vóórletter; Initial verb. met zijn initialen teekenen (borduren),
parafeeren; Initiate, inišiit, nieuw...; nieuweling, ingewijde; verb.
(inišieit), inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden;
Negotiations on the lines initiated at Bloemfontein = onderhandelingen
in de lijn der voorloopige besprekingen te B; subst. Initiation;
Initiative = inleidend; subst. eerste stap, begin, initiatief: To take
the initiative in; Initiatory = inleidend, inwijdend.
Inject, indžekt, inspuiten, inbrengen; subst. Injection: Inject-cock =
injector; Inject-pipe; Inject-syringe = injectiespuitje; Injector =
injector.
Injudicious, indžudišəs, onoordeelkundig, onverstandig; subst.
Injudiciousness.
Injunct, indžɐŋkt, uitdrukkelijk verbieden, inscherpen; Injunction =
opdracht, bevel, rechterlijk verbod: To give strict injunctions to = To
lay strong injunctions upon a person = iemand op het hart binden.
Injure, inžə, onrecht doen, verongelijken, krenken, benadeelen,
kwetsen; Injurer; Injurious, indžûriəs, nadeelig, schadelijk, krenkend;
subst. Injuriousness; Injury, inžəri, onrecht, schade, beleediging,
krenking, verwonding: He is detained by an injury to his leg = door
eene wond aan zijn been.
Injustice, indžɐstis, onrecht(vaardigheid).
Ink, iŋk, subst. inkt; Ink verb. zwart maken, met inkt besmeren;
Ink-bag = inktblaas (bij visschen); Ink-blot = vlek; Ink-bottle =
inktflesch; Ink-eraser = inktgomelastiek; Ink-fish = inktvisch;
Ink-holder = reservoir; Ink-lines = gelinieerd blad; Ink-slinger =
broodschrijver, journalist (Amer.); Inkstand = inktkoker, inktstel;
Ink-stone = inktsteen; Inkiness = inktachtigheid, zwartheid; Inking:
Inking-ball = drukbal; Inking-pad = inktkussen; Inky = inktachtig,
zwart; Inkyburn = de Hel: I wished him at Inkyburn = ik wou, dat hij op
de Mookerhei zat.
Inkle, iŋk’l, breed lint, soort sajet.
Inkling, iŋkliŋ, wenk, flauw idee (van): He has an inkling of it = hij
weet er iets van; I gathered an inkling of their project = kreeg er de
lucht van.
Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken.
Inknot, in-not, met een knoop vastmaken.
Inland, inland, binnenlandsch: Inland duty = accijns; Inland navigation
= binnenscheepvaart; Inland revenue = binnenlandsche rechten; Inland
sea = binnenzee; Inland town = landstad, binnenl. stad.
Inlay, inlei, inlei, subst. mozaïek, fineerhout; Inlay verb. inlei,
inleggen, met mozaïek versieren; Inlaid, inleid; predikatief: inleid: A
mother-of-pearl inlaid desk = met paarlemoer ingelegde.
Inlet, inlet, ingang, baai, inham.
Inly, inli, innerlijk: Man’s conscience is an inly-written law =
innerlijke, in zijn binnenste geschreven; He chuckled inly = lachte in
zich zelf.
Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot, bewoner: The carriage was
crumbled up, and most of the inmates killed = inzittenden.
Inmost, inmoust, binnenste, geheimste.
Inn, in, subst. herberg; college van rechtsgeleerden en studenten: Inns
of Chancery = opleidingsschool voor de studenten in de rechten (in
vroeger tijd); Inns of Court = 4 colleges: Inner en Middle Temple,
Lincoln’s en Gray’s Inn, waar de aanstaande juristen hunne opleiding
tot barrister ontvangen, examens afleggen en later vaak hunne bureau’s
(Chambers) hebben; Inn-keeper = herbergier.
Innate, in-neit, in-neit, ineit, in- of aangeboren: Innate ideas =
aangeboren begrippen; subst. Innateness.
Inner, inə, meer naar binnen gelegen, innerlijk, binnen ...: The inner
man = inwendige mensch, maag; The inner office = kantoor van den chef;
That’s an inner = een mooi schot; He has made an inner = hij heeft in
de roos (behalve de “witte”) geschoten; Innermost = binnenste.
Innervate, inɐ̂veit, prikkelen; Innervation = zenuwprikkeling
(versterking); Innerve = sterken.
