Isotheres, aisəthîəz, isotheren.
Isotherm, aisəthɐ̂m, isotherm; adj. Isothermal, aisəthɐ̂m’l: Isothermal
lines = isothermen.
Israel, izrə-el, Israël; Israelite, izrəlait, Israëliet; adj.
Israelitish, izraəlaitiš.
Issuance, isjuəns, uitvaardiging, uitgifte.
Issue, išû, isjû, subst. uitstrooming, uitstorting, uitgang, fontanel,
nageslacht, kroost, uitslag, resultaat, uitvaardiging, uitgifte,
uitgave, nummer, uitspraak, geschilpunt; Issue verb. uitstroomen,
uitstorten, afstammen, voortkomen, eindigen, in omloop brengen,
uitgeven, uitvaardigen: Fresh issues are demanding solution now =
geheel nieuwe kwesties; The government was in no danger of being
defeated on that issue = op dat punt; To force an issue = met geweld
een resultaat bereiken; I will join (take) issue with you on that
question = ik wil den strijd met u aanbinden; The question at issue is
too important for me to stay away = het geschilpunt of punt onder
discussie (dat aan de orde is); She died without male issue = zonder
mannelijk oir; To issue a probate = de executeurs machtigen het
testament uit te voeren; Issueless = zonder nakomelingen; zonder
gevolg; Issuer = uitgever; emittent.
Isthmian, is(t)miən, tot eene landengte (speciaal die van Corinthe)
behoorende: Isthmian games = Isthmische spelen; Isthmus, is(t)məs,
landengte.
Istria, istriə, Istrië.
It, it, het (3e pers.): There is not much in it = het heeft niet veel
om het lijf; Claret is not in it = Bordeaux haalt er niet bij, is bij
lange na zoo lekker niet; We had a splendid time of it = een heerlijken
tijd; He does not like me as it is = mag mij toch al niet.
Italian, italj’n, subst. en adj. Italiaan(sch): Italian iron = plooi-
of frizeerijzer; Italian warehouseman = verkooper van delicatessen,
zooals: fijne oliën, macaroni, gedroogde vruchten, etc.; Italianism;
Italianize = als een Italiaan spreken, een Italiaanschen aard geven of
aannemen.
Italic, italik, subst. cursieve letter; adj. cursief: In italics =
cursief (gedrukt); Italicize, italisaiz, cursief drukken.
Italy, itəli, Italië.
Itch, itš, subst. jeuking, schurft; hunkering; Itch verb. jeuken,
hunkeren: He has an itching palm = hij is tuk op een fooi, is licht om
te koopen; He has itching for a drubbing = hij moet noodig een pak
slaag hebben; Itchiness = jeuk, schurftigheid; adj. Itchy.
Item, ait’m, subst. bepaald punt, bijzonderheid, post (v. rekening,
etc.), exemplaar, nieuwsbericht, artikeltje, inlichting (Amer.); Item
verb. afzonderlijk vermelden of noteeren; adv. eveneens: An item of
humanity = een stuk mensch; Item-man = correspondent (Amer.); Itemize =
in bijzonderheden vermelden.
Iterate, itərit, adj. herhaald; Iterate verb. (itəreit) herhalen;
subst. Iteration; adj. Iterative.
Itinerancy, (a)itinər’nsi, rondreis (ambtelijk of voor zaken);
Itinerant, rondreizend of rondzwervend; ook subst. = Itinerant
preacher; Itinerary = rondtrekkend, reis - -; subst. reisbeschrijving,
reisgids, reisplan, route; Itinerate = gebedenboek voor reizende R.K.
geestelijken; rondreizen, rondgaan; Itinerating library = rondgaande.
Its, its, zijn of haar (bez. voornw.); Itself, itself, zichzelf: In its
= op zichzelf; Of its = vanzelf, uit zichzelf.
Ivan, îvân, îvân; Ivanhoe, aiv’nhou.
Ivied, aivid, met klimop begroeid.
Ivory, aivəri, subst. ivoor, olifantstand; ook adj.: Gate of ivory =
poort der droomen (Zie Gate en Horn); Ivory-black = ivoorzwart;
Ivory-carver; Ivory-turner = kunstdraaier; Ivories = tanden,
biljartballen, dobbelsteenen.
Ivy, aivi, klimop: To pipe in an ivy-leaf = zich zoo goed mogelijk
troosten; Ivy-mantled = met klimop begroeid; Ivy-tod = klimopboschje.
Izzard, izəd, Ibex, steenbok.
J.
J, džei; J(udge); J(udge) A(dvocate); Jac(ob); Jan(uary); Jav(anese);
J(esus) C(hrist); J(uris) C(ivilis) D(octor); Jos(eph); Josh(ua) =
Jozua; J. P. = Justice of the Peace = vrederechter; J(unio)r; Jul(y);
Jun(e); Juris(prudence); J-pen = soort v. stalen pen.
Jab, džab, steken; steek: He jabbed his pen-knife into the table.
Jabber, džabə, subst. gekakel, gebabbel; Jabber verb. kakelen,
wauwelen: He was jabbering nonsense by the yard = kraamde heel wat
onzin uit; Jabberer.
Jabers, džabəz: By jabers! = alle duivels!
Jabez, džeibəz.
Jacent, džeis’nt, liggende.
Jacinth, džeisinth, džasinth, hyacint.
Jack, džak, verkleinwoord van John; jongmaatje, bediende, lummel,
snaak, matroos, boer (in het kaartspel), mannetje, man, (jonge) snoek,
halve of vierde pint, bok voor een braadspit, zaagbok, laarzeknecht,
lederen bierhouder, dommekracht, doel (in balspel), prikkel, wig,
vlaggetje, enz.; Jack verb. opschroeven, afschaven: Black jack = een
groote kruik of kan; Cheap jacks were bawling their wares =
standwerkers (= kooplui op een markt); Every (man) jack of them = het
heele zoodje, allen zonder uitzondering; Fresh water jack = nieuweling,
baar; Jack Ketch = de beul; Jack Pudding = Jan Klaassen, hansworst;
Jack Sprat = dreumes, wijsneus; Jack Tar = pekbroek; A good Jack makes
a good Gill = zoo man, zoo vrouw; Before a man can say Jack Robinson =
als de wind; Jack, Tom and Harry = jan en alleman; Jack-a-dandy =
fatje; Jack-all-general = factotum; Jack-at-a-pinch = invaller, behulp,
noodhulp; Jack-by-the-hedge = look zonder look; Jack-in-the-box =
duiveltje in een doosje; Jack-in-the-green = potsierlijk uitgedoste
figuur bij het Meifeest der schoorsteenvegers; Jack-in-office =
belachelijk, gewichtig doend ambtenaartje; Jack-o’-lantern =
dwaallicht; Jack of all trades is of no trade = twaalf ambachten,
dertien ongelukken; Jack-on-both-sides = weerhaan; Jackass =
mannetjesezel; Jackass-rabbit = groote prairiehaas; Jack-block =
bramreepblok; Jack-boots = waterlaarzen, rijlaarzen met een bovenstuk
voor kniebedekking; Jackdaw = kauw of kerkkauw; Jackflag = geus,
boegsprietvlag; Jack-knife = groot knipmes; Jackplane = eerste (en
ruwste) schaaf van den schrijnwerker; Jack-screw = dommekracht;
Jack-staff = geuzestok; Jack-straw = stroopop (fig.); Jacks = een
geduldspel, de stokjes hiervoor; Jack-towel = (grove) handdoek op rol;
Jack-tree = Indische broodboom; Jacky = verkleinw. v. Jack.
Jackal, džakôl, subst. jakhals; handlanger, verklikker; adj. gemeen.
Jackanapes, džakəneips, aap, brutaaltje.
Jackaroo, džakərû, nieuweling, baar (Australië).
Jacket, džakət, subst. buis, jekkertje, omhulsel, mantel, vel, pels,
huid; Jacket verb. met een jacket bekleeden, of “wat op ’t jak geven”:
Potatoes boiled in their jackets = ongeschild gekookt; They are hardly
out of jackets = hebben pas eene lange broek aan; To dust (thrash,
trim) a person’s jacket = een pak slaag geven; He got a sound jacketing
= zijn buis werd flink uitgeklopt (fig.).
Jacob, džeikəb, Jacob: Jacob’s ladder, speerkruid; touwladder met
houten sporten; Jacob’s membrane = buitenste vlies van de retina;
Jacob’s staff = krukstok, pelgrimsstaf, ijzeren voet van een instrument
voor het meten van hoogten en afstanden; Jacobean, džakəbîən, uit den
tijd van James I; Jacobin, džakəbin, subst. Dominikaner; Jacobijn; adj.
