Indeed, indîd, inderdaad, voorwaar, voorzeker; int. wat je zegt! och

kom! zoo! ja wel! Kind indeed! = Vriendelijk? ’t mocht wat!

Indefatigability, indifatigəbiliti, subst. v. Indefatigable,

indifatigəb’l, onvermoeid; subst. Indefatigableness.

Indefeasibility, indifîzibiliti, subst. v. Indefeasible, indifîzib’l,

onvervreemdbaar, onschendbaar, onaantastbaar.

Indefectible, indifektib’l, onfeilbaar, onvergankelijk.

Indefensibility, indifensibiliti, subst. v. Indefensible, indifensib’l,

onverdedigbaar.

Indefinable, indifainəbl, onverklaarbaar, niet omschrijfbaar,

raadselachtig.

Indefinite, indefinit, onbepaald, onbegrensd, oneindig; subst.

Indefiniteness; Prorogued indefinitely = voor onbep. tijd uitgesteld.

Indelible, indelib’l, onuitwischbaar.

Indelicacy, indelikəsi, onkieschheid, grofheid; adj. Indelicate,

indelikit.

Indemnification, indemnifikeiš’n, schadeloosstelling; Indemnify,

indemnifai, schadeloos stellen (for); Indemnity, indemniti,

schadeloosstelling, vergoeding, indemniteit.

Indent, indent, inkerven, uittanden, inkrassen, inspringen (bij het

drukken), een contract in duplo maken, in de leer gaan (bij contract),

bestellen, requireeren, aanspreken; indrukken, deuken; subst. indent,

inkerving, bestelling, requisitie; Indentation = inkerving, uittanding

= Indention, ook: inspringing; Indenture, indentšə, subst. gezegeld

verdrag, uittanding; Indenture verb, inkerven: Apprentice’s indenture =

(leerling)contract; Indenture of mortgage = hypotheekacte; The

indentures were cancelled = de contracten werden vernietigd; To make

indentures = slingeren als een dronken man.

Independence, indipend’ns, onafhankelijkheid, onafhankelijk bestaan,

vermogen: Independence Day = 4 Juli (herdenking van de Amerikaansche

onafhankelijkheidsverklaring 4 Juli 1776); Independent, indipend’nt,

onafhankelijk, onbevooroordeeld, tot de Independenten behoorende;

subst. afgescheidene, wilde: Independent as to means = financ.

onafhankelijk; The Independents = godsdienstige, van de Staatskerk

afgescheiden sekte.

Indescribability, indiskraibəbiliti, subst. v. Indescribable,

indiskraibəb’l, onbeschrijfelijk; Indescribables = pantalon, broek.

Indestructibility, indistrɐktibiliti, subst. v. Indestructible,

indistrɐktib’l, onvernietigbaar.

Indeterminable, inditɐ̂minəb’l, onbepaalbaar.

Indeterminate, inditɐ̂minit, onbepaald, besluiteloos; subst.

Indeterminateness.

Index, indeks (Meerv. Indexes of Indices, indisîz; dit laatste in de

algebra: exponenten), subst. wijzer, bladwijzer, inhoudsopgaaf, arm van

wegwijzer, tong, exponent; Index verb. van een index voorzien, op den

index plaatsen, aanwijzen (out): Index expurgatory = lijst van boeken,

die eerst van de dwalingen moeten worden gezuiverd vóór ze door

Katholieken mogen worden gelezen; Index prohibitory = lijst van de door

de R.K. kerk verboden boeken; To be placed on the Index; Index-finger =

wijsvinger.

India, indjə, Voor-Indië: Further India = Achter-Indië; India ink;

Indiaman = Oostinjevaarder; India office = ministerie van koloniën;

India rubber = Indian rubber; Indian = Indisch, Indiaansch; subst.

