dwang, belemmering; adj. moeilijk, lastig; Cramp verb. krampachtig
vertrekken; trekken, neerdrukken, beperken, achteruitgaan (van de
wielen van een wagen), klampen, krammen: Cramped for room = te weinig
ruimte hebbende, in enge ruimte besloten; That cramped me for two
months = daardoor moest ik krom liggen, mij behelpen; A cramped and
scrawling hand = stijve en slordige; They labour cramped up = in kromme
houding; The cramping influences of poverty = neerdrukkende; Cramp-fish
= sidderoog; Cramp-iron = klemhaak, anker; Crampon = kanthaak,
klimijzer, ijsspoor = Crampoon, krampûn.
Cranberry, kranberi, soort v. veenbes, roode boschbes.
Cranage, kreinidž, kraangeld; Crane, krein, subst. kraanvogel; kraan;
hevel; Cranage verb. den nek uitrekken, voorzichtig uitkijken;
Cranage-fly = soort mug; Cranage’s-bill = ooievaarsbek, reigersbek;
soort van tang (chirurgie).
Cranial, kreinj’l, schedel..; Craniology, kreiniolədži, schedelleer;
Cranioscopy, kreinioskəpi, schedelonderzoek; Cranium, kreinj’m,
schedel.
Crank, kraŋk, subst. kruk, slinger, handvat; draai, verdraaiing, gril,
dwaas, iemand met een stokpaardje; adj. rank, wrak, verdraaid, zwak,
gek, levendig, lustig; Crank verb. kronkelen, zigzagsgewijze snijden:
He was much of a crank about his discovery = erg mal, dwaas met;
Crankiness = grilligheid, enz.; Crankle, subst. kronkel; Crankle verb.
draaien, kronkelen; Crankles = hoekige uitsteeksels; Crankness =
verdraaidheid, rankheid; Cranky = dwars; kronkelend; geestig, dol;
waggelend, wrak, rank.
Crannied, kranid, gespleten, gebarsten; Cranny, krani, scheur, spleet,
geheime verblijfplaats.
Crape, kreip, subst. krip; Crape verb. krullen.
Crapnel, krapn’l, dreg, haak.
Crapulence, krapjulens, overlading, dronkenschap, katterigheid; adj.
Crapulent.
Crash, kraš, gekraak, geraas, gedrang, krach (= algemeen failliet);
grof linnen; Crash verb. krassen, ineenstorten met gekraak,
vermorzelen: Crashes on the doors were heard = geklop en gestomp op de
deuren; To go crash = failliet gaan.
Crass, kras, grof, dik, lomp: Crass ignorance = kolossale domheid;
subst. Crassness.
Crassamentum, krasəment’m, (bloed)klomp, bloedkoek.
Crate, kreit, teenen mand, krat: Cycle crate.
Crater, kreitə, krater; Crateriform, krəteriföm = kratervormig;
Craterlet = kleine krater.
Craunch, krônš, krânš = Crunch.
Cravat, krəvat, (stijve) das.
Crave, kreiv, smeeken, verzoeken, eischen: I crave your indulgence =
roep in; A craving after her child = vurig verlangen.
Craven, kreiv’n, subst. lafaard; adj. lafhartig; Craven verb. bang
maken.
Craw, krô, krop.
Crawfish, krôfiš, Crayfish, rivierkreeft; overlooper; Crawfish verb.
ontrouw worden (Amer.).
Crawl, krôl, subst. schildpadvijver, vischweer; Crawl verb. kruipen (To
crawl on hands and knees), krieuwelen, wemelen (with); Crawler =
vigelante, die langzaam rijdend op een vrachtje wacht; Crawlers =
ongedierte.
Crayfish, kreifiš, rivierkreeft; zeekreeft (langouste).
Crayon, kreiən, subst. teekenkrijt, pastelteekening; Crayon verb.
schetsen, met crayon teekenen: Portrait painter in crayons.
Craze, kreiz, subst. barst; manie, rage, dwaze hartstocht; Craze verb.
afsplinteren, barsten; breken, kneuzen, het verstand krenken; Craziness
= dwaasheid, dolheid; Crazing-mill = molen om tinerts te verbrijzelen =
Craze-mill; Crazy = gebroken, oud, zwak, verpletterend; gek.