Jacobijnsch; Jacobite, džakəbait, aanhanger van Jacobus II en diens
zoon; Jacobus, džəkoubəs, gouden munt van 25 sh. uit den tijd van Jac.
II.
Jaconet, džakənet, jaconnet.
Jacquard, džəkâd, džakəd: Jacquard loom = Jacquard weefgetouw.
Jacqueline, džak(w)əlin; Jacques, džakwəs, džeikwîz.
Jaculator, džakjuleitə, spuitvisch; Jaculatory prayer = schietgebedje.
Jade, džeid, subst. (oude) knol, soort v. stier, oud wijf, wildzang,
slet; nephriet, bittersteen; Jade verb. verachten, voor den gek houden,
afjakkeren; Jadish, Jady = weerspannig, slecht, liederlijk.
Jag, džag, subst. kerf, tand, prikkel, uitstekende punt; pak, vracht,
hoeveelheid koren, stroo, etc., stuk in den kraag; Jag verb. kerven,
tanden: Jagged (= Jaggy) = getand, met kepen, met schaarden, scherp;
subst. Jaggedness; Jagger = getand wieltje of rolletje = Jagging-iron.
Jagg(h)e(r)ry, džagəri, soort v. Oost-Ind. palmboom =
Jagg(h)e(r)ry-palm.
Jaguar, džagwâ, džagjuâ, džagwâ, jaguar.
Jah, džâh, Jehova.
Jail, džeil, gevangenis, kerker; Jail verb. kerkeren; Jail-bird = boef;
Jail-fever = (typheuse) hospitaalkoorts; Jailer = cipier.
Jake, džeik, Jaap.
Jalap, džaləp, džoləp, jalappe.
Jalouse, džəlûz, verb. verdenken.
Jalousie, Fr. uitspr., jalouzie.
Jam, džam, subst. gelei, iets zoets (liefs), snoes; iets
voortreffelijks; gedrang, opstopping; titel van sommige Br.-Ind.
hoofden; soort v. mousseline, kinderjurk; Jam verb. duwen, drukken,
neer- of indrukken, fijn maken, klemmen, knellen: The lid jammed a
little = het deksel knelde; The cartridge is jammed = zit vastgekneld.
Jamaica, džəmeikə, Jamaica (rum).
Jamb, džam, stijl van deur of raam, etc.
Jambok, džambok, lange zweep van nijlpaardenhuid (Z.-Afr.).
Jamboree, džambərî, gloeiende fuif.
James, džeimz; Jameson, džeims’n; Jamieson, džeimis’n.
Jampan, džampan, door vier mannen gedragen draagstoel (Japan);
Jampanee, džampənî, draagstoeldrager.
Jane, džein, Janna, Jaantje; Janet, dženət, Jansje.
Jangle, džaŋgl, subst. gekibbel, geharrewar, geratel, wanklank; Jangle
verb. kibbelen, onaangenaam klinken, ontstemmen; Jangler.
Janitor, džanitə, portier, custos.
Janizary, džanizəri, janizəri, Janitschaar (soldaat van een in 1826
ontbonden Turksche garde).
Jansenism, džansənism, Jansenisme; Jansenist = Jansenist; adj.
Jansenistisch.
January, džanjuəri, Januari: Not till a hot January = met St. Juttemis.
Janus, džeinəs, Janus; Janus-cloth = stof aan twee kanten gelijk.
Jap, džap, (verkorting van Japanese), Japanees; jongleur, goochelaar,
enz.
Japan, džəpan, subst. Japan; lak, verlakt werk; Japan verb. lakken,
poetsen; Japanese, džapənîz, džapənîs, subst. en adj. Japanees(ch);
Japanner, džəpanə, verlakker; schoenpoetser.
Jape, džeip, subst. scherts, streek, aardigheid; Jape verb. schertsen,
uitlachen, bespotten, bedriegen, eene poets bakken.
Japheth, džeifəth; adj. Japhetic.
Japish, džeipiš, grappig; subst. Japishness.
Japonica, džəponikə, Japansche kwee.