Inning, iniŋ: Innings = aangeslibd land; beurt om te spelen (bij het
cricket), gelegenheid, kans: To have one’s innings = “aan slag” zijn
(fig.); He had a long innings = prachtige gelegenheid.
Innocence, inəsens, onschuld, onnoozelheid; Innocent = onschuldig;
Innocentius: You needn’t do the innocent with me = je van den domme
houden; Massacre of the Innocents = Innocents’ Day = 28 December (Zie
Matth. II, 16).
Innocuous, in-nokjuəs, onschadelijk; subst. Innocuousness.
Innominate, in-nominit, naamloos: Innominate bone = schaambeen.
Innovate, inəveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen;
subst. Innovation; Innovative = verzot op ’t invoeren van nieuwigheden;
Innovator.
Innoxious, in-nokšəs, onschadelijk; subst. Innoxiousness.
Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling.
Innumerability, in-njumərəbiliti, subst. v. Innumerable, in-njûmərəb’l,
ontelbaar, talloos = Innumerous.
Innutritious, injutrišəs, niet voedzaam = Innutrative.
Inobservance, inobzɐ̂v’ns, Inobservancy, subst. v. Inobservant,
inobzɐ̂v’nt, achteloos.
Inoccupation, inokjupeiš’n, gebrek aan bezigheid, werkeloosheid.
Inoculate, inokjuleit, enten, inenten; subst. Inocculation.
Inoffensive, inofensiv, onschadelijk, argeloos; subst. Inoffensiveness.
Inoperative, inopərətiv, zonder uitwerking.
Inopportune, inopətjûn, ongelegen, ontijdig; subst. Inopportunity.
Inordinate, inödinit, ongeregeld, buitensporig: To keep inordinate
hours = ongeregeld opstaan en te bed gaan.
Inorganic(al), inöganik(’l), onbewerktuigd.
Inosculate, inos’kjuleit, inmonden van aderen; nauw verbinden; in nauw
verband staan.
In-patient, in-peiš’nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.).
Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner’s inquest = gerechtelijke
lijkschouwing.
Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.
Inquire, inkwaiə, vragen, onderzoeken: Inquire after him = informeer
naar; He inquired into the matter = onderzocht; Inquire within =
informatiën hier te verkrijgen; Inquirer; Inquiring look = vorschende,
vragende blik; Inquiry, inkwairi, vraag, onderzoek, navraag: Writ of
Inquiry = rechterlijk bevel ter vaststelling van het bedrag eener
schadeloosstelling; To make inquiries = onderzoek doen; Inquiry-office
= informatiebureau; Inquisition, inkwiziš’n, onderzoek, inquisitie,
gerechtelijk onderzoek; Inquisitive, inkwizitiv, onderzoekend,
nieuwsgierig; subst. Inquisitiveness; Inquisitor, inkwizitə, rechter
met het onderzoek belast, inquisiteur; Inquisitorial, inkwizitôriəl,
streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende.
Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk: To make an inroad upon =
inbreuk maken op.
Inrush, inrɐš, inval, binnendringen.
Insalubrious, insəl(j)ûbriəs, ongezond; subst. Insalubrity,
insəl(j)ûbriti.
Insane, insein, krankzinnig, dol; subst. Insaneness = Insanity,
insaniti.
Insatiability, inseišəbiliti, subst. v. Insatiable, inseišəb’l,
onverzadelijk; Insatiate, inseišit, onverzadelijk, onverzadigd.
Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen, wijden, inprenten
(Inscribe on the memory), beschrijven; Inscriber; Inscription =
opschrift, opdracht, onderschrift; Inscriptive = van een opschrift
voorzien.
Inscrutability, inskrutəbiliti, subst. v. Inscrutable, inskrûtəb’l,
onnaspeurlijk; subst. Inscrutableness.
Insect, insekt, subst. insect; adj. als van een insect, klein,
verachtelijk: Insect-powder; Insecticide, insektisaid, praeparaat om
insecten te dooden; Insectivora, insektivərə, insecten-etenden;
Insectivorous, insektivərɐs, insectenetend.
Insecure, insəkjûə, onveilig; subst. Insecurity, insəkjûriti.
Insensate, insensit, gevoelloos, zinneloos, onzinnig.
