aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de
noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem
erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven.
Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan
geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.
Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring
van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap
strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen
tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets
oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer
moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel
kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als
wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de
goddelijke genade het dichtst nabij te komen? Naar haar vermogen, wat
is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien
een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar
hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder
welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar
hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het
menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen
zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het
financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest
winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren
heeft.
U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het
voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.
U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst
toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem,
aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt
uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op
meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.
Ik heb gezegd.
* * * * *
* * * *
_Erasmus Roterodamus
D. Henrico Afinio Lyrano
insigni Medico
S. D._
_Erasmus van Rotterdam
aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1]
den voortreffelijken medicus._
[Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).]
Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus
oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae
declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare
medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur.
Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam
mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik
mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over
"den lof der geneeskunde". Terstond besloot ik de niet zeer goede
redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door
Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge
vinden.
Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur
aliud nostra necessitudine dignius.
Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid
jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal
gegeven worden.
Bene vale.
Het ga U wel.
Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.
LEUVEN, den 13den Maart, 1518.
DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.
REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE.
[_Attentio._]
Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus,
hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari
facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est
fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi
satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur
infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit
effugere.
Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en
zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer
verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid
begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik
noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal
weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren
zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal
ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna
goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een
alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord
is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.
[_Propositio._]
Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni
encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium,
admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque
censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem
adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens,
quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas)
Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer
voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een
jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie
van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd
en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe
aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw
gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding
wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven,
medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem,
non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim
modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam
reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere
conspectibus.
de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid
der medische wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te
ontwikkelen, wat een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de
hoofdzaken aanrakende, in het kort te behandelen, en, evenals de
dicht opeengehoopte schatten van een zeer rijke koningin, slechts
vluchtigjes, als het ware achter traliën, aan de blikken der studenten
te vertoonen.
[_Laudandi ratio per comparationem._]
Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino
praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate
commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis
praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam
parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato
more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum
contumelia depraedicare.
Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in
het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan
voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt.
Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo
voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare
vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij
het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen
tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te
doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht
plaatst.
Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne
germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione
maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena
contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum
praestigiis sit attollenda. [Sidenote: +gnômê+.] Mediocrium est
formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari;
res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse.
Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg
zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en
aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver
achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan
verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf
door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet
opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid
kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer
kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in
waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.
[_Dignitas et autoritas medicinae._]
Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non
magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere.
Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam
dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint,
velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius)
singula quosdam inventa deorum numero addiderunt,
In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere
wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons
leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der
geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd,
hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare
uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo
en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten
gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst,
aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut
Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus
aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac
iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto
fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse.
òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd,
zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god
opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik
natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs
ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op
die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren
geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan worden.
[_A difficultate._]
Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis
diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione,
studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne
quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur,
discrimina.
Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid
van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil
in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en
levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden
kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen
van de overige geneesmiddelen;
Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse
prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam
nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in
se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur;
exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam
si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur.
vervolgens, hoevele soorten van ziekten er bestaan, waarvan er
volgens Plinius driehonderd met name zijn overgeleverd, nog
daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, waarvan hij het
oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar eens een voorbeeld
te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts alleen inhoudt; en
zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er dagelijks bijkomen, en
wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge afspraak den strijd
met onze wetenschap hadden aangebonden,
Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt,
tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia.
Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum,
luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso
morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in
corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris,
saepenumero venenum erit, quod in remedium datur.
om nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen
van vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten
gevolge heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet
eens medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling,
val, fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke,
welke gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der
ziekten; indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er
verbonden is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk
moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als
geneesmiddel toedient;
Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive
coloris habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam
observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et
imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile
sit omnes vel oratione prosequi.
terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de dikwijls
bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur beschouwt of
de teekens der urine onderzoekt of den polsslag waarneemt, daar het
den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op toeleggen, om haar
vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; als men dit alles
nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel moeielijkheden op, dat
ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen opsommen.
Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi,
obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac
penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex
omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis
denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia,
atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab
ipsis sideribus petere.
Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig
te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te
onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na
doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten
de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden,
struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de
vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame
geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan
zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren
te ontleenen;
Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi
adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem
universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus homine
maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur?
deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo
moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen en
zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil van
het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het
algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te
zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand
gebracht worden?
Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue
praedicare. Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam
proprium dei munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere,
deo proximum fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos
soli deo proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut
credula, ita gratissima.
Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij geoorloofd
dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te verkondigen. Ik
verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. Immers, hoewel het
schenken van het leven slechts een voorrecht van de godheid is, zoo
moet men toch toegeven, dat dit leven te kunnen beschermen en vast te
houden, als het ons wil ontvlieden, de goddelijke macht zeer nabij
komt. Ofschoon zelfs niet het eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend
aan God toeschrijven, door de ouden aan het gebied der geneeskunde
onttrokken werd, die daardoor wel hun lichtgeloovigheid, maar toch ook
hun groote dankbaarheid toonden.
Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab
Orco in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum,
comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus
catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat,
vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant.
[Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is
"balis".]
Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de
zoon van Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het
leven teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die
gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over wien
reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, van den
brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De
geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een leeuw
en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven
teruggebracht zijn door een kruid, dat "halis"[2] heet.
[Voetnoot 2: In Plinius staat "balis" (Vertaler).]
Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis
est. Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe
(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra
fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit.
Ook getuigt Juba, dat in Afrika door middel van een kruid
iemand weer in het leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om
bekommeren, als er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof
sloegen; toch vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de
geneeskunde, hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid,
tot de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog
buitengewoon is.
Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert
utrum anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in
corpore sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici
suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur?
Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan het leven
teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de godheid
opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden
teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de
kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg
van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en,
reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden?
An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum
servare? Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae
mundanae septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies
complusculos revixerint.
Of komt het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen
herleven of iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En
toch noemt Plinius in het zevende boek van zijn "Historia Naturalis"
zeer velen met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis
gedragen te zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na
verscheidene dagen, weder herleefden.
Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod
quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus,
cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam
verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi
praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum
solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia.
Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven
heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze
wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den
Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch
niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten.
Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt,
als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij
voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen,
diepe onmacht, verlamming en beroerte.
Neque desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla.
Hic qui mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam
revocat, nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus
est? Quot censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum
solertia morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie
mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem
haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi
rationem reperisset?
In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te
vinden. Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst
verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te
allen tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden?
Hoeveel menschen zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog
niet door de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten
en de aard der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven
niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet
geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen
tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden.
Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul et nascens
salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum arti vitam
debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur abortus, dum
mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum pariendi
facultas datur.
Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende
tegelijk met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de
heilzame hulp der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het
leven te danken hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar
door haar een ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der
vrouw de kracht om het zaad te ontvangen en bij zich te houden
verleend en gelegenheid tot baren gegeven wordt.
[Sidenote: +paroimia+]
Quod si vere dictum est illud Deus est juvare mortalem, profecto
mea sententia aut nusquam locum habebit illud nobile Graecorum adagium
+anthrôpos anthrôpou daimonion+, aut in medico fido proboque locum
habebit, qui non juvat modo verum etiam servat. An non igitur
ingratitudine ipsa videatur ingratior, ac ipse prope vita indignus,
qui medicinam alteram secundum deum, vitae parentem, tutricem,
servatricem, vindicem non amet, non honoret, non suspiciat, non
veneretur?
En hoewel er terecht gezegd is: "slechts God kan den mensch
helpen", vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche
spreuk "de eene mensch is de god van den anderen", zoo ergens, hare
toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet
alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder
dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven niet waard, die de
geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster,
behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht
en met bewondering en eerbied tot haar opziet?
Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. Nam reliquis quidem
artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate mortalium omnis
vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus prosperam adesse
valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi medicus ciborum
salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, quam Graeci
diaetam vocant, rationem doceat?