Creak, krîk, subst. gekras; Creak verb. kraken, krassen: Creaking doors
(hinges) last longest = krakende wagens loopen het langst.
Cream, krîm, subst. room, vlies, bovenste laag, bloem, fine fleur, de
crême; Cream verb. afroomen, room voegen bij, zich met room bedekken;
vergruizelen: Cream and roses = melk en bloed (fig.); Cream-cake(-tart)
= roomtaartje; Cream-cheese; Cream-colour(ed); Cream-faced = bleek,
laf; Cream-laid paper = geel geribd schrijfpapier = Cream-wove paper;
Creamery = roomhuis; zuivelfabriek; Creamy = vol room, vettig;
uitgelezen: Soap-suds is a creamy mess = een vettig goedje.
Crease, krîs, subst. vouw, ezelsoor, streep; kris; Crease verb.
kreuken, vouwen; Creasy = geplooid, gerimpeld: The child’s creasy arms
= mollige armpjes, met plooien erin.
Create, krieit, adj. voortgebracht; Create verb. scheppen,
voortbrengen, benoemen, maken; Creation, krieiš’n, het scheppen, de
schepping, wereld, heelal, aanstelling, benoeming; Creative, krieitiv,
scheppend: A creative genius = scheppend genie; subst. Creativeness;
Creator, krieitə, Schepper, voortbrenger; vrouwl. Creatress; Creature,
krîtšə, subst. schepsel, beest; kreatuur in ongunstigen zin;
hartsterking; paard (Am.); adj. tot het lichaam behoorende: A silly
creature = een sul; He despises all creature comforts = hij geeft niets
om de dingen, die den mensch aangenaam zijn; He was filled with
creature comforts = hij kreeg (had) wat zijn buikje maar begeerde.
Credence, krîd’ns, subst. geloof, vertrouwen; credens-tafel: Letter of
Credence = geloofsbrief; Credent = geloofwaardig, lichtgeloovig;
Credential, kridenš’l, geloofs..: Credentials = geloofsbrieven,
aanbevelingen.
Credenda, kridendə, de te gelooven waarheden (tegenover Agenda = de te
vervullen plichten).
Credibility, kredibiliti, geloofwaardigheid; adj. Credible, kredib’l.
Credit, kredit, subst. vertrouwen, geloof, goede naam, autoriteit,
aanzien, achting, crediet, creditzijde; Credit verb. gelooven,
vertrouwen, tot eer strekken, crediteeren: Bills of Credit =
schatkistbiljetten; Letter of credit = credietbrief; That does you
credit = strekt je tot eer; They gave us credit for fighting most
gallantly = gaven ons de eer; Give him credit for a clever fellow =
geloof maar gerust, dat hij is; To grant (lodge, open) a credit = (een)
krediet geven, openen; I take credit for nothing but my books = ik
betaal alles contant behalve mijne boeken; He takes credit to the
liberal party for the reforms during the past fifty years = hij geeft
de ... de eer van de hervormingen der laatste 50 jaren: He took great
credit to himself for it = hij rekende het zich als eene groote
verdienste aan; There are a hundred pounds to your credit at the bank;
I carry that to your credit = dat zet ik op uw credit; I am credited
with a good appetite = ik heb den naam van...; Creditability = aanzien,
soliditeit; Creditable = eervol, fatsoenlijk, solide; Creditor =
schuldeischer: Creditor in trust = curator (van een faillieten boedel,
die mede-crediteur is); Creditress, Creditrix = schuldeischeres.
Credulity, kridjûliti, lichtgeloovigheid; Credulous, kredjulɐs,
lichtgeloovig; subst. Credulousness.
Creed, krîd, geloof(sbelijdenis).
Creek, krîk, kreek, inham, bocht, riviertje (Am.); Creeky = bochtig.
Creel, krîl, teenen mand (vooral van visschers).
Creep, krîp, kruipen, krieuwelen, sluipen, zich slaafs gedragen, laag
vleien, dreggen (for a drowned man): My flesh began to creep = ik kreeg
kippenvel = I crept all over = It gave me the creeps; Creeps and
horrors = akeligheden; Creep-hole = sluipgat, uitvlucht; Creep-mouse =
kinderspelletje (soort van verstoppertje); Creeper = kruiper, kruipend
dier, kruipende plant, boomkruiper; dreg, ijsspoor; Creepiness =
griezeligheid; adj. Creepy: A creepy tale, story.