Indiër, Indischman, roodhuid: Indian anis = steranijs; A retired member

of the Indian Civil Service = gepensioneerd Indisch ambtenaar; Board of

Indian Civil Service Studies = Raad voor de studie voor de Brit. Ind.

ambtenaarsexamens; Indian corn = maïs; Indian cress = Oostindische

kers; Indian file = achter elkaar; Indian fire = soort van Bengaalsch

vuur als signaalvuur; Indian ink = Oostindische inkt; An Indian inky

day = sombere; Indianlike = als een Indiër of Indiaan; Indian-reed,

Indian-shot = Oostindisch riet; Indian rubber = gomelastiek,

caoutchouc; overschoen = Indian rubber shoe; Indian summer = warme

nazomer; Indian yellow = Oostindisch geel; The Indies = Indië.

Indiana, indjanə; Indianapolis, indjənapəlis.

Indicant, indik’nt, aanwijzend; subst. symptoom: Indicant days =

crisis; Indicate, indikeit, aanwijzen, aanduiden; subst. Indication;

Indicative, indikətiv, indikətiv, subst. en adj. aantoonend(e wijs);

Indicator, indikeitə, indicateur; adj. Indicatory,

Indict, indait, beschuldigen, aanklagen: Indicted for murder;

Indictable offence = een zwaar misdrijf (dat door de ‘Grand Jury’

berecht moet worden); Indicter (= Indictor); Indictment = aanklacht;

beslissing van de Grand Jury, na onderzoek, om rechtsingang te

verleenen.

Indifference, indifərens, onverschilligheid, onpartijdigheid,

middelmatigheid; Indifferent = onverschillig(e), van geene beteekenis,

tamelijk, zoo-zoo: He is in indifferent health = niet recht gezond;

Indifferent pictures = van geen bijzondere waarde; Indifferently

printed = niet bijzonder fraai gedrukt; To sleep indifferently = vrij

slecht; These words are used indifferently = door elkander;

Indifferentism, indifər’ntizm, stelselmatige onverschilligheid, vooral

in godsdienst.

Indigence, -cy, indidžens(i), gebrek, nooddruft, armoede.

Indigene, indidžîn, oorspronkelijke bewoner; Indigenous, indidžinɐs,

inlandsch, aangeboren, inherent.

Indigent, indidžent, behoeftig, arm.

Indigested, indidžestid, onverwerkt, onrijp, verward, vormloos;

Indigestible, indidžestib’l, onverteerbaar, onduldbaar; subst.

Indigestibleness; Indigestion, indidžestj’n, slechte spijsvertering;

Indigestive = dyspeptisch.

Indignant, indign’nt, verontwaardigd; Indignation, indigneiš’n,

verontwaardiging: Indignation-meeting = protest meeting (Amer.);

Indignity = indigniti, smaad, hoon, beleediging.

Indigo, indigou, indigo; Indigo-bird = Indigo vink; Indigo composition

= indigotinctuur; Indigo-plant = indigoplant; Indigometer, indigomətə,

indigometer; Indigotin, indigətin, indigoblauw.

Indirect, indirekt, niet recht, onoprecht, slinksch: Indirect evidence

= derivatief bewijs; Indirect-tax = indirecte belasting; Indirection,

indirekš’n, oneerlijke practijk, list; Indirectness, scheefheid, omweg,

onoprechtheid.

Indiscernible, indizɐ̂nib’l, niet te onderscheiden; subst.

Indiscernibleness.

Indiscoverable, indiskɐvərəb’l, niet te ontdekken, onbegrijpelijk.

Indiscreet, indiskrît, onverstandig, onbezonnen, onbescheiden,

indiscreet; subst. Indiscretion, indiskreš’n: Years of indiscretion

vlegeljaren.

Indiscriminate, indiskriminit, niet te onderscheiden; niet

onderscheiden; zonder onderscheid, door elkaar; Indiscriminating = geen

onderscheid makend, blind; Indiscrimination, indiskrimineiš’n, gebrek

aan onderscheiding(svermogen), verwardheid.

Indispensability, indispensəbiliti, subst. v. Indispensable,

indispensəb’l, onvermijdelijk, onmisbaar: subst. Indispensableness.