Jar, džâ, subst. flesch, kruik, pot; knarsend, ratelend geluid,
wanklank, oneenigheid, kier; Jar verb. knarsen, krassen, onaangenaam
treffen, in schelle tegenstelling zijn met, twisten, kijven, doen
trillen, verontrusten: The door is on the jar = ajar = op een kier; It
jars on my ears = het doet mijn ooren pijn; That does not jar with the
surroundings = strijdt niet tegen, harmonieert met.
Jarde, džâd, hazenspat aan den poot van een paard.
Jardiniere, Fr. uitspr., jardinière.
Jargon, džâg’n, subst. brabbeltaal, gewauwel, dieventaal; Jargon verb.
koeterwaalsch praten = Jargonize.
Jargonelle, dzâgənel, soort v. vroege peer.
Jarl, jâl, edele, hoofdman.
Jarv(e)y, džâvi, huurkoetsier, huurrijtuig.
Jasey, džeizi, sajetten pruik, kalotje.
Jashawk, džas-hôk, jonge havik.
Jasmin(e), džasmin, jasmijn.
Jason, džeis’n; Jasper, džaspə, Jasper; jaspis.
Jaundice, džândis, džôndis, geelzucht, nijd; Jaundice verb. geelzuchtig
maken, met afgunst vervullen; Jaundiced = geelzuchtig, afgunstig.
Jaunt, džânt, džônt, subst. zwerftochtje, uitstapje, rijtoertje; Jaunt
verb. rondzwerven, een uitstapje maken; Jauntiness, subst. v. Jaunty =
opgewekt, lustig, zwierig, elegant; Jaunting-car, džântiŋ-kâ, Iersch
karretje met twee banken overlangs.
Java, džâvə, Java(koffie); Javanese, džavənîz, džavənîs, subst. en adj.
Javaan(sch).
Javelin, džavəlin, werpspies; Javelin-man = speerdrager.
Jaw, džô, subst. kaak, mond, gekakel, brutaliteit, grove scherts,
scheldwoorden, twist; Jaw verb. kakelen, kletsen, een grooten mond
(bek) opzetten, uitschelden: We were rescued from the jaws of death =
uit de kaken des doods; It is too crack-jaw a name = een te moeielijk
uit te spreken; Jaw-bone; Jaw-breaker = moeielijk uit te spreken woord;
Jaw-lever, instrument om den bek van vee voor het inbrengen van
medicijn te openen; Jaw-tooth = maaltand.
Jay, džei, Vlaamsche gaai; praatjesmaker, lichtzinnig meisje, domkop.
Jeaffreson, džefəs’n.
Jealous, dželəs, jaloersch, bezorgd, wantrouwend, zeer gesteld op: I am
jealous of any one disturbing my books = bang, dat ...; Jealousy =
jaloerschheid, argwaan, bezorgdheid.
Jeames, džîmz, lakei (verbast. van James); Jean, džîn.
Jean, džein, gekeperde katoenen stof.
Jedburgh, džedbərə.
Jeejee, džidžî, “huuthuutpaardje” (kindertaal).
Jeer, džîə, subst. hoon, spot; Jeer verb. bespotten, schimpen op.
Jefferson, džefəs’n; Jeffrey, džefri, Godfried, Govert: Jeffreys,
džefriz; Jehovah, džihouvə, Jehova.
Jehu, džîhjû, koetsier (2 Koningen IX, 20).
Jejune, džədžûn, schraal, dor; nuchter; subst. Jejuneness.
Jekyll, džekil, džîkil.
Jell, džel = Jellify = tot gelei maken of worden; Jelly, dželi, subst.
gelei; Jelly verb. = Jellify; I’ll beat you to a jelly = ik zal je tot
mosterd slaan; Jelly-fish = kwal; A tin jelly-mould = vorm.
Jem, džem, Koos; Jemima, džəmaimə.
Jemadar, Jemidar, džemidâ, inlandsch luitenant; politiebeambte,
opzichter (Indië).
Jemmy, džimi.
Jemmy, džemi, džimi, subst. kort breekijzer, gebraden schaapskop;
(over)jas; adj. keurig, netjes.
Jennet, dženət, genet, Spaansch paardje.
Jenneting, dženətiŋ, soort v. vroege appel.
Jenny, dženi, džini, spinmachine; stoot waarbij men zijn eigen bal
stopt; Jenny-ass = ezelin; Jenny-wren = winterkoninkje.
