omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius
inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non
alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit. Si magni fiunt, quae
summis viris probantur, haec summos reges, haec primates non solum
delectavit, verum etiam illustravit. Si difficilia quae sunt, ea sunt
et pulchra, nihil hac operosius, quae tot disciplinis, tantarum rerum
pervestigatione usuque constat. Si dignitate rem aestimamus, quid
excellentius, quam ad dei benignitatem proxime accedere? Si facultate,
quid potentius aut efficacius quam totum hominem certo exitio periturum
sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque necessarium atque id
sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, quid honestius, quam
servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus neque maior est, neque
latius patet. Si compendio, aut haec in primis frugifera sit oportet,
aut ingratissimi mortales.
Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc
pulcherrimo genere professionis excellere.
Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc
nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes
est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo
mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi.
Dixi.
[Errata noted by Transcriber:
[Sidenote]
Laudandi ratio
_text reads_ Laudandiratio
propter arctissimam amborum inter se cognationem
_text reads_ intet se
[Sidenote]
Honora medicum.
_text reads_ honara
[Sidenote]
+iatros gar anêr pollôn antaxios allôn+
_spelling "iatros" as in original_
Timetheo suo
_spelling as in original_
qui mutatis aedificiis
_text reads_ aedifiiciis ]
* * * * *
* * * *
_Erasmus van Rotterdam
aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1]
den voortreffelijken medicus._
Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam
mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik
mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over
"den lof der geneeskunde". Terstond besloot ik de niet zeer goede
redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door
Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge
vinden.
Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid
jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal
gegeven worden.
Het ga U wel.
LEUVEN, den 13den Maart, 1518.
[Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).]
REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE.
Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en
zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer
verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid
begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik
noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal
weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren
zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal
ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna
goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een
alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord
is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.
Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer
voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een
jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie
van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd
en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe
aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw
gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding
wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven, de
waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der medische
wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te ontwikkelen, wat
een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de hoofdzaken aanrakende, in
het kort te behandelen, en, evenals de dicht opeengehoopte schatten
van een zeer rijke koningin, slechts vluchtigjes, als het ware achter
traliën, aan de blikken der studenten te vertoonen.
Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in
het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan
voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt.
Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo
voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare
vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij
het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen
tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te
doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht
plaatst. Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg
zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en
aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver
achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan
verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf
door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet
opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid
kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer
kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in
waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.
In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere
wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons
leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der
geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd,
hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare
uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo
en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten
gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst,
òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, zooals bij
voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god opnamen en op
dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik natuurlijk niet
goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs ik hun gevoel
en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op die wijze tot
uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren geneesheer nooit
te groote belooning geschonken kan worden.
Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid
van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil
in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en
levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden
kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen
van de overige geneesmiddelen; vervolgens, hoevele soorten van ziekten
er bestaan, waarvan er volgens Plinius driehonderd met name zijn
overgeleverd, nog daargelaten de onderverdeelingen dier soorten,
waarvan hij het oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar
eens een voorbeeld te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts
alleen inhoudt; en zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er
dagelijks bijkomen, en wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge
afspraak den strijd met onze wetenschap hadden aangebonden, om
nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen van
vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten gevolge
heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet eens
medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, val,
fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, welke
gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der ziekten;
indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er verbonden
is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk
moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als
geneesmiddel toedient; terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de
dikwijls bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur
beschouwt of de teekens der urine onderzoekt of den polsslag
waarneemt, daar het den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op
toeleggen, om haar vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden;
als men dit alles nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel
moeielijkheden op, dat ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen
opsommen.
Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig
te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te
onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na
doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten
de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden,
struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de
vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame
geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan
zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren
te ontleenen; deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo
moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen
en zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil
van het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het
algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te
zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand
gebracht worden? Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij
geoorloofd dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te
verkondigen. Ik verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap.
Immers, hoewel het schenken van het leven slechts een voorrecht
van de godheid is, zoo moet men toch toegeven, dat dit leven te
kunnen beschermen en vast te houden, als het ons wil ontvlieden,
de goddelijke macht zeer nabij komt. Ofschoon zelfs niet het
eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend aan God toeschrijven, door de
ouden aan het gebied der geneeskunde onttrokken werd, die daardoor wel
hun lichtgeloovigheid, maar toch ook hun groote dankbaarheid toonden.
Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de zoon van
Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het leven
teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die
gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over
wien reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken,
van den brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De
geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een
leeuw en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven
teruggebracht zijn door een kruid, dat "halis"[2] heet. Ook getuigt
Juba, dat in Afrika door middel van een kruid iemand weer in het
leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om bekommeren, als
er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof sloegen; toch
vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de geneeskunde,
hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, tot
de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog
buitengewoon is. Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan
het leven teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de
godheid opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden
teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de
kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg
van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en,
reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden? Of komt
het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen herleven of
iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En toch noemt
Plinius in het zevende boek van zijn "Historia Naturalis" zeer velen
met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis gedragen te
zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na verscheidene
dagen, weder herleefden.
[Voetnoot 2: In Plinius staat "balis" (Vertaler).]
Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven
heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze
wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den
Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch
niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten.
Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt,
als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij
voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen,
diepe onmacht, verlamming en beroerte. In iederen tijd en bij ieder
volk zijn hier voorbeelden van te vinden. Moet nu niet hij, die
den overrompelenden dood door zijn kunst verdrijft, die het
leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen tijde als een
welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel menschen
zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door de
schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard
der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven niet heden
ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet geboren
zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen tegen de
gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. Ja, reeds
aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk met
het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp
der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken
hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een
ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht
om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid
tot baren gegeven wordt. En hoewel er terecht gezegd is: "slechts God
kan den mensch helpen", vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende
Grieksche spreuk "de eene mensch is de god van den anderen", zoo
ergens, hare toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken
geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij
dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven
niet waard, die de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster,
beschermster, behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief
heeft, hoogacht en met bewondering en eerbied tot haar opziet? Wier
hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle overige
wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde,
gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust
het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen
ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten
verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat
kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen
heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van
onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?
Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan
ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt
hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval
geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de
zoogenaamde "quinta essentia" de gebreken des ouderdoms, als een
kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen;
er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.
Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des
menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen
mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar
het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe
verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen
gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar
beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. Wie spoort
den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot onthouding,
soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van droefheid,
het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde en het
maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg den
zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat
vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden? Hoe
dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het
voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de
verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der
hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den
verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt
in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg?
Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk
ook den innerlijken? Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte,
razernij, apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest,
geeft hij niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug?
De theoloog bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot
bezinning komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek
daartoe in staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer
stichten, als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds
ontvloden is. Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een
verlamming, beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat
onmiddellijk den dood ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan
benemen nog vóórdat hij den tijd heeft, om aan verbetering van zijn
levensgedrag te denken, kan men dan niet van hem, die dezen geneest,
welke anders ellendig onder den last zijner misdaden moest begraven
worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel
uit het schimmenrijk teruggebracht heeft? In ieder geval plaatst hij
hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu zelf in zijn macht
heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. Wat zal de
theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet hooren kan?
Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien niet eerst
de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft?
Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige
deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van
de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en
zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede
geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid
afhankelijk. Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der
lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer
systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en
terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen
wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de
zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te
volgen. De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar
verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt
zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de
ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van
den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw
liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij
niet zoudt willen vertoornd zijn. Plato erkent, dat de gansche
philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan
de rede moeten gehoorzamen. En nu is het voornamelijk de geneesheer,
die daartoe medewerkt, zich hierop toeleggend, dat dit deel van den
mensch krachtig en vol inzicht zij, naar welks goedvinden alles
geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht wordt. Terwijl zij den
naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich evenals de dieren
door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het voor een goed deel
aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.
Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het
bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe
grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt
bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van
dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote
verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één
zoo'n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: "Gij
raast, o vorst, kom tot bezinning!", als hem niet de arts door zijn
kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven
heeft. Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in
zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en
vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is
het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik
geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben
verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan
de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen),
een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus
door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. Ja, ook de
Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende
eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne
onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons
verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het
niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer
goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware
God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en
dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.
Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin
van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij,
mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen
verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd
zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den
vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger
mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden
van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? Wij zien tot
koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig
kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen
dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het
leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij
ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben,
wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij
toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter
bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den
geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door
zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods
terugtrekt? Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar
hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert,
in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er
groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en
dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden,
aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen
zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de
mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den
geneesheer voor alles dank geweten worden.