Indispose, indispouz, ongunstig stemmen, ongeschikt of ongesteld maken;

Indisposed; Indisposition, indispəziš’n, afkeer(igheid), ongesteldheid.

Indisputability, indispjutəbiliti, subst. v. Indisputable,

indispjutəb’l, indispjûtəb’l, onbetwistbaar; Indisputed, indispjûtid,

onbetwist.

Indissolubility, indisəl(j)ubiliti, subst. v. Indissoluble,

indisəl(j)ub’l, indisoljub’l, onoplosbaar, onverbreekbaar;

Indissolvable, indizolveb’l, onoplosbaar.

Indistinct, indistiŋkt, onduidelijk, verward; subst. Indistinctness.

Indistinguishable, indistiŋgwišəb’l, niet te onderscheiden; subst.

Indistinguishableness.

Indite, indait, schrijven, opstellen; Inditer.

Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk;

subst. persoon, individu; Individualism = individualisme, zelfzucht;

Individuality, individjualiti, eigenaardig karakter, individualiteit;

Individualization = subst. v. Individualize = onderscheiden, als een

individu kenmerken; Individuate, individjueit, individualiseeren;

subst. Individuation.

Indivisibility, indivizibiliti, subst. v. Indivisible, indivizib’l,

subst. en adj. ondeelbaar (iets).

Indo, indou, (in samenstellingen): Indo-Briton = iemand met een

Engelschen vader en eene Brit. Ind. moeder; Indo-China; Indo-Chinese =

behoorende tot het Z.O. schiereiland v. Azië; Indo-English = de in

Indië geboren of wonende Engelschen betreffend; Indo-European = Arisch,

Indo-germaansch; Indo-Germanic = Arisch, Indo-germaansch.

Indocile, indousil, indosil, onleerzaam, onhandelbaar; subst.

Indocility, indəsiliti.

Indoctrinate, indoktrineit, onderwijzen, in een stelsel inleiden of er

mede vertrouwd maken: I indoctrinated him with these notions; subst.

Indoctrination.

Indolence, indəlens, vadsigheid, traagheid, pijnloosheid; adj.

Indolent, indəlent: Indolent tumour = pijnloos gezwel.

Indomitable, indomitəb’l, ontembaar, onoverwinnelijk.

Indoor, indö, adj. binnen, huiselijk, huis...: Indoors, indöz, indöz,

adv. binnenshuis, thuis.

Indorse, indös, Zie Endorse.

Indraught, Indraft, indrâft, binnenstroomen van water of lucht.

Indubitable, indjûbitəb’l, Indubitate, indjûbitit, ontwijfelbaar.

Induce, indjûs, bewegen, nopen, veroorzaken, induceeren; Inducement =

aanleiding, beweegreden, drijfveer, prikkel.

Induct, indɐkt, inwijden, installeeren; (into), in een (geestelijk)

ambt bevestigen; Induction, indɐkš’n, begin, installatie, bevestiging,

inductie (electr.), inleiding, gevolgtrekking uit waargenomen feiten;

Induction-coil = inductierol (-klos); Inductive = inleidend, door

gevolgtrekking uit waargenomen feiten, inductie, inductief..: Inductive

method; Inductive sciences = op waarneming gegronde wetenschappen;

Inductor = hij, die installeert, inductor (Electr.).

Indue, indjû, bekleeden, verschaffen.

Indulge, indɐldž, toegeven, zich overgeven, voeden, koesteren,

verwennen, zuipen: She indulges her children too much = geeft te veel

toe; To indulge a dream = koesteren; He indulges in indolence = geeft

zich over aan; This writer indulges himself with a trifle of

exaggeration = veroorlooft zich eenige overdrijving; We indulged

ourselves with tickets for the opera = permitteerden ons de weelde;

Indulgence, Indulgency = toegevendheid, verdraagzaamheid, uitstel van

betaling, uitspatting, aflaat; Indulgent = toegeeflijk, zacht.