Jeopard, džepəd, op ’t spel zetten, wagen; Jeoparder = waaghals;
Jeopardize = To jeopard; Jeopardous = gewaagd, gevaarlijk; Jeopardy =
gevaar, waagstuk.
Jephthah, džeftə.
Jereed, džərîd = Jerid.
Jeremiad(e), džerəmaiəd, klaaglied, Jeremiade; Jeremiah, džerəmaiə;
Jeremy, džerəmi.
Jericho, džerikou: I wished him at Jericho = ik wou dat hij op de
Mookerhei zat.
Jerid, džərîd, werpspies.
Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige
beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; Jerk verb.
plotseling rukken, schudden of stooten, krampachtig trekken; vleesch in
lange reepen snijden en in de zon drogen; Jerked beef; Jerky = met
rukken, krampachtig, ongeduldig.
Jerkin, džɐ̂kin, nauwsluitend buis of jekkertje.
Jeroboam, džerəbouəm, wijnflesch v. 10 à 12 quarts; Jerome, džer’m,
džiroum.
Jerry, džeri: Jerry-builder, Jerry-building = revolutiebouw(er): That
book is a piece of jerry-building = is slecht in elkaar gezet, is
knoeiwerk; Jerry-shop = kroeg; Jerry-sneak = pantoffelheld;
zakkenroller.
Jersey, džɐ̂zi, fijn gesponnen wol; nauwsluitende sporttrui (voor
roeiers enz.).
Jerusalem, džərûsəlem; Jervis, džɐ̂vis, džâvis; Jesaiah, džəzeijə.
Jess, džes, leeren riem aan den poot van valken; Jess verb. vastbinden.
Jessamine, džesəmin. Zie Jasmine.
Jesse, džesə, groote koperen kerkkroon = Jesse candlestick.
Jest, džest, subst. scherts, boert, mikpunt van spotternij; Jest verb.
schertsen, bespotten: It was but said in jest = maar schertsend; He
can’t take a jest = kan geen scherts verdragen; Jester = schertser,
nar; Jesting apart! = alle gekheid op een stokje!
Jesuit, džežuit, Jezuiet; Jesuits’ bark = bruine kinabast;
Jesuitic(al), džežuitik(’l), jezuietisch; Jesuitism, džežuitizm =
Jesuitry, džežuitri, Jezuietisme.
Jesus, džîžəs, Jezus: Jesus! What a sight!
Jet, džet, subst. straal; git; Jet verb. uitwerpen, uitstralen,
uitspuwen; uitspuiten; Jet-black = gitzwart; Jetty = gitachtig.
Jetsam, Jetsom, džets’m, overboordgeworpen goederen, strandgoed.
Jettison, džetis’n, goederen overboord werpen: To make jettison = uit
nood overboord werpen.
Jetty, džeti, klein havenhoofd, pier (Zie Jet); Jetty-head = kop van
een havenhoofd.
Jew, džû, Jood; Jew-baiting = jodenvervolging; Jew’s-eye, Jewess’-eye =
iets van groote waarde; Jew’s harp, (Jew’s trump) = mondharp; Jew’s
poker = “sjabbesgojje”, een Christen meisje, dat op Sabbath vuur en
licht onderhoudt; Jew-thrift = het zoeken van eigen grootheid; Jewess =
jodin; Jewish = joodsch; Jewry = Judea, jodenbuurt, jodendom.
Jewel, džûəl, subst. juweel (ook fig.), kleinood, steen (in uurwerk);
Jewel verb. met juweelen versieren, steenen aanbrengen: A watch
jewel(l)ed in nine holes = op negen steentjes loopend; Jewel-case =
juweelkistje; Jeweller, džûələ, juwelier; Jewel(le)ry, juweelen,
juwelierswerk.
Jezebel, džezəbel, booze, brutale, schaamtelooze vrouw.
Jib, džib, subst. kluiver (zeil), kraan, balk, schichtig paard, smoel;
Jib verb. schichtig worden, zijwaarts of achteruit springen (van
paarden), achteruit krabbelen; Jib-boom = kluiverboom; Jibber =
schichtig paard.
Jibe, džaib. Zie Gibe en Jib (verb.).
Jiffy, džifi: In (half) a jiffy = in een wip.