Insensibility, insensibiliti, subst. v. Insensible, insensib’l,
onmerkbaar, ongevoelig, niet bewust, onverschillig, bewusteloos:
Insensible of danger, Insensible of pain, Insensible to shame;
Insensibly = onmerkbaar, langzamerhand; Insensitive = ongevoelig (to);
Insensient = gevoelloos.
Inseparability, insepərəbiliti, subst. v. Inseparable, insepərəb’l,
onscheidbaar, onafscheidelijk; subst. Inseparableness; Inseparate =
onscheidbaar (from).
Insert, insɐ̂t, opnemen, invoegen; Insertion, insɐ̂š’n, plaatsing of
opneming (Amer. = Insert), inlassching, tusschenzetsel.
Inset, inset, inzetten, inleggen; Inset = het ingezette, ingezet blad.
Insheathe, inšîdh, in de scheede steken.
Inshore, inšö, nabij of aan de kust, naar de kust toe.
Inside, insaid, insaid, subst. binnenkant, binnenste, inhoud, passagier
binnenin; adj. insaid, aan den binnenkant, inwendig, binnen: To turn
inside out = binnenste buiten; Inside callipers = bolpasser; Insider,
insaidə, ingewijde.
Insidious, insidjəs, verraderlijk, sluw, arglistig; subst.
Insidiousness.
Insight, insait, inzicht, begrip.
Insignia, insigniə, onderscheidingsteekenen.
Insignificance, Insignificancy, insignifik’ns(i), onbeteekenendheid;
adj. Insignificant.
Insincere, insinsîə, onoprecht, huichelachtig; subst. Insincerity,
insinseriti.
Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of
plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They
insinuated the pony among carts and baskets; She insinuated herself
into her mother’s favour; Insinuating, insinjueitiŋ, kronkelend,
inpakkend, vleierig; Insinuation = vleiend op- of indringen;
insinuatie; Insinuative = insinueerend, inpakkend; Insinuator.
Insipid, insipid, laf, smakeloos; subst. Insipidity, insipiditi.
Insist, insist, aandringen, staan op, blijven bij: This need hardly be
insisted on = hierover behoeven we niet uit te weiden; Insistence
(Insistance) = halstarrigheid, aandrang; adj. Insistent.
Insnare, insnêə, verstrikken, verleiden; Insnarer.
Insobriety, insəbraiiti, onmatigheid.
Insociable, insoušəb’l, ongezellig.
Insolence, insəlens, onbeschaamdheid; adj. Insolent.
Insolubility, insoljubiliti, subst. v. Insoluble, insoljub’l,
onoplosbaar, onverklaarbaar.
Insolvency, insolv’nsi, staat van onvermogen; Insolvent, insolv’nt,
subst. en adj. onvermogend(e), insolvent.
Insomnia, insomniə, slapeloosheid.
Insomuch, insoumɐtš, voor zooverre, zóó dat.
Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal).
Inspect, inspekt, inspecteeren, het opzicht houden over; Inspection,
inspekš’n, nauwkeurig onderzoek, opzicht: For your kind inspection =
ter inzage; Inspector = inspecteur; Inspectorate = Inspectorship =
opzienerschap, inspectie (-district).
Inspiration, inspireiš’n, inademing, ingeving, inspiratie;
Inspirational = geinspireerd, inspireerend; Inspirationist = iemand die
gelooft dat ieder woord van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven;
Inspiratory, inspairətəri, inspirətəri: Inspiratory muscle = longspier;
Inspire, inspaiə, inademen, ingeven, inboezemen, bezielen.
Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mededeelen, opwekken, moed
geven.
Inspissate, inspisit, adj. verdikt; Inspissate verb. (inspiseit,
inspiseit), verdikken, indampen; dik worden; subst. Inspissation.
Instability, instəbiliti, onbestendigheid, wankelmoedigheid.
Install, instôl, met een ambt bekleeden, installeeren; Installation =
installatie; Installment = installatie, afdoening, termijn (van
betaling), gedeelte: They bought a piano on the installment plan = op
afbetaling in termijnen; The article will be inserted in installments =
bij gedeelten.
Instance, inst’ns, subst. aandrang, verzoek, instantie, geval,
voorbeeld; Instance verb. een voorbeeld aanhalen of geven: At the
instance of = op aandrang van; He resigned at the instance of popular
clamour = op den krachtigen aandrang der volksstem; For instance = bij
voorbeeld; It was a kind thought in the first instance = in de eerste
plaats; Instant, inst’nt, loopend, dadelijk, dringend; subst.
oogenblik; The fifth inst(ant) = de 5de dezer; This instant, On the
instant = dadelijk; Instantaneous, inst’nteinjəs, oogenblikkelijk, in
een oogenblik, moment - -; subst. Instantaneousness; Instanter,
instantə, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk: We expect it
instantly = elk oogenblik.
Instate, insteit, aanstellen, plaatsen.
Instauration, instôreiš’n, hernieuwing, herstelling.
Instead of, instedəv, in plaats van.
Instep, instep, wreef (van den voet): To be (To go) high in the instep
= den neus in den wind steken.
Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; subst.
Instigation: Under the instigation of = op aansporing van; Instigator,
instigeitə, aanzetter, ophitser.
Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten; subst.
Instillation = Instilment.
Instinct, instiŋkt, subst. natuurdrift; adj. (instiŋkt), bezield,
doordrongen van, vol: Instinct with life; Instinctive, instiŋktiv,
instinctmatig, spontaan.
Institute, institjût, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw),
(wets)instituut; Institute verb. instellen, stichten, vaststellen,
beginnen, aanstellen: An inquiry was instituted into (as to) his
actions = ingesteld; Institution, institjûš’n, instelling, aanstelling,
wet, stichting, genootschap(sgebouw); Institutional = instellend,
vastgesteld, elementair; Institutor, institjûtə, insteller, oprichter:
Institutor of law = wetgever.
Instruct, instrɐkt, onderwijzen, leeren, instrueeren, last geven: To
instruct national opinion = opvoeden; He was instructed out = hij werd
op hooger last uit zijn ambt ontslagen (Amer.); Instruction =
onderwijs, bevel, last; Instructional = onderwijs - -, opvoedings;
Instructive = onderwijzend, leerzaam; subst. Instructiveness;
Instructor, onderwijzer, instructeur; vr. Instructress.
Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel,
gereedschap, stuk, document, oorkonde; Instrument verb. instrument,
instrumenteeren; Instrumental, instrument’l, instrumentaal; dienstbaar,
bevorderlijk voor: That will be instrumental to your welfare = zal
strekken tot; Instrumentality = bemiddeling, werktuig, middel: By the
instrumentality of = door middel van; Instrumentary, instrumentəri =
Instrumental; Instrumentation = arrangement, instrumenteering;
Instrumentoon, instrum’ntûn, kwispeldoor (Amer.).
Insubordinate, insəbödinit, weerspannig, oproerig; subst.
Insubordination.
Insuccess, insəkses: Methods, received with conspicuous insuccess =
waarmee men absoluut geen succes had.
Insufferable, insɐfərəb’l, onverdragelijk.
Insufficiency, insəfiš’nsi, ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; adj.
Insufficient.
Insufflation, insəfleiš’n, inblazing, opgeblazenheid; Insufflator =
inblaasapparaat.
Insular, insiulə, van een eiland, geisoleerd, bekrompen; subst.
Insularism = Insularity, insiulariti.
Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (ook in natuurk. zin):
Insulating-stool (electr.); The insulation of overhead wires = het
isoleeren van; Insulator, insiuleitə, isolator.
Insult, insɐlt, beleediging, hoon.
Insult, insɐlt, beleedigen, honen; Insulter.
Insuperability, insiupərəbiliti, subst. v. Insuperable, insiûpərəb’l,
onoverkomelijk; subst. Insuperableness.
Insupportable, insəpötəb’l, on(ver)dragelijk; subst. Insupportableness.
Insuppressible, insəpresib’l, niet te onderdrukken.
Insurable, inšûrəb’l, verzekerbaar; Insurance, inšûr’ns, verzekering
(in ’t algemeen; op het leven ook wel assurance), assurantie: To effect
(To make) an insurance = een verzekering sluiten; Accident insurance =
verzekering tegen ongevallen; Fire, Hailstorm, Life, Live Stock,
Marine, Sanitary insurance = verzek. tegen brand, hagelslag,
levensverzek., veeverzek., zeeassurantie, verz. tegen ziekte en
invaliditeit; Insurance-agent; Insurance-broker = assuradeur;
Insurance-company = verzekeringsmaatschappij; Insurance-money =
verzekeringspremie; Insurance-office = assurantiekantoor;
Insurance-policy = assurantiepolis; Insure, inšûə, verzekeren: I
insured my voyage out and home = heb mij voor de heen- en terugreis
verzekerd; Insured: The insured party = Party insured = de verzekerde;
Insurer = verzekeraar.
