bevestigend; Corroborate, kərobəreit, versterken, bevestigen,
verzekeren; Corroboration = bevestiging, versterking; Corroborative =
versterkend, bevestigend.
Corrode, kəroud, wegvreten, invreten, verteren; Corrodent = invretend
(middel); Corrodible, Corrosible = voor invreting vatbaar; Corrosion =
wegvreting, uitbijting; Corrosive = subst. en adj. bijtend (middel);
subst. Corrosiveness.
Corrugate, korugeit, adj. gerimpeld, gefronst: Corrugate verb. fronsen,
samentrekken: Corrugated iron, glass = gegolfd plaatijzer, glas; subst.
Corrugation.
Corrupt, kərɐpt adj. bedorven, omkoopbaar, onecht, verknoeid; Corrupt
verb. bederven, verontreinigen, omkoopen; Corrupt food; Corrupt tinned
meats = bedorven; Corrupt practices = gemeene verkiezingspraktijken;
Corrupter = verleider, omkooper; Corruptibility, kərɐptibiliti,
bederfbaarheid, omkoopbaarheid; Corruptible = bederfbaar, omkoopbaar;
Corruptibleness = Corruptibility; Corruption = bederf, etter,
verdorvenheid, vervalsching, omkooperij; Corruptive = bedervend,
verleidend; Corruptness = Corruption.
Corsage, kösidž, corsage.
Corsair, kösêə, zeeroover, vrijbuiter(schip).
Corse, kös = Corpse.
Corselet, köslət = Corslet.
Corset, kösət, subst. korset (vaak Corsets).
Corsica, kösikə, Corsican = Corsikaan(sch).
Corslet, köslət, borstharnas; borstschild.
Cortège, kötêž, stoet, gevolg.
Cortes, kötəs, de Cortes.
Cortex, köteks, schors: Cortical, kötik’l, met schors bedekt, schors..;
Corticate(d), kötikeit(id), een schors hebbend.
Coruscate, kərɐskeit, korəskeit, flikkeren; Coruscation = schittering,
glans.
Corvette, követ, Corvet, kövət, korvet.
Corvus, kövəs, kraai, enterhaak (bij de Romeinen); Corvine = kraai...
Corybant, koribant, priester van Cybele; Corybantic, koribantik, dol,
woest.
Corydon, köridən.
Corymb, korimb, tros.
Corypheus, korifiəs, koorleider, coryphee.
Cos, koz, kôz = Because.
Cosey, kouzi = Cosy.
Cosher, košə, vertroetelen, liefkoozen; Cosherer = smulpaap (fig.);
Coshering = Iersch gebruik, waarbij de landheer (Cosherer) van zijn
pachter voedsel en onderkomen kon eischen voor zich en zijn gevolg.
Cosine, kousain, co-sinus.
Cosmetic, kozmetik, schoonheids..; subst. cosmetiek.
Cosmic(al), kozmik(’l), het heelal betreffend, wereld..., kolossaal.
Cosmogony, kozmogəni, cosmogenie; Cosmographer = cosmograaf;
Cosmographic(al); Cosmography = cosmographie; Cosmology = cosmologie.
Cosmopolitan, kozməpolit’n, cosmopolitisch, onbevooroordeeld; subst.
cosmopoliet = Cosmopolite, kozmopəlait, wereldburger; Cosmopolitism,
cosmopolitisme.
Cosmos, kozmos, het Heelal, etc.
Coss, kos, onbekende grootheid; lengtemaat tusschen 1,6 en 3,2 K.M.
(Brit. Ind.): The rule of coss = oude naam voor de algebra.
Cossack, kosək, kozak.
Cosset, kosət, ooilam (ook fig.); Cosset verb. liefkoozen, verwennen.
Cost, kost, subst. prijs, uitgaaf, verlies, boete, nadeel; Cost verb.
kosten, te staan komen op: At any cost = tot elken prijs; I have
experienced it to my cost = tot mijne schade; The court sentenced him
to three months and costs = en in de kosten (van het geding); That cost
him his life; Cost-price = inkoopsprijs; Costless = zonder kosten;
Costliness = kostbaarheid, pracht; Costly = duur.
Costal, kostəl, nerf.., zij...
Costard, kostəd, groote appel, kop.
Coster(monger), kostə(mɐŋgə), fruitverkooper (langs de straat): A
coster ditty = soort café-chantantliedje.
Costive, kostiv, hardlijvig; subst. Costiveness.