Jig, džig, subst. levendige dans, hupsasa, danswijsje; poets, streek;
kolenwip; Jig verb. een jig dansen of spelen, vedelen, op en neer
bewegen met korte rukjes, ziften, bedriegen; Jig-a-jig = Jig-a-jog =
rukkende of stootende beweging; ook adv. en verb.; Jig-maker =
grappenmaker.
Jigger, džigə, danser, biljartbok, ertszeef, ertszifter,
pottebakkerswiel, rijwiel (plat).
Jiggle, džig’l, (doen) wiegelen, heen en weer trekken, spartelen.
Jilt, džilt, subst. coquette; valsche sleutel; Jilt verb. coquetteeren,
de bons geven, laten zitten.
Jim, džim, Jaap; Jim Crow, titel van een negerliedje en dans; in
samenst. neger-; Jim Crow car = wagon voor negers.
Jimcrack(ery), džimkrakəri. Zie Gimcrack(ery).
Jimmy, džimi. Zie Jemmy.
Jimp, džimp. Zie Gimp.
Jingle, džing’l, subst. gerinkink, geklingel, rijmelarij, overdekte
Iersche of Australische tweewielige kar; Jingle verb. rinkinken,
rinkelen, klingelen, rijmelen: He is a jingle-brains = warhoofd,
lichtzinnig heer; Jingling pianos = rammelkasten; To jingle glasses =
klinken.
Jingo, džingou, chauvinist, oorlogzuchtige Tory (die de partij der
Turken wou kiezen in 1877–1878, zoo genoemd naar de in ’t refrein van
een café-chantant liedje uit dien tijd voorkomende uitdrukking: By
Jingo = bij alle goden, voor den drommel); ook adj.; Jingoism = de
gevoelens der Jingo’s.
Jinks, džiŋks: High jinks = Oud Schotsch gezelschapsspel; fuif; At high
(On the high) jinks = erg vroolijk zijn; It was high (grand) jinks =
het was een “reuzen-pan”; To cut high jinks, To hold high jinks =
luidruchtig fuiven.
Jinn(ee), džin(î), booze geesten (Mahomed. mythologie); enkelv. Jinnee,
džinî.
Jinricksha, džinrikšə, jinrikscha (Brit. Ind. wagentje).
Jiujitsu, jûjitsu, Japansch worstelen.
Joachim, džouəkim; Joan, džoun, džə-an, Johanna.
Job, džoub, Job: Job’s comfort = schrale troost; Job’s news; Job’s post
= Jobsbode; As poor as Job = doodarm; Jobation = strafpredikatie.
Job, džob, subst. karwei, baantje, werkje, zaakje (in ongunst. zin),
knoeierij; por; ook adj. Job verb. karweitjes doen, aannemen of
aanbesteden, verhuren, speculeeren, koopen in ’t groot en weer in ’t
klein afzetten; scharrelen, in een betrekking schuiven, een por geven,
pikken: That’s a good Job = gelukje, meevallertje; A bad job = een
leelijk geval; beroerde boel; He did the job for the ruffian = hij
doodde den schurk; By the job = bij aanneming; Job-goods = koopjes,
rommel; Jobmaster = verhuurder van paarden en rijtuigen; Job-printer =
drukkersgezel (voor een bepaald werk aangewezen); Jobber = iemand die
op stuk werkt, detailverkooper, effectenhandelaar, beursspeculant,
paard- en rijtuigverhuurder, knoeier; Job-bery = knoeierij,
wisselruiterij; Jobbing: Jobbing-house = drukkerij (van allerhande
drukwerk, maar geene couranten of boeken); Jobbing-tailor = lapper,
versteller.
Jocelyn, džosəlin, Just.
Jock, džok, jockey: Gentleman jock = heerrijder; Jockey, džoki, subst.
jockey, pikeur; bedrieger; Jockey verb. bedriegen; tegenaan rijden (bij
wedrennen); verdringen, zich op oneerlijke wijze bevoordeelen: Lewis
XIV jockeyed his grandson on to the throne of Spain = hielp door
allerlei intrigues; Jockeyism = rijkunst; praktijken der jockeys =
Jockeyship.
Jocose, džəkous, grappig, boertig, amusant; subst. Jocoseness =
Jocosity.
Jocular, džokjulə, snaaksch, grappig; Jocularity, džokjulariti,
snaakschheid, grappigheid.