Insurgence, -cy, insɐ̂dž’ns(i), opstand; Insurgent, insɐ̂dž’nt, subst. en
adj. oproermaker, oproerig.
Insurmountable, insəmauntəb’l, onoverkomelijk; subst.
Insurmountableness.
Insurrection, insərekš’n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in
insurrection against their lawful prince = kwamen in (werden gebracht
tot) opstand tegen; adj. Insurrectional = Insurrectionary;
Insurrectionist = Insurgent.
Insusceptibility, insəseptibiliti, subst. v. Insusceptible,
insəseptib’l, onvatbaar (voor indrukken).
Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden.
Intaglio, intaljou, intâljou, subst. gegraveerde edelsteen, tegenover
Cameo (die in relief is gesneden).
Intake, inteik, inham, vernauwing, insnoering.
Intangibility, intandžibiliti, subst. v. Intangible, intanžib’l,
onvoelbaar, ontastbaar.
Integer, intədžə, het geheel, geheel getal; Integral, intəgr’l, subst.
geheel getal, integraal; adj. geheel, volledig, ongeschonden,
integraal...; Integrant, intəgr’nt, deel van een geheel vormend,
integreerend: Integrant parts = samenstellende deelen; Integrate,
intəgreit, het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; subst.
Integration.
Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid,
volledigheid.
Integument, integjument, vlies, vel, huid; adj. Integumental =
Integumentary.
Intellect, intəlekt, verstandelijk vermogen; ontwikkeling, de
ontwikkelden: Intellects = verstand: Disordered in his intellects;
Intellective, intəlektiv, verstandelijk; Intellectual, intəlektjuəl,
verstands..., intellectueel: Intellectual powers = verstandelijke
vermogens; Intellectalism, intəlektjuəlizm, de leer dat alle kennis van
de zuivere rede komt, rede-overschatting; Intellectuality =
verstandelijk vermogen.
Intelligence, intelidžens, verstand, oordeel, begrip, verkregen kennis,
vlugheid v. begrip; bericht, inlichting, nieuws: A wink of intelligence
= knipoogje van verstandhouding; Intelligence department =
informatie-departement (-bureau); Intelligence-office =
informatiebureau, adreskantoor; Intelligent, intelidžent, verstandig,
vlug v. geest, intelligent; Intelligibility, intelidžibiliti,
begrijpelijkheid, duidelijkheid; adj. Intelligible.
Intemperance, intempər’ns, onmatigheid, overdaad; Intemperate,
intempərit, onmatig, te buiten gaande; guur, ruw.
Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: He
is intended for the church = zal predikant worden; I intend to leave
(leaving) at four = ben van plan; She is intended to marry him = zij is
voor hem bestemd; He is not intended to listen = niet van plan;
Intended = subst. en adj. verloofd(e).
Intendancy, intend’nsi, intendance; Intendant = intendant.
Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate;
subst. Intenseness; Intensification = versterking, verhooging;
Intensifier = versterker; Intensify, intensifai, verhoogen, versterken.
Intension, intenš’n, spanning, intensiteit; Intensity, intensiti,
intensiteit, kracht, hevigheid; Intensive, intensiv, versterkend,
intensief: Intensive cultivation.
Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: He is the right man
to all intents and purposes = in alle opzichten, inderdaad; To the
intent that = opdat (veroud.); He is intent on his work = ijverig bij,
vervuld van zijn werk; He looked intently at me = opmerkzaam; Intention
= voornemen, doel, bedoeling, einde: By the first intention = snel;
Intentional = met een bepaald oogmerk; A well-intentioned man = met
goede bedoelingen; Intentness = gespannen opmerkzaamheid, ijver.
Inter, intɐ̂, ter aarde bestellen, begraven; Interment =
teraardebestelling.
Inter, intə, in samenstellingen: tusschen in: Inter alia, (intəreiljə)
= o.a.
Interact, intərakt, subst. tusschenbedrijf, tusschenwerk; Interact
verb. intərakt, wederzijds werken op; Interactaction = wisselwerking.
Interbreed, intəbrîd, kruisen van dieren of planten.