Costume, kostjûm, kostjûm, kostuum, kleeding; Costumer, kostjumə,
kostjûmə, costumier = Costumier, kostûmiə.
Co-surety, koušûriti, medeborg.
Cosy, kouzi, adj. gezellig, aangenaam (ook: Cozy); subst. theemuts.
Cot, kot, huisje, hut, bootje, schaapskooi; kamerwiegje, hangmat, krib
(ook: Cote); Cot (Betty) = janhén; Cotland = akker, tot een cot
(arbeiderswoning) behoorende.
Co-temporary, Zie Contemporary.
Cothurn, kəthɐ̂n, kouthɐ̂n, cothurne.
Cotill(i)on, koutiljən, cotillon.
Cotquean, kotkwîn, janhén, manwijf.
Cotswold, kotswould: Cotswold Hills, in Gloucestershire; langharig
schapenras.
Cottage, kotidž, hut, villatje, klein buitentje: Cottage-allotments =
stukken gronds behoorende bij de woningen van boerenarbeiders; Cottage
piano = pianino; Cottager = hutbewoner, eenvoudig landman.
Cotton, kot’n, subst. katoen; Cotton verb. zich nauw aansluiten bij,
intiem zijn met, harmonieeren: Cotton-gin = égreneermachine;
Cotton-grass = wolgras; Cotton-grower = katoenplanter; Cotton-lord =
rijk katoenfabrikant; Cotton-prints = gedrukt katoen; Cotton-wool =
ruwe katoen, watten (op wonden): To be in cotton-wool = zich
vertroetelen, verwend worden; To cotton to a person or thing = op
hebben met; inpakken: I do not cotton to him; Cottonocracy, (polit.)
invloed der cotton-lords; Cottonopolis = Manchester (schertsend);
Cottonous = donzig, als katoen.
Cotyledon, kotilîd’n, zaadlob; Cotyledonous = van zaadlobben voorzien.
Couch, kautš, subst. rustplaats, canapé; laag, verflaag; leger
(ligplaats); Couch verb. (op de knieën) gaan liggen (b.v. als een
kameel), gedekt liggen, in hinderlaag liggen, zich buigen, bukken; te
bed leggen; uitspreiden, vellen (van eene speer); van den staar
lichten: To couch an eye; He couched it in glowing terms = drukte het
uit in hartstochtelijke woorden; Couch-grass = hondsgras; Couch-mate =
slaapkameraad; A lion couchant = liggende leeuw (heraldiek).
Cougar, kûgâ, poema.
Cough, kof, subst. hoest: That’s a churchyard cough; Cough verb.
hoesten, opgeven (= up), door hoesten beletten te spreken (= down);
Cough-drop = hoestbonbon.
Could, kud, Imperf. van can.
Coulisse, kûlis, kulîs, coulisse, gleuf (waarin de c. staan), ruimte
tusschen de c.
Coulter, koultə, ploegijzer, kouter.
Council, kaunsil, raad, raadsvergadering, concilie: Common council =
gemeenteraad; County council = graafschapsraad; Privy Council = Raad
van State; geheimraad; Council-board = raadstafel, raad; Councillor =
raadslid, raad; Council-man = gemeenteraadslid.
Counsel, kaunsəl, subst. raad, overleg, onderzoek, plan; advocaat,
rechtskundige; Counsel verb. raadgeven, aanraden: Good counsel is never
out of date = komt altijd gelegen; Don’t tell her; she cannot keep
counsel, her own counsel = de zaak niet stil (geheim) houden; He took
counsel with his friends = raadpleegde; To take counsel of one’s pillow
= zich op iets beslapen; Counsellor = raadsman; Counsellorship = ambt
van C.
Count, kaunt, subst. getal, berekening, waarde, schatting; punt van
aanklacht, onderdeel van eene beschuldiging; (niet Engelsche) graaf;
Count verb. optellen, rekenen, achten, rekenen op: He was beaten on
that count = op dat punt verslagen; He keeps no count = telt of
controleert niet; I lost the count of the hours = wist van geen uur of
tijd meer; You must take no count of it = er geene rekening mee houden,
er niet om geven; Without taking it into count = mee te tellen; How
many fingers have we got? Five, if you count the thumb in = meetelt; To
count out the House = de zitting verdagen wanneer na telling is
vastgesteld dat het vereischte aantal leden (40) in ’t Lagerhuis niet
aanwezig is (Vergelijk To move a count = zulk eene telling
voorstellen); I should count myself a coward = achten, beschouwen als;
Count-palatine, Countpalət(a)in, paltsgraaf; titel van den bestuurder
van een der in vroegeren tijd met bijzondere privilegiën begiftigde
Counties Palatine; Count-wheel = tandrad voor het slagwerk; Countable:
It is countable on the fingers of your hands = ge kunt het op uw
vingers natellen (fig.); Countess = gravin.