Jocund, džok’nd, džouk’nd, blijde, vroolijk, opgewekt; Jocundity,
džəkɐnditi = Jocundness = vroolijkheid.
Joe, džou = Joseph, John; een fourpenny stuk, en = Joe Miller = oude
“mop”, een uit den Enkhuizer; Not for Joe = Not for Joseph.
Jog, džog, subst. stootje, sukkeldraf; Jog verb. zachtjes aanstooten,
vooruitstooten, heen en weer loopen, horten, sukkelen: Shall I jog your
memory for you? = opfrisschen, wakker schudden; I am jogging = ik ga er
van door; Jog-trot, subst. sukkeldrafje; routine; adj. eentonig,
vervelend.
Joggle, džog’l, waggelen, rammelen, tegen elkaar stooten, inkepen.
John, džon, Jan, Johannes; St. John the Baptist = Johannes de Dooper;
John Bull = de Engelsche natie; John Company = de Oost-Ind. Compagnie;
John Dory, džondôri, zonnevisch, St. Pietersvisch.
Johnny, džoni, verkleinw. van John; vent, enz.: He is a soft Johnny =
een groote sul; Johnny cake = maïskoek (Amer.); Amerikaan (Amer.);
Johnny Crapaud, džonikrəpou, de Fransche natie; Johnny Raw = recruut,
landrot; The Head Johnnies in the Primrose League = kopstukken.
Johnson, džons’n: Johnsonese, džonsənîz, džonsənîs, klassieke, deftige
stijl van Dr. Johnson (1709–84); Johnston(e), džonst’n.
Join, džôin, vereenigen, verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij,
lid worden van, instemmen, overeenstemmen, grenzen aan, samengaan,
enz.; subst. verbinding, verbindingsplaats: Will you join us? = doet
(of gaat) ge mee met ons, kom je bij ons zitten? To join battle =
slaags raken; To join hands with = de hand reiken, bijstaan; I have
joined interests with him = mijne belangen met de zijne verbonden; He
joined the majority = stierf; To join a ship = aan boord gaan, zich
inschepen; Shall we join tables? = de tafels aan elkaar zetten? I did
not join with him = was het niet eens; Joinder = vereeniging van twee
zaken in een proces (Jur.) = Joinder of action; Joiner = schrijnwerker;
Joinery = schrijnwerkersvak of -beroep.
Joint, džôint, verbinding, aanknoopingspunt, gewricht, knoop,
scharnier, dwarsspleet; groot stuk vleesch; adj. vereenigd, verbonden,
gezamenlijk, solidair; Joint verb. vereenigen; in joints verdeelen: Out
of joint = uit het lid, uit de voegen, in wanorde (Zie Nose); Joint and
several = allen zonder onderscheid; On joint account = voor
gezamenlijke rekening; Joint-gout = gewrichtsrheumatiek; Joint-heir =
mede-erfgenaam; Joint-stock = maatschappelijk kapitaal: Joint-stock
company = maatschappij op aandeelen; Joint-stock Bank = commandite
bank; Joint-stool = vouwstoel; Joint-tenancy = medebezit; Joint-tenant
= medebezitter; Jointer = lange schaaf, reeschaaf; Jointing-plane =
reeschaaf; Jointing-rule = winkelhaak.
Jointure, džôintjə, subst. goederen vastgezet op eene vrouw bij haar
trouwen, om de opbrengst ervan na mogelijk overlijden van haar man te
genieten; Jointure verb, vastzetten op.
Joist, džôist, subst. dwarsbalk; Joist verb. van dwarsbalken voorzien.
Joke, džouk, subst. scherts, grap, kwinkslag; Joke verb. schertsen,
plagen: A practical joke = ruwe grap, kwajongensstreek; Small jokes =
flauwe grappen; It was above a joke = om je ziek te lachen; In joke =
uit de grap, schertsend; That’s past a joke = dat gaat te ver; To bear
(take) a joke = scherts verstaan; To pass (put) a joke upon = een poets
bakken; He can’t realise a joke = niet snappen; He would not see the
joke; You have worn that old joke nearly off its legs = die mop is al
heel afgezaagd; He joked me good-naturedly = plaagde; Joker =
grappenmaker; vent; troef kaart; Joking apart = alle gekheid op een
stokje.
Jole, džoul. Zie Jowl.