Intercalate, intɐ̂kəleit, inlasschen, inschuiven (van een dag, b.v.);
Intercalary = ingelascht: Intercalary day; Intercalation = inlassching.
Intercede, intəsîd, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken;
Interceder.
Intercept, intəsept, onderscheppen, tegenhouden, verbreken, afsnijden,
versperren, afbreuk doen aan: To intercept the trade; subst.
Interception.
Intercession, intəseš’n, voorspraak, tusschenkomst, bemiddeling: To
make intercession to a person for; adj. Intercessional: Intercessor,
intəsesə, middelaar, tusschenpersoon: Intercessiony = bemiddelend.
Interchange, intətšeinž, subst. ruil, wisseling, ruilhandel,
afwisseling; Interchange verb. intətšeinž, wisselen, ruilen, ruilhandel
drijven, afwisselen; subst. Interchangeability, adj. Interchangeable =
verwisselbaar, afwisselend.
Intercolonial, intəkəlounj’l, interkoloniaal, tusschen de koloniën
onderling.
Intercommunicate, intəkəmjûnikeit, onderling gemeenschap hebben, met
elkaar verkeeren, meedeelen; Intercommunication, onderling verkeer =
Intercommunion; Intercommunity, wederzijdsche mededeeling,
gemeenschappelijkheid.
Intercourse, intəkös, omgang, verkeer.
Intercross, intəkros, onderling kruisen.
Intercurrent, intəkɐr’nt, ongeregeld: Intercurrent pulse.
Interdependence, intədipend’ns, onderlinge afhankelijkheid; adj.
Interdependent.
Interdict, intədikt, verbod: To put an interdict upon = verbieden; To
lay under an interdict.
Interdict, intədikt, verbieden: To interdict a person from a thing, To
interdict a person, a thing = iemand uitsluiten van (bijv. kerkelijke
gemeenschap), subst. Interdiction; adj. Interdictory.
Interest, intərest, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel,
interest; Interest verb. belang stellen, belang inboezemen, belang
hebben, enz.: I disposed of a third interest in the factory = ik
verkocht een derde aandeel; To attend to a person’s interests = waken
voor de belangen; To excite a person’s interest = belangstelling
wekken; To have an interest in = belang hebben bij; He has little or no
interest = weinig of geen invloed; Most of them lost on interest
account, and closed mills = konden hun interest niet goedmaken; To
promote a person’s interests = iemand’s belangen bevorderen; Put out at
interest = op interest gezet; To take an interest in = belangstellen
in; Compound, simple interest = samengestelde, enkelvoudige interest;
The cotton (iron, landed, moneyed, shipping) interest = de gezamenlijke
katoenspinners (ijzerhandelaars, landeigenaren, geldmannen, reeders);
Interest-ticket, Interest-warrant = coupon; He interested himself for
me = stelde belang in mij, trok zich mijner aan; I am interested in
your fate = stel belang in; He is interested in the matter = heeft
belang bij; Interested marriages (marriages of interest) = waarbij
andere belangen in het spel zijn dan de liefde; Interesting =
belangwekkend.
Interfere, intəfîə, tusschenbeide komen, benadeelen, storend werken,
interfereeren, aanslaan of strijken (van paarden): Don’t interfere with
me = bemoei u niet; If it does not interfere with your plan = niet
verstoort; Interference, intəfîr’ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing,
interferentie; Interferer; Interfering = storend, belemmerend.
Interim, intərim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk: In the interim =
voorloopig.
Interior, intîriə, binnen, inwendig, binnenlandsch; subst. binnenste,
binnenland: Department (Secretary) of the Interior = Departement
(Minister) v. Binnenlandsche Zaken (Amer.); Interior angle =
binnenhoek.
Interjacency, intədžeis’nsi, tusschenligging; adj. Interjacent.
Interjaculate, intədžakjuleit, aanmerkingen (opmerkingen) tusschenin
maken = To interject; Interjection = tusschenwerpsel; adj.
Interjectional = Interjectionary = Injectory: Interjectionary remarks =
tusschenin gemaakte aanmerkingen.
Interlace, intəleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; doorvlochten
of ineengestrengeld zijn: Interlaced arches = kruisbogen; subst.
Interlacement.
Interlaminated, intəlamineitid, tusschen twee platen of vlakken
gelegen.
Interlard, intəlâd, doorspekken, vermengen.