Indurate, indjureit, verharden, ongevoelig maken, worden; subst.

Induration.

Industrial, indɐstriəl, vlijtig, nijverheids..; subst. industriëel:

Industrial exhibition = nijverheidstentoonstelling; Industrial school =

ambachtsschool; ook soort tuchtschool; Industrial school-ship =

opleidingsschip voor verwaarloosde kinderen; A penal industrial

settlement = strafkolonie; Industrious, indɐstriəs, vlijtig, nijver,

arbeidzaam; Industry, indəstri, ijver, vlijt, nijverheid: School of

industry.

Inebriant, inîbriənt, dronken makend (middel); Inebriate, inîbri-it,

subst. en adj. dronken (mensch); Inebriant verb. inîbrieit, dronken

maken; Inebriation = dronkenschap, roes; Inebriety, inibraiiti,

dronkenschap (vooral van een ‘habitual drunkard’).

Inedited, ineditid, onuitgegeven.

Ineffability, inefəbiliti, subst. v. Ineffable, inefəb’l,

onuitsprekelijk.

Ineffaceable, inefeisəb’l, onuitwischbaar.

Ineffective, inefektiv, zonder uitwerking, vruchteloos, ondeugdelijk;

subst. onbruikbaar mensch; subst. Ineffectiveness; Ineffectual,

inefektjuəl = Ineffective.

Inefficacious, inefikeišəs, zonder uitwerking, vruchteloos; subst.

Inefficaciousness = Inefficancy = Inefficiency, ook onbekwaamheid; adj.

Inefficient.

Inelegance, ineləg’ns, smakeloosheid, onbevalligheid; adj. Inelegant,

ineləg’nt.

Ineligible, inelidžib’l, onverkieslijk, onverkiesbaar.

Inept, inept, ongerijmd, dwaas; subst. Ineptitude = Ineptness.

Inequality, inikwoliti, ongelijkheid, oneffenheid, verschil,

onbevoegdheid, partijdigheid.

Inequilateral, inîkwilatər’l, ongelijkzijdig.

Inequitable, inekwitəb’l, onbillijk.

Inequity, inekwiti, onbillijkheid.

Ineradicable, iniradikəb’l, onuitroeibaar.

Inert, inɐ̂t, bewegingloos, log, traag; Inertia, inɐšə, traagheid

(Natuurk.) = Vis inertiae (inɐ̂ši-î); Inertion = Inertness = traagheid.

Inessential, inəsenš’l. Zie Unessential.

Inestimable, inestiməb’l, onschatbaar.

Inevitability, inevitəbiliti, subst. v. Inevitable, inevitəb’l,

onvermijdelijk; subst. Inevitableness.

Inexact, inəgzakt, onnauwkeurig; subst. Inexactitude = Inexactness.

Inexcitable, inəksaitəb’l, loom, lusteloos.

Inexcusable, inəkskjûzəb’l, onvergeeflijk; subst. Inexcusableness.

Inexhaustibility, inəgz(h)ôstibiliti, subst. v. Inexhaustible,

inəgz(h)ôstib’l, onuitputtelijk, onvermoeid = Inexhaustive,

inəgz(h)ôstiv, niet uitputtend.

Inexorability, ineksərəbiliti, subst. v. Inexorable, ineksərəb’l,

onverbiddelijk; subst. Inexorableness.

Inexpedience, -cy, inəkspîdj’ns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid;

adj. Inexpedient, inəkspîdj’nt.

Inexpensive, inəkspensiv, goedkoop.

Inexperience, inəkspîrj’ns, onervarenheid; Inexperienced = onervaren,

onbevaren.

Inexpert, inəkspɐ̂t, onbedreven; subst. Inexpertness.

Inexpiable, inekspiəb’l, onverzoenbaar; subst. Inexpiableness.

Inexplicability, ineksplikəbiliti, subst. v. Inexplicable,

ineksplikəb’l, onverklaarbaar: Inexplicables = broek; subst.

