoratur ars medicorum._]

Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam

mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum

multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia

senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent

aliquot huius rei testes.

Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan

ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt

hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval

geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de

zoogenaamde "quinta essentia" de gebreken des ouderdoms, als een

kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen;

er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.

[_Totum hominem curat medicus._]

Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit,

imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a

corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se

cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim

corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt.

Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des

menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen

mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar

het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe

verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen

gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar

beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel.

Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae

irae, fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi,

temperandae Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut

si vivere velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a

vitiorum colluvie repurget?

Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot

onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van

droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de

liefde en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met

beter gevolg den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de

medische hulp baat vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel

harer ondeugden?

Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope pharmaceutica bilem

atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri spiritus fulcit,

mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae domicilium sarcit,

totumque animi habitum commutat in melius, nonne per exteriorem, ut

vocant, hominem, et interiorem servat?

Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid,

hetzij door het voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen,

versterkt de verslappende krachten van het hart, ondersteunt de

functies der hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den

verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt

in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg?

Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk

ook den innerlijken?

Qui phreneticum, lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum

restituit, nonne totum restituit hominem? Theologus efficit ut homines a

vitiis resipiscant, at medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere.

Frustra ille medicus sit animae, si jam fugerit anima, cui paratur

antidotus.

Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij,

apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij

niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog

bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning

komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in

staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten,

als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden

is.

Cum impium hominem subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia

quaedam praesentanea pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de

castiganda cogitare vita, hunc qui restituit, alioquin infeliciter in

suis sceleribus sepeliendum, nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab

inferis revocat?

Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming,

beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood

ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan benemen nog vóórdat hij

den tijd heeft, om aan verbetering van zijn levensgedrag te denken,

kan men dan niet van hem, die dezen geneest, welke anders ellendig

onder den last zijner misdaden moest begraven worden, eenigermate

zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk

teruggebracht heeft?

In eum certe locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si

velit, aeternam mortem fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui

suadentem non audiat? Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram

bilem repurgarit?

In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat

hij het nu zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood

te ontkomen. Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als

deze hem niet hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen

bewegen, indien niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid

gezuiverd heeft?

Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab

animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori

illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae

mentis a corporis habitu pendeat.

Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige

deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van

de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en

zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede

geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid

afhankelijk.

Permultos homines infelix corporis temperatura, quam Graeci

modo +krasin+ modo +sustêma+ vocant, velut invitos ac reclamantes, ad

peccandum pertrahit, dum animus insessor frustra moderatur habenas,

frustra subdit calcaria, sed equum ferocientem in praecipitium sequi

cogitur.

Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der

lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer

systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en

terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen

wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de

zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te

volgen.

Animus videt, animus audit sed si oculos occuparit glaucoma, si

aurium meatus crassus humor obsederit, frustra vim suam habet animus.

Odit animus, irascitur animus, at vitiosus humor mentis organa obsidens

in causa est, ut oderis, quem amore dignum judices, irasceris cui nolis

irasci.

De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar

verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt

zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de

ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van

den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw

liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij

niet zoudt willen vertoornd zijn.

Philosophiae summam in hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi

pareant affectus, atque ad eam rem praecipuus est adjutor medicus, hoc

agens ut ea pars hominis vigeat sapiatque, cuius arbitrio geruntur,

quaecunque cum laude geruntur. Si hominis vocabulo censentur indigni,

qui pecudum ritu rapiuntur cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona

ex parte debemus medicis.

Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop

neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen.

En nu is het voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich

hierop toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht

zij, naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze

verricht wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht

worden, die zich evenals de dieren door hun begeerten laten

meesleepen, hebben wij het voor een goed deel aan de geneeskundigen te

danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.

[_Principibus maxime necessarius medicus._]

Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est

beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est

obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum

tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui

sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua

neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit.

Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het

bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe

grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt

bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van

dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote

verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één

zoo'n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: "Gij

raast, o vorst, kom tot bezinning!", als hem niet de arts door zijn

kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven

heeft.

Si Caligulae fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac

venenorum scrinia in perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam

sane causam publica consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes,

ne princeps usquam gentium agat absque medicis. Proinde cordati

principes nulli unquam arti plus honoris habuerunt, quam medicinae.

Quandoquidem Erasistratus (ut reliquos taceam) Aristotelis ex filia

nepos, ob Antiochum regem sanatum, centum talentis donatus est a

Ptolemaeo huius filio.

Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij

in zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en

vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is

het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik

geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben

verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan

de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen),

een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus

door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond.

Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non

tantum ob utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros

benemeritos ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe qui tamquam

beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum nobis et

carissimum largitus est deus, videlicet vitam.

Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer

de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar

ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich

jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet,

namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den

geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als

het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het

beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.

[_A similibus._]

Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse

quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties

debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus.

Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non

magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae

hostibus quotidie depugnat?

Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin

van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij,

mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen

verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd

zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den

vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger

mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden

van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert?

Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere

creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare

possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur

latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam

corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici

beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque

sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis?

Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat

zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon

zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze

beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet

ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven

geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in

dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des

lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de

weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld

bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den

muil des doods terugtrekt?

Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis

animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid

in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid

aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id

servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter

hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia

debetur medico.

Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem,

wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het

leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots

in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke,

op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij

datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen

bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den

geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank

geweten worden.

[_Sanitatis custos medicus._]

Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit

aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere?

Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad

licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat.

Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan

zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf

herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van

ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is,

zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der

geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft.

Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum,

Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his

innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni

morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae

soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum

annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic

iam nunc imaginem quandam exhibere?

Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te

noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius,

Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied

voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner

geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd

of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren,

meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze

wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij

hiernamaals hopen?

[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus,

onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]

Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus

assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium.

Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos

principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum

nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus,

aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe

praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas.

Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze

onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon

sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde

Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook

in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna

allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord,

gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te

beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat

zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben.

Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam

impudenter solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur,

somniantes Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille

infirmitatem vel animi tentationem, vel quod vero propius est,

improborum hominum molestam insectationem appellet. Atque idem ille

Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis recensuit.

Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons

even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte

wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus

aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene

beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen

noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen

geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.

Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et

Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro

medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum,

partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium

facientibus. O nova dignitas medicinae.

Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor

verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich

vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in

quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in

eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde!

Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici

praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non

aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis

Romanus pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo

immanique morbo obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum

episcopatu, aut suo loco restituendum.

Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des

rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De

pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding

na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een

bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke

ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te

hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop.

Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod

faciendum est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc

est artis et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet,

velut ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante.

Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke,

ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet

worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde

eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld

moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij

beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders

eigendom in bezit houdt.

Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e

corporibus humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his

morbis, qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque

vitiant, et adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis

medicis discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut

fertur illorum varia natura,

Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit

menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden,

bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het

eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door

de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door

zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het

duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende

soorten van duivelen bestaan),

qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis

animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei

fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me

patienter audiatis.

die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of

dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft

ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben.

Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden

één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te

willen aanhooren.

[_Exemplum._]

Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste

quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus

in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice

loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus

rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam?

In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd

beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man,

Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van

wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin

bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke

taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit

gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs

niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten

was?

At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus

sibi, teutonice nec loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere

daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat

artem, cui compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in

restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum

ministrae, tum aemulae.

En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te

verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen

sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat

hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot

nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze

duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen

terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze

geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht

ware.

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 5 / 34 段