Creese, krîs, kris.
Creighton, kreit’n.
Cremate, krimeit, krîmeit, verbranden; Cremation, krimeiš’n,
lijkverbranding; Cremator = Crematory, kremətori, krîmətori,
crematorium.
Cremona, krimounə, (Cremona) viool.
Crenate(d), krîneit(id), gekerfd, getand; Crenature of Crenature =
tand; gekerfdheid, getandheid.
Crenel, krenəl, schietgat, kanteel; Crenel(l)ated = van schietgaten
voorzien.
Crenulate(d), krenjuleit(id) = fijn getand.
Creole, krîoul, Creool(sche).
Creosote, krîəsout, creosoot; Creosote verb. creosoteeren.
Crepitate, krepiteit, knarsen, knetteren; subst. Crepitation.
Crepon, krep’n, soort van krip.
Crept, krept, Imp. en P.P. van to creep.
Crepuscular, kripɐskjûlə, schemerend, schemer.., avond...
Crescent, kres’nt, subst. wassende maan, Turksche vlag, de Porte; eene
halfcirkelvormige rij huizen; adj. toenemend, halvemaanvormig (=
Crescentic); Crescent verb. tot een Crescent vormen.
Cress, kres: Garden cress = tuinkers; Water-cress = witte waterkers.
Cresset, kresət, groot bakenlicht, toorts of flambouw; meteoor.
Crest, krest, subst. kam, kuif, manen, helmpluim of -teeken, wapen,
kroon, kruin, trots, hoogmoed; Crest verb. van een kam of pluim
voorzien, kuiven, den top bereiken: Crested = gekuifd, etc: Crested
lark = kuifleeuwerik; Crested spoons = met wapen of insigne; He looked
Crest-fallen = hij zag er moedeloos, terneergeslagen uit; Crestless =
zonder kuif (wapen).
Creswick, kresik.
Cretan, krîtən, Cretenzer; ook adj.; Crete, krît, Creta.
Cretin, krîtin, cretin, idioot; Cretinism.
Cretism, krîtizm, leugen (Vergel. Tit. I, 12).
Crevasse, krəvas, scheur, spleet, doorbraak (Amer.).
Crevet, krevət, smeltkroes (van goudsmeden).
Crevice, krevis, subst. scheur, spleet; Creviced = gescheurd, enz.
Crew, krû, menigte, troep, scheepsbemanning; gespuis, zootje.
Crewel, krûəl, soort borduurwol.
Crib, krib, subst. etenskribbe, stal (voor ossen), hut, woning,
kinderkribbe, plaats, betrekking, zoutvaatje, (letter)dieverij,
woordelijke vertaling (van een Latijnsch of Grieksch schrijver); Crib
verb. beperken, opsluiten, (ont)stelen, ter sluiks nemen,
letterkundigen diefstal plegen, overpennen, opgesloten worden;
Crib-biter = kribbebijter; grompot; Cribbed, cabined and confined = in
eene enge ruimte opgesloten.
Cribbage, kribidž, een kaartspel; Cribbage-board.
Cribble, krib’l, subst. groote zeef; grof meel; adj. grof; Cribble
verb. ziften; Cribration, kribreiš’n, het ziften.
Crichton, kraitən, kritən.
Crick, krik, subst. kramp, pijn; Crick verb. pijn krijgen: Crick in the
back = spit; Crick in the neck = stijve nek; He cricked his neck with
gazing upon the pictures.
Cricket, krikit, subst. cricket; huiskrekel, zwarte veldkrekel,
voetbankje; Cricket verb. cricketen; Cricket-ground = cricketveld;
Cricket-match = cricketwedstrijd; Cricketer = cricketspeler.
Cricoid, kraikôid, ringvormig; subst. = Cricoid cartilage = ringvormig
kraakbeen.
Crier, kraiə, schreeuwer, omroeper (= Town-crier).
Crikey, kraiki, heeremijntijd.
Crim-con., krimkon, overspel (verkorting van Criminal conversation).
Crime, kraim, misdaad; Criminal, krimin’l, subst. misdadiger,
schuldige, veroordeelde; adj. misdadig, schuldig, strafrechterlijk:
Crime-lawyer = Criminalist, kriminəlist, criminalist; Criminality,
kriminaliti, strafbaarheid, criminaliteit; Criminate, krimineit, van
misdaad beschuldigen, in eene misdaad betrekken; Crimination,
krimineiš’n, aanklacht, betrekking in een misdaad; Criminatory =
aanklagend.
Crimea (The), kraimîə, de Krim; Crimean: The Crimean War.
Crimp, krimp, subst. werver, zielverkooper, ronselaar; adj. broos,
onstandvastig; Crimp verb. krullen, friseeren, knijpen, grijpen,
krimpen (van visch); verlokken, ronselen; Crimping-iron = friseertang;
Crimple = samentrekken, doen krimpen of krullen.
Crimson, krimz’n, subst. karmozijn; adj. donkerrood; Crimson verb.
donkerrood kleuren, verven, blozen; Crimson-warm = roodgloeiend.
Crincum-crancum, kriŋk’m-kraŋk’m, krom, zigzag; subst. zigzag,
dingsigheidje.
Cringe, krinž, subst. onderdanige buiging, lage vleierij; Cringe verb.
kruipen, vleien; Cringer = kruiper.
Cringle, kriŋg’l, kous, (blok)beslag (zeetermen).
Crinkle, kriŋk’l, subst. vouw, kronkel, kronkeling; Crinkle verb.
kronkelen, frommelen: He crinkled the news-paper.
Crinkum-Crankum = Crincum-Crancum.
Crinoline, krinəl(a)in, crinoline, paardenhaar: A crinoline hat = hoed
van paardenhaar.
Cripple, krip’l, subst. kreupele; adj. kreupel; Cripple verb. kreupel
maken, verlammen, verminken, buiten gevecht stellen.
Cripplings, kripliŋz, schoorbalken.
Crisis, kraisis (Meerv. Crises, kraisîz), crisis, beslissend oogenblik.
Crisp, krisp, adj. kroes, knetterend, brokkelig, broos, flink, frisch,
helder, levendig, krachtig; Crisp verb. krullen, rimpelen, broos maken:
Crisp-almonds = gebrande; Crisp style = levendige; Crisping-iron =
frizeerijzer.
Crispin, krispin, Crispinus, schoenmaker: St Crispin’s Day = 25
October.
Criss-cross, kriskros, subst. kruisje, gekriskras; adj. en adv.
verward, kriskras: Criss-cross row = het alphabet.
Criterion, kraitîriən, kenmerk, maatstaf.
Critic, kritik, beoordeelaar, criticus, bediller; Critical = kritisch,
onderscheidend, oordeelkundig, streng, bedillerig, bedenkelijk,
hachelijk; subst. Criticalness; Criticaster = muggenzifter; Criticism =
kritiek; Criticize, kritisaiz, recenseeren, beoordeelen, hekelen;
Critique, kritîk = Criticism.
Croak, krouk, subst. gekras, gekwaak; Croak verb. krassen, morren,
kwaken, kwaad voorspellen, sterven: He croaked forth his lesson =
dreunde zijne les op; Croaker = ongeluksprofeet; Croaking-lizard =
gecko van Jamaica.
Croat, krouət, Croaat; Croatia(n), krəeišə(n), Croatië(r).
Crochet, kroušei, subst. haakwerk; Crochet verb. haken; Crochet-hook =
haaknaald.
Crock, krok, subst. aarden kan of pot, roet (daaraan verzameld);
vilderspaard; Crock verb. met roet zwart maken, in een pot doen, zwart
of vuil afgeven; Crockery = aardewerk.
Crocodile, krokədail, subst. krokodil; meisjeskostschool op de
wandeling, twee aan twee; sophisme; adj. krokodilachtig, huichelachtig:
Crocodile tears = krokodillentranen; Crocodilian = krokodilachtig,
valsch; subst. krokodil; Crocodility = sophisme.
Crocus, kroukəs, krokus; adj. saffraangeel.
Croesus, krîsəs.
Croft, kroft, klein stuk wei- of bouwland by een boerenplaatsje;
Crofter = keuterboertje.
Croma, kroumə, ⅛ noot (muziek).
Cromarty, kroməti; Cromer, kroumə.
Cromlech, kromlek, een groote platte tafelsteen op andere steenen
steunend, gevonden in Keltische landen, òf graf òf Druïdenaltaar.
Cromwell, kromwel, krɐmwel.
Crone, kroun, oud wijf; oud schaap.
Cronenburg, kroun’nbɐ̂g; Cronstadt, kronstat, Kroonstad.
Crony, krouni, boezemvriend.
Croodle, krûd’l, neerhurken; huiveren; flikflooien,
Crook, kruk, subst. bocht, kromte, onaangenaamheid (That was the only
crook in my lot); herdersstaf, bisschopsstaf, hanepoot (in ’t
schrijven), ketelhaak, kunstgreep; oplichter, dief; Crook verb. buigen,
krommen, uit den rechten stand brengen, krom zijn: By hook or by crook
= op de een of andere manier, door eerlijke of oneerlijke middelen;
Crooked = gebogen, gedraaid, scheef, slecht: To go crooked = den
slechten weg opgaan; Cross questions and crooked answers = protocollen;
Crooked-pated = stijfkoppig; Crooked-stick = dwarse kerel, norsche
vent; subst. Crookedness.
Croon, krûn, subst. gekreun, geneurie; Croon verb. jammeren, kreunen,
neuriën.
Crop, krop, subst. krop, oogst, kort afgesneden haar (staart),
jachtzweep; erts, een heele huid; Crop verb. afsnijden, afvreten,
maaien, oogsten, (vroegtijdig) plukken, verbouwen, oogst geven, aan de
oppervlakte komen, te voorschijn komen (out): Neck and crop = geheel en
al, volkomen; The cows were cropping the grass = vraten af; I must get
cropped = mijn haar laten knippen; It has cropped out = is aan het
licht gekomen; Such subjects are cropping up nowadays = doen zich voor;
Crop-ear = paard met korte ooren; Crop-haired = met kort haar;
Crop-sick = ziek door overvoeren; Cropper = kropduif, kropper: He came
(down) a cropper = hij schoot of viel over den kop (van het paard, van
een rijwiel, etc.); Croppy = iemand met afgesneden ooren; gevangene;
Iersch oproerling in 1798.
Croquet, kroukei, subst. croquetspel; Croquet verb. croquetten.
Crore, krö, een millioen pond sterling (= honderd lacs = 10.000.000
ropijen).
Crosier, kroužə, bisschopsstaf.
Croslet, kroslət = Crosslet.
Cross, kros, krôs, subst. kruis, in de volgende drie vormen: †, T, ✕
(ook fig.), het lijden van Christus, de Christelijke godsdienst,
wederwaardigheid, tusschending, kruising, gekruist ras; adj. en adv.
wederkeerig, dwars, verkeerd, tegengesteld, onhandelbaar, knorrig;
Cross verb. kruisen, oversteken, overzetten, een kruis slaan,
dwarsboomen, tegengaan, doorhalen, dwars liggen, elkaar kruisen: He is
a cross between a Scandinavian and a Dutchman; St. Andrew’s cross = ✕
(wit op blauw); St. George’s cross = + (rood op wit); St. Patrick’s
cross = ✕ (rood op wit); Cross and pile = kruis of munt; As cross as
two sticks = erg uit zijn humeur; On the cross = onbillijk; It crossed
my mind = het kwam bij mij op; To cross swords with = het zwaard
kruisen met; When do you cross to the continent = wanneer gaat gij de
zee over? A crossed cheque = een cheque met twee evenwijdige lijnen op
de vóórzijde, alléén verhandelbaar bij een bankier; Cross-acceptance
(-accommodation) = wisselruiterij; Cross-armed = met de armen over
elkander; Cross-arrow = pijl van een voet- of handboog; Cross-aisle =
zijbeuk; Cross-bar = dwarshout, dwarslat; Cross-bar-shot, krosbâšot,
stangkogel; Cross-bones = gekruiste beenderen als zinnebeeld van den
dood; Cross-bow = voet- of handboog; Cross-bowman; Cross-bred =
gekruist; Cross-breed = gekruist ras; Cross-bun = krentenbroodje of
gebakje met een kruis erop (op Goeden Vrijdag gegeten);
Cross-circuiting = kortsluiting; Cross-country = dwars over ’t land,
over heg en steg; Cross-cut, subst. kruishouw, korte weg; Cross-cut
verb. dwars doorsnijden; Cross-examination = kruisverhoor;
Cross-examine = ondervragen van een getuige door den advocaat der
tegenpartij; Cross-eyed = scheel; Cross-grained = tegen den draad in,
lastig, onhandelbaar, dwars; Cross-hatching = arceeren, schaduwen;
Cross-head = juk, groot gedrukte beginwoorden van eene annonce;
Cross-legged = met de beenen over elkander; Cross-over = omslagdoek,
waarvan de einden gekruist over elkander loopen; Cross-patch,
Cross-pate = dwarskop; Cross-purpose, krospɐ̂pəs, tegenstrijdig doel of
plan, streep door de rekening, misverstand: To be at cross-purposes =
tegen elkander in zijn of werken, elkaar misverstaan; Cross-question =
(Cross-examine); Cross-questions = vraag en antwoordspel;
Cross-reference = verwijzing over en weer; Cross-road = dwarsweg;
Cross-river traffic = ’t verkeer over een rivier; Cross-row (Zie
Criss-cross-row); Cross-spider = kruisspin; Cross-tie = dwarsligger
(van den spoorweg); Cross-wind = tegenwind, zijwind; Cross-wort =
kruisbladig walstroo; Crossing = kruising, overweg (Level crossing =
kruising gelijkvloers), plaats om over te steken; Crossings =
hindernis, tegenstand, tegenstrubbeling; Crossing-sweeper =
schoonhouder van den overgang, straatveger; Crosslet = kruisje;
Crossness = onwilligheid, baloorigheid, humeurigheid; Crosswise =
kruiselings.
Crotch, krotš, haak, gaffel, bifurcatie; Crotchet, krotšət, subst.
haakje, kwartnoot, eigenaardigheid, gril, stokpaardje: A crotch
antimacassar = gehaakt; Crotch-monger of Crotcheteer = grillig mensch;
Crotchiness = subst. van Crotchy = zonderling, eigenzinnig, nukkig.
Crouch, krautš, zich laag bukken, kruipen, laag vleien;
Crouched-friars, krautšədfraiəz, kruisbroeders of kruisheeren.
Croup, krûp, kroep, kruis, romp, stuit.
Croapade, krupeid, boogsprong.
Croupier, krûpjə, krupîə, croupier; ondervoorzitter bij een diner
(zittende tegenover den voorzitter).
Crout, kraut, ingemaakte kool.
Crow, krou, subst. kraai, gekraai; koevoet; darmscheel; Crow verb.
kraaien, bluffen, snoeven, triumpheeren: To pluck (pull) a crow = over
kleinigheden twisten; I have a crow to pluck with you = een appeltje
met u te schillen; The distance is five miles as the crow flies = in
eene rechte lijn; When the black crows fly, then comes the sick man’s
chance = als de dokter het opgeeft; He shall not crow it over me = hij
zal mij niet overbluffen, de baas zijn; Crow-bar = koevoet, breekijzer;
Crow-flower = koekoeksbloem; Crow-foot = ranonkel; hanepoot, voetangel;
Crow-keeper = vogelverschrikker; Crow-mill = kraaienknip; Crow’s bill =
kogeltang (Chir.); Crow’s feet = rimpels om de oogen (bij oude
menschen; ook Crowsfeet); Crow’s nest = kraaiennest, een vat (aan den
mast van een walvischvaarder), waarin de uitkijk zit.
Crowd, kraud, subst. menigte, troep, gepeupel; Crowd verb. dringen,
duwen, overmatig vullen, volproppen, aandringen, wemelen: To crowd sail
(all sails), steam = alle zeilen, alle stoom bijzetten; The room was
crowded with people, and I got crowded into a corner = was stampvol ...
ik werd gedrongen; My article got crowded out = kon door gebrek aan
ruimte niet geplaatst worden.
Crowe, krou; Crowland, krouland.
Crown, kraun, subst. kroon, koningsmacht, toppunt, belooning, eer,
pracht, kruin, bol (van een hoed), geldstuk van 5 sh., voltooiing,
formaat v. schrijfpapier (15 × 20 inches); Crown verb. kronen, eeren,
sieren, loonen, voltooien, dam maken: Crown imperial = keizerskroon;
Crown-lands = staatsdomeinen; Crown office = afdeeling voor crimineele
zaken van de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; The word
glared at me in crown posters from every hoarding = het woord staarde
mij aan uit groote aanplakbiljetten van elke schutting; Crown-prince;
Crowning adj. bekronend, hoogste.
Crucial, krûš’l, kruisgewijze, kruis—, streng, hard, kritiek,
beslissend: At the crucial moment; Cruciate = kruisvormig, kruis—;
Cruciation = kruisvorm.
Crucible, krûsib’l, smeltkroes, kritiek oogenblik, vuurproef.
Crucifer, krûsifə, kruisdrager; Cruciferae, krusifərî, kruisbloemigen;
Cruciferous = kruisbloemig.
Crucifix, krûsifiks, kruisbeeld; Crucifixion = kruisiging; Crucify,
krûsifai, kruisigen, pijnigen.
Crude, krûd, ruw, onbereid, onrijp, slecht harmonieerend (van kleuren);
subst. Crudeness = Crudity = het onverteerde.
Cruel, krûəl, wreed, ongevoelig, hardvochtig, verschrikkelijk, bloedig;
subst. Cruelty.
Cruet, krûət, fleschje voor olie of azijn; ampulla (Kath.); Cruet-stand
= olie- en azijnstelletje.
Cruikshank, krukšaŋk.
Cruise, krûz, kruistocht, zwerftocht; Cruise verb. kruisen; Cruiser =
kruiser.
Cruller, krɐlə, knijpkoekje (Amer.).
Crumb, krɐm, subst. kruimel, het zachte deel van brood, kruim; Crumb
verb. kruimelen, paneeren; Crumb-brush = tafelschuier; Crumb-cloth =
morskleed; Crumble, krɐmb’l, afbrokkelen, paneeren, langzaam
achteruitgaan; Crummy = kruimig, vleezig, vuil; sierlijk (Amer.),
kruimelig.
Crumpet, krɐmpət, los gebak bij de thee; “bol”: He is balmy on the
crumpet = ’t schort hem in den “bol”.
Crumple, krɐmp’l, kreukelen, fronsen, krommen: He looked crumpled = zag
er moedeloos uit; His will was crumpled within hers = ondergeschikt
aan.
Crunch, krɐnš, kraken, knarsen, kauwen; ook subst.
Cruor, krûö, krûə, bloedkoek; Cruorin(e) = roode bloeddeeltjes.
Crupper, krɐpə, subst. kruis, staartriem; Crupper verb. den staartriem
aandoen.
Crusade, kruseid, subst. kruistocht (ook fig.); Crusade verb. een
kruistocht ondernemen; Crusader = kruisvaarder.
Cruse, krûs, krûz, kroes: He spilt his mother’s cruse = hij maakte het
spaarpotje (spaarpenningen)... op; Cruset, krûsət, smeltkroes.
Crush, krɐš, subst. (groot) gedrang, schok, verplettering; groote
avondpartij; Crush verb. verpletteren, vernietigen, samendrukken,
persen, verfrommelen; samengedrukt worden: We crushed a cup (pot) =
knapten eene flesch; He was crushed = verbouwereerd, overdùveld;
Crush-hat = slappe hoed (Amer.); klak; Crush-room = foyer; Crusher =
kalkmolen, iets vernietigends; prachtexemplaar; politieagent: My fate
is a crusher = mijn lot is vernietigend hard.
Crusoe, krûsou.
Crust, krɐst, subst. korst, aardkorst, schaal, wijnaanzetsel (in de
flesch), ketelsteen; Crust verb. met eene korst bedekken, een korst
vormen; Crusted = oud, met eene korst: Crusted with prejudice = vol
vooroordeelen; Crusted manners = stijve manieren; Crustiness =
korstigheid, knorrigheid; adj. Crusty.