Countenance, kauntən’ns, gelaat, uitzicht, blik, gezicht; gunst, steun,
aanmoediging; Countenance verb. steunen, begunstigen: The church gave
countenance to the party = steunde; He kept his countenance =
beheerschte zich, hield zich goed; He got quite out of countenance =
raakte van zijn stuk (in de war, ontmoedigd); That put him out of
countenance = deed hem beschaamd staan; To put in countenance =
kalmeeren; The authorities countenanced the school-feast = gaven het
schoolfeest door hunne tegenwoordigheid zedelijken steun; Countenancer
= beschermer, begunstiger.
Counter, kauntə, subst. legpenning, dam-, schaakstuk, fiche (in ’t
spel); toonbank, teller; boeg (van een paard), tegenstem, tegenstoot,
gat (van een schip), valsch spoor, hielstuk; adj. tegenover; Counter
verb. tegenwerken, pareeren: Across the counter = over de toonbank: To
sell spirits across the counter = in ’t klein drank verkoopen, over de
toonbank een borrel schenken; To go counter = het spoor verliezen; To
run counter to = tegenwerken, in strijd zijn met; Counter to the hearth
= tegenover den haard; Counter-jumper = elleridder.
Counteract, kaunt’rakt, tegenwerken, verijdelen, verhinderen;
Counteraction = tegenwerking, reactie; adj. Counteractive;
Counter-agent = wat tegenwerkt.
Counterbalance, kauntəbal’ns, tegenwicht, evenwicht; Counterbalance
verb. kauntəbal’ns, opwegen tegen, compenseeren.
Counter-blast, kauntəblâst, tegenwind (stoot); tegenslag.
Counterbond, kauntəbond, revers.
Counterbuff, kauntəbɐf, subst. terugslag; Counterbuff verb. terugslaan,
kauntəbɐf.
Counter-cab, kauntə-kab, taxameter.
Countercharge, kauntətšâdž, tegenaanklacht; Countercharge verb.
kauntətšâdž, een tegenklacht indienen.
Countercharm, kauntətšâm, ontgoocheling, een tegenovergestelde
bekoring; Countercharm verb. kauntətšâm, de uitwerking van een
betoovering neutraliseeren, een tegenovergestelde bekoring uitoefenen.
Countercheer, kauntətšiə, subst. tegentoejuiching (gew. meerv.):
Countercheer verb. kauntətšîə, de toejuiching der vijandige partij niet
tartend gejuich beantwoorden.
Counterdraw, kauntədrô, op elkaar trekken.
Counterfeit, kauntəfit, subst. bedrog, huichelarij, valsch geld,
valsche wissel, nadruk; adj. nagebootst, onecht; Counterfeit verb.
namaken, huichelen, bedriegen: To counterfeit notes; Counterfeiter =
huichelaar, valsche munter.
Counterfoil, kauntəfôil, contraregister, coupon, bagagebriefje.
Counterguard, kauntəgâd, kleine wal vóór een bastion.
Countermand, kauntəmând, subst. tegenbevel, herroeping; Countermand
verb. kauntəmând, een tegenbevel geven, herroepen; afcommandeeren,
afbestellen, afzeggen.
Countermarch, kauntəmâtš, tegenmarsch, Countermarch verb. kauntəmâtš,
terugmarcheeren.
Countermark, k´a´untəmâk, subst. contramerk; Countermark verb.
kauntəmâk, merken.
Countermine, kauntəmain, subst. tegenmijn; krijgslist; Countermine
verb. kauntəmain, eene tegenmijn aanleggen, heimelijk tegenwerken of
verijdelen.
Counterpane, kauntəpein, sprei, doorstikte deken: A patchwork
counterpane = lappendeken.
Counterpart, kauntəpât, tegenhanger, duplikaat, tegenstem.
Counterplea, kauntəplî, tegenpleidooi, repliek; Counterplead,
kauntəplîd, tegenpleiten, weerspreken.
Counterplot, kauntəplot, tegenlist; Counterplot verb. kauntəplot, eene
tegenlist verzinnen of gebruiken.
