Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan

zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf

herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van

ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is,

zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der

geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. Want waartoe

behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras,

Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen

met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde

zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en

zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het

gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan

honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een

beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen?

Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze

onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon

sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde

Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook

in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna

allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord,

gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te

beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat

zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. Want men moet, naar

ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd

tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar

zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen

leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of,

wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus

heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de

gave der genezing geteld.

[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus,

onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]

Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor

verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich

vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in

quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in

eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! Een

menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af

van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade

verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer

gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop

beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te

lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot

verwijdering of handhaving van den bisschop. Eveneens schrijft de

goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den

raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht,

dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor

zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die

het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die

wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt. Ja zelfs ook zij,

die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen

drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij

die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of

andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de

aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door

zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het

duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende

soorten van duivelen bestaan), die ook door medische behandeling

kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de

schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen

betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering

uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal,

verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren.

In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd

beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man,

Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van

wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin

bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke

taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit

gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs

niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten

was? En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te

verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen

sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat

hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot

nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze

duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen

terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze

geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht

ware. En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten

toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer

voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door

het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke

krachten geacht worden.

Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen

nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was,

goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte

raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde

gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt

immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan

naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en

ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze

Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de

geneeskracht der kruiden. Homerus zelf, zonder tegenspraak de

voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk

melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft

ons immers ook het kruid "moly" beschreven, dat volgens Plinius

het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen

vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft

en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe

gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat "nepenthes" (letterl.

"smarteloos") bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen

heeft, leed en droefenis te verdrijven. Voorts noemt hij dikwijls met

eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze

kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar

zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee

aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren

behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van

alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter

heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep

door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat

één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen. Elders

wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is,

hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de

geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den

geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische

kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde

Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van

goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend

boek over den aard der kruiden achtergelaten. Nu wil ik Plato,

Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar

met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig

bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts

spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer

door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn

wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn

geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een

waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen,

voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende

kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap

gevonden zijn. Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift

zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke

eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar

oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets

zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren

van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de

wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer.

Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen,

geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor

wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende,

zegt, dat "zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel

bevinden", terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat

gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde

bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog

aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen;

niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van

ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de

geneesheer naar vermogen na. Bovendien bezitten ook zij eene

goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel

van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn.

In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de

apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst

hunne gastheeren aan zich te verplichten "door", zoo luiden Zijne

woorden, "hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven".

Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn

voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke

uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover

verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek

de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de

blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde

wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!

[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden,

waarvan het eerste rapha, "genezen" en het tweede el, "goddelijk

wezen" beteekent. (Vert.)]

De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze

wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder

onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!

Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen

valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval

toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden;

hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste,

wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken

vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid

gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van

anderen. En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap

slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun

geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat

gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door

iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de

moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de

kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte

geneesheeren.

Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de

vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En

diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in

tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl

het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in

ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het

land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe

oprechter vriend is echter niet de geneesheer. Evenals de "Seleucides"

genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het

Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne

hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen

vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige

omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin

vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij

waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij,

en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar

als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte

kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven. Zijn zij dan niet

meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een

vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer

kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten?

Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige

ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens

vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend

wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze

afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen

belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te

wegen.

Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het

meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle

uitstekende mannen geleerd worden.

[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste,

plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn.

Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de

daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard

der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen,

dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams

gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben

vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want

wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de

bezitter niet wel is? Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen

heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de

lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren.

Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van

de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van

de inrichting der woningen. De taak van den geneesheer vervulden de

wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten

huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst

nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de

weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen

van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen

spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht

werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te

maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door

aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk

verspreid worden.

Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der

geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]

[Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes []

geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel

1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook

in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de

eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus' werken van Beatus

Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van

Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]

Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever

afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen

zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te

verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij

geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was

ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat,

zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik

reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door

Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven

belooningen begiftigd zijn. Doch welke belooning is dan ten slotte

niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor

welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe

nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie

Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als

onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven

wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen,

alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest

staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden.

Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in

uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst

gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager

inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde

onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij

er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op

ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch

helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den

kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend

kan veroordeeld worden.

Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld

te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de

Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De

medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld

door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep

meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: "de

geheele aarde voedt het ambacht."

Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier

zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn

verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een

broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om

tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit

hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te

ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven,

aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. Een uitstekend

geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den

patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet

erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort

volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone

ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.

Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap

zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook

tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel

de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde,

maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze,

waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen.

Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe,

dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan

ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den

Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie

uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het

menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En

toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming

der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn

krachten onverzwakt behouden heeft.

Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van

straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede

geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet

alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever

de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote

macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid.

Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het

spreekwoord: "wie medisch leeft, leeft ellendig". Alsof het een groot

geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten

door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van

uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog

deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken

van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar

zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen,

vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht

worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze

van Stesichorus hunnen laster herroepen[6]. En toch maakt die goede

wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet

waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een

scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren "dreketers".

Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de

wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven

sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen

eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen

vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen

laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat

het goed handelt, maar een slechten naam heeft.

[Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien

hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door

het dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)]

Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor

geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er

zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die

uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker

dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te

lasteren? Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken

moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den

godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo

heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker

dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij

dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie

niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige

plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. Ook ik wenschte,

dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder

hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: "velen zijn

ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers". Ik wenschte, dat allen

die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep

vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige

woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om

niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al

zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.

Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een

grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput

te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan,

gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der

geneeskunde in het kort samen te vatten.

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 3 / 34 段