Inexplicableness.

Inexpressible, inəkspresib’l, onuitsprekelijk; Inexpressibles = broek;

Inexpressive, inəkspresiv, zonder uitdrukking.

Inexpugnable, inəkspɐgnəb’l, inəkspjûnəb’l, onoverwinnelijk,

onneembaar.

Inextinguishable, inəkstiŋgwišəb’l, onbluschbaar.

Inextricable, inekstrikəb’l, niet ontwarbaar; subst. Inextricableness.

Inez, ainîz.

Infallibilism, infalibilizm, het dogma van, en het geloof aan de

pauselijke onfeilbaarheid; Infallibility, infalibiliti, onfeilbaarheid;

Infallible, infalib’l, onfeilbaar, zeker; subst. Infallibleness.

Infamous, infəmɐs, schandelijk, verfoeilijk, berucht; Infamy, infəmi,

schande, laagheid.

Infancy, inf’nsi, kindsheid, minderjarigheid, aanvang, eerste stadium.

Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk;

kinder...: Infant in arms = schootkindje; Infant games; Infant

mortality; Infant-school, Infants’ school = bewaarschool; His infant

son = zoontje; Infanta, infantə, Infante, infanti, koninklijke prinses

of prins, behalve de troonopvolgster of den troonopvolger (Spanje);

Infanticide, infantisaid, kindermoord(enaar); Infantile, inf’nt(a)il,

Infantine, inf’nt(a)in, kinderachtig; kinderlijk = Infantlike.

Infantry, inf’ntri, infanterie: Infantryman = infanterist.

Infatuate, infatjueit; Infatuated = blind ingenomen met, dwaas verliefd

op (with); Infatuation, infatjueiš’n, verdwaasdheid, dwaze

verliefdheid.

Infect, infekt, besmetten, aansteken; Infection = besmetting, smetstof:

To catch (take) the infection = besmet, aangestoken worden; Infectious,

infekšəs, besmettelijk, aanstekelijk; subst. Infectiousness; Infective

= Infectious.

Infecundity, infikɐnditi, onvruchtbaarheid.

Infelicitous, infilisitɐs, ongelukkig; Infelicity, infilisiti, ongeluk,

ellende, rampspoed, ongelukkig gekozen uitdrukking.

Infer, infɐ̂, eene gevolgtrekking maken, een besluit trekken; Inferable

= afleidbaar, volgend; Inference, infərens, gevolgtrekking;

Inferential, infərenš’l, afleidbaar = By inference; I could only gather

it inferentially = slechts uit het medegedeelde opmaken.

Inferior, infîriə, minder, lager, ondergeschikt; ook subst.: I am

inferior to none in love of country = doe voor niemand onder;

Inferiority, infîrioriti, minderheid.

Infernal, infɐ̂n’l, helsch, duivelsch, verfoeilijk, kolossaal, kras:

Infernal machine = helsche machine; Infernal-stone = helsche steen.

Inferno, infɐ̂nou, de hel.

Infertile, infɐ̂t(a)il, onvruchtbaar; subst. Infertility.

Infest, infest, aanvallen, overvallen, invallen, verwoesten, onveilig

maken, kwellen; wemelen van (= To be infested with); subst.

Infestation.

Infidel, infidel, subst. en adj. ongeloovig(e); Infidelity, infideliti,

ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog.

Infiltrate, infiltreit, insijpelen, langzaam doordringen; subst.

Infiltration.

Infinite, infinit, oneindig, grenzeloos; subst. oneindigheid, oneindige

ruimte, onbepaalde hoeveelheid, Hoogste Wezen; Infinitesimal,

infinitesim’l, oneindig klein; Infinitude, infinitjûd, Infinity,

infiniti, oneindigheid.

Infinitival, infinitaiv’l, infinitiv’l, tot de onbep. wijs behoorend;

Infinitive, infinitiv, onbepaalde wijs.

Infirm, infɐ̂m, zwak, onzeker, weifelend; Infirmarian, infɐ̂mêriən,

ziekentrooster; Infirmary = ziekenhuis; Infirmity = zwakheid (ook

fig.); ziekelijkheid = Infirmness.

Infix, infiks, inplanten, inprenten.

Inflame, infleim, doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; gloeiend

worden: He inflamed them against England = zette ze op tegen;

Inflammability, inflaməbiliti, ontvlambaarheid, ook fig.; Inflammable,

inflaməb’l, ontvlambaar (Inflammables = brandbare lichamen); subst.

Inflammableness; Inflammation, infləmeiš’n, ontbranding, opwinding,

ontsteking; Inflammatory, inflamətəri, prikkelend, ontsteking

veroorzakend, opruiend.

Inflatable, infleitəb’l, opblaasbaar; Inflate, infleit, opblazen,

uitzetten, opdrijven, opgeblazen maken; Inflater = fietspomp; Inflation

= opblazing, kunstmatige opdrijving, etc.: The inflation of (To

inflate) worthless securities with an artificial value; Inflationist,

infleišənist, voorstander van de vermeerdering van papieren geld;

agioteur (Amer.); Inflator = Inflater; Inflatus = inspiratie.

Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen, moduleeren; Inflection =

(ver)buiging, kromming, buigingsvorm, modulatie; Inflectional =

buigings...; Inflexibility, subst. v. Inflexible, infleksib’l,

onbuigzaam, onverbiddelijk; Inflexion(al) = Inflection(al).

Inflict, inflikt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen,

toebrengen; Infliction, inflikš’n, het toebrengen, opgelegde straf,

last, bezoeking.

Inflorescence, inflores’ns, bloeiwijze.

Inflow, inflou. Zie Influx.

Influence, influens, subst. invloed, macht; Influence verb. invloed

hebben op, inwerken op: He has influence at Court = invloed aan het

hof; These things have no influence with me = hebben geen invloed; He

bragged of influence over his mother = dat hij zijne moeder naar zijne

hand kon zetten; Influential, influenš’l, invloedrijk; Influenza,

influenzə, griep; besmettelijke paardenziekte.

Influx, inflɐks, instrooming, toevoer, toevloed.

Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, aangeven; vorm geven aan,

bezielen: He informed against me = diende een aanklacht in tegen mij;

He informed me of it = berichtte het mij; His book is informed with

intense conviction = is bezield door, gloeit van; Informed with one

spirit = bezield; Informant = aanbrenger, zegsman; Information,

infömeiš’n, kennis, bericht, inlichting(en), kennisgeving, geschreven

beëedigde aanklacht; Informer = aanklager: Common informer =

verklikker.

Informal, inföm’l, niet formeel; Informality = informaliteit.

Infra, infrə: Infra dig = beneden de waardigheid.

Infract, infrakt, schenden; Infraction = schending, breuk: Infraction

of faith = trouwbreuk.

Infrequence, -cy, infrîkw’ns(i), zeldzaamheid; adj. Infrequent,

infrîkw’nt.

Infringe, infrinž, inbreuk maken op, schenden, overtreden; subst.

Infringement; Infringer.

Infuriate, infjûriit, adj. woedend, razend: Infuriate verb.

(infjûrieit), woedend of razend maken.

Infuse, infjûz, ingieten, ingeven, inprenten, een infusie maken,

drenken: He infused his life into his poetry = legde in, doordrong;

Infuser; Infusibility, subst. v. Infusible, infjûzib’l, onsmeltbaar;

Infusion, infjûž’n, ingieting, doordringing, infusie.

Infusoria, infjusôriə, infusiediertjes; adj. Infusorial = tot de

infusoria behoorend of die bevattende; Infusorian = infusiediertje.

Ingathering, ingadhəriŋ, inzameling: Feast of Ingathering (2 Mos. 23,

16).

Ingelow, indžəlou.

Ingeminate, indžemineit, herhalen.

Ingenious, indžîniəs, vernuftig, talentvol, vindingrijk, geestig;

subst. Ingeniousness = Ingenuity, indžənjûiti.

Ingenue, Fr. uitspr. naïef, onschuldig, ingenue; ook subst.

Ingenuous, indženjuəs, oprecht, openhartig, ongekunsteld; subst.

Ingenuousness.

Ingest, indžest, voedsel in de maag brengen; subst. Ingestion.

Ingle, iŋg’l, vuur, haard (Schotl.): In the ingle of a window = hoekje;

Ingle-nook = hoekje van den haard.

Inglorious, inglôriəs, roemloos, onbekend, schandelijk; subst.

Ingloriousness.

Ingoing, ingouiŋ, subst. het ingaan, aanvaarden; adj. binnengaand, een

ambt aanvaardend.

Ingot, iŋgət, in-got, baar of staaf (goud, zilver, staal).

Ingraft, ingrâft, enten; Ingrafter = enter; Ingraftment.

Ingrain, ingrein, (predikatief: ingrein), adj. in de wol geverfd,

ingeworteld, doortrapt; Ingrain verb. ingrein, ingrein, in de wol

verven, doordringen, verzadigen; Ingrain(-carpet) = in de wol geverfd

vloerkleed.

Ingram, iŋgram.

Ingrate, ingreit, ondankbaar, ondankbare; Ingrateful, ingreitf’l,

ondankbaar.

Ingratiate, ingreišieit, (zich) in de gunst dringen bij (with), steeds

reflexief.

Ingratitude, ingratitjûd, ondankbaarheid.

Ingredient, ingrîdj’nt, bestanddeel.

Ingress, ingres, toegang, intrede, aanvaarding; Ingression = intrede.

Ingulf, ingɐlf, (als in een afgrond) verzwelgen.

Ingurgitate, ingɐ̂džiteit, verzwelgen; subst. Ingurgitation.

Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; Inhabitable = bewoonbaar; Inhabitancy

= woonplaats, domicilie; Inhabitant = bewoner, inwoner; Inhabitation =

bewoning.

Inhalation, inhəleiš’n, subst. v. Inhale, inheil, inademen, inhaleeren:

Inhaler = respirateur, inhaleertoestel.

Inharmonic(al), inhâmonik(’l), Inharmonious, inhâmounjəs, onwelluidend.

Inhaul(er), inhôl(ə), inhaler (zeeterm).

Inhere, inhîə, onafscheidelijk verbonden zijn; Inherence, Inherency,

inhîr’ns(i), onafscheidelijkheid, inhaerentie; Inherent = inhaerent: It

is inherent in the blood = zit in het bloed.

Inherit, inherit, erven; Inheritability, erfelijkheid, overerving;

Inheritable = erfbaar; Inheritance = erfenis, erflating; Inheritor =

erfgenaam; vr. Inheritress = Inheritrix.

Inhibit, inhibit, terughouden, beletten, verbieden; subst. Inhibition,

inhibiš’n, verbod tot het uitoefenen van geestelijke bedieningen,

aangaan van schulden, geven van crediet; adj. Inhibitory.

Inhospitable, inhospitəb’l, onherbergzaam, ongastvrij; subst.

Inhospitality.

Inhuman, inhjûm’n, onmenschelijk, wreed: An inhuman hunger =

verschrikkelijke honger; subst. Inhumanity, inhjumaniti.

Inhumation, inhjumeiš’n, begraving; Inhume, inhjûm, begraving.

Inimical, inimik’l, vijandelijk, schadelijk.

Inimitability, inimitəbiliti, subst. v. Inimitable, inimitəb’l,

onnavolgbaar; subst. Inimitableness.

Iniquitous, inikwitɐs, zondig, onrechtvaardig; Iniquity, inikwiti,

ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, zonde, misdaad.

Inirritability, iniritəbiliti, subst v. Inirritable, iniritəb’l,

ongevoelig.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 63 / 152 段