Counterpoint, kauntəpôint, contrapunt; sprei.
Counterpoise, kauntəpôiz, tegenwicht, evenwicht; Counterpoise verb.
kauntəpôiz, in evenwicht houden, opwegen tegen.
Counterpoison, kauntəpôiz’n, tegengif.
Counterscarp, kauntəskâp, contrescarp, tegenwal.
Countersign, kauntesain, subst. wachtwoord, contrasigne,
mede-onderteekening; Countersign verb. kauntəsain, medeonderteekenen.
Counter-signal, kauntəsign’l, contrasein; Counter-signature,
kauntəsignətjə, mede-onderteekening.
Counterstroke, kauntəstrouk, tegen-, terugslag.
Countervail, kauntəveil, opwegen tegen, compenseeren: Countervailing
duties = contrarechten.
Countess, kauntəs, gravin. Zie Count.
Counting-house, kauntiŋhaus (kassiers- of bankiers)kantoor.
Countrified, kɐntrifaid, boersch, landelijk; Countrified verb.
Countrify, kɐntrifai; Country, kɐntri, grondgebied, streek, staat, de
bewoners daarvan, vaderland, platteland (tegenover stad): So many
countries, so many customs = ’s lands wijs, ’s lands eer; No one called
him country = boerachtig; To go into the country = naar buiten gaan;
The ministry will go to the country = de kamer(s) ontbinden en de
kiezers laten beslissen; Country-cousin = nichtje “van buiten”;
Country-dance = oude dans, waarbij de heeren en dames in twee rijen
tegenover elkander staan; tusschen de rijen worden eenige passen
uitgevoerd; Country-gentleman = landedelman; Countryman = landgenoot,
landman; (Countrywoman = landgenoote); Country-party = de agrariërs;
Country-seat = buitenplaats, landgoed; Country-squire = landjonker;
Country-town = vlek.
County, kaunti, graafschap, district: County-borough = plaats van meer
dan 50,000 inw.; County corporate = steden wier gebied een county
vormden; County-court = graafschapsrechtbank; County-town = de
hoofdstad van een county.
Coupé, kûpei, eerste afdeeling van een diligence; coupé.
Couple, kɐp’l, subst. paar, echtpaar, koppel; Couple verb. paren;
vereenigen, koppelen: A couple of dozen = een paar dozijn; These horses
run in couples = zijn een span; To hunt in couples = met z’n beiden
iets doen, b.v. jagen, huizen zien, etc; He coupled-on his engine to
the passenger-train = haakte vast.
Couplet, kɐplət, couplet, vers, rijmpaar.
Coupling, kɐpliŋ: Coupling-chains = koppeling; Coupling-pin,
verbindings- of kettingbout.
Courage, kɐridž, moed, dapperheid: He took his courage in both hands =
raapte zijn moed bijeen, vermande zich; Courageous, kəreidžəs = moedig;
subst. Courageousness.
Courier, kuriə, koerier, renbode.
Courland, kûəland, Koerland.
Course, kös, subst. loop, wedloop, loopbaan, stroom, richting, koers,
cursus, kuur, onder-razeil, hazenjacht, (ren)baan, reis; wijze van
handelen of doen; opeenvolging, reeks, gerecht; Course verb. loopen,
rennen, stroomen, vervolgen, jagen met windhonden: In course of
construction = in aanbouw; In (the) course of time = met verloop van
tijd, mettertijd; In due course = op (behoorlijken) tijd, naar den
gewonen gang van zaken; That is a matter of course = spreekt vanzelf;
Course of exchange = wisselkoers; I attended his course of lectures =
volgde zijn cursus; Right must have course = zijn beloop; To finish
one’s course at = den cursus afloopen aan; Take your course = ga je
gang; The ship shaped a course for Tahiti = wendde den steven naar; To
walk over the course = eene gemakkelijke overwinning behalen; Courses =
“zaken” (menstr.); I will course you to the house = ik wil om het
hardst met u naar het huis loopen; The tears were coursing down his
face = stroomden hem over; Courser = renpaard, oorlogspaard; Coursing,
kösiŋ, jacht op hazen met windhonden: Course-match = wedstrijd met
windhonden.
Court, köt, subst. hof, hofstoet, paleis, opwachting; plein,
gerechtshof, gerechtszitting, rechtbank, slop, hofje; Court verb.
streven naar, het hof maken, vleien: To go to court = aan het hof
verschijnen; To go into court = gaan procedeeren; To hold a court =
receptie (of zitting) houden; He paid his court to her = hij maakte
haar het hof; To put out of court = wegens niet verschijnen van de
behandeling uitsluiten; buitensluiten; Court of ease = hulphof; To rule
out of court = wraken; To court appearances = voor het oog aangenaam
zijn; To court death = den dood zoeken; I came to this country, to
court forgetfulness of the past = om te trachten, het verledene te
vergeten; Court of Common Pleas = vroeger gerechtshof; thans vervangen
door de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Court of
Session = onderdeel van het Hooggerechtshof (Schotl.); Court-card =
heer, vrouw of boer (in het kaartspel); Court-chaplain = hofkapelaan;
Court-day = zittingsdag; Court-dress = hofkostuum; Court-fool = hofnar;
Court-lady; Court-martial = krijgsraad; Court-plaster = (Engelsche)
pleister; Court-yard = binnenplaats, binnenplein; Courteous, kötjəs,
kɐ̂tjəs, hoffelijk, beleefd, beschaafd; subst. Courteousness; Courter =
hofmaker; Courtesan, kötiz’n, lichtekooi; Courtesy, kɐ̂tisi, kötisi,
hoffelijkheid, vriendelijkheid, gunstbetoon: By courtesy = uit
hoffelijkheid, niet rechtens; Courtesy title = de titel, door de zonen
van adellijken gedragen, vóór ze hun vader in zijn rang opvolgen
(Courtesy-lords); Tenure by courtesy = recht op het bezit der goederen
van de overleden vrouw tijdens het leven harer kinderen; Courtesy,
kɐ̂tsi, subst. buiging (van hoofd en lichaam) door eene dame; Courtesy
verb. eene buiging maken (ook Curts(e)y gespeld); Courtier, kötjə,
hoveling: Courtierism, kötjerizm, hoofschheid, hoofsche manieren;
Courting = hofmaken, vrijerij; Courtliness = hoffelijkheid; adj.
Courtly; Courtship = vrijerij.
Courtney, kɐ̂tni; Courtray, kûətrei, Kortrijk.
Cousin, kɐz’n, neef, nicht: Cousin Betty = halfwijze; First cousin =
Cousin-german = volle neef of nicht; Cousinship = neefschap,
verwantschap.
Coutts, kûts.
Cove, kouv, subst. inham, baai, kreek, hol, gewelf; strook
prairie-grond; vent; Cove verb. verwulven; Coving = het vooruitsteken
der bovenverdiepingen; adj. overhangend.
Covenant, kɐvən’nt, subst. verdrag, contract, verbond, acte; Covenant
verb. zich verbinden, overeenkomen, volgens acte schenken; Covenanted =
door een verdrag gebonden; Covenanter = aanhanger van de Partij der
Schotsche Presbyterianen (1638).
Covent Garden, kɐvən(t)gâd’n, groente- en fruitmarkt (Londen).
Coventry, kɐv’ntri: To send to Coventry = doodverklaren, ignoreeren.
Cover, kɐvə, subst. bedekking, deksel, scherm, (boek)omslag, foudraal,
band (The book is interesting from cover to cover); struikgewas,
schuilplaats (The fox broke cover = kwam uit zijne schuilplaats),
beschutting; couvert (bord, vork, mes, lepel); Cover verb. bedekken,
bemantelen, bekleeden, beschermen, dekken, omhullen, inwikkelen;
afleggen, broeden, van gelijke uitgestrektheid zijn, bevatten, mikken
op, onder schot nemen, insluiten: That covers everything = sluit alles
in; We have covered a mile = eene mijl afgelegd; I knelt down, covered
the tiger, and fired = mikte op; The house is covered in = onder dak;
The balcony has just been covered in with glass = rondom omsloten;
Cover-side = jachtterrein (eig. plaats bij de schuilplaats van wild of
vossen); Covering = bedekking, dek, omhulsel, dekmantel, (lijk)wade;
Covering-party = bedekking; Coverlet = sprei, soms Coverlid; Covert,
kɐvət = subst. schuilplaats, lommerrijke plek, leger (van wild); adj.
verborgen, geheim, beschermd: Femme covert = getrouwde vrouw;
Covert-coating = een bepaalde stof; Coverture = beschutting,
lommerrijke plaats; staat der gehuwde vrouw.
Covet, kɐvət, vurig verlangen, begeeren, hunkeren: Thou shalt not covet
= gij zult niet begeeren; Covetous, kɐvətɐs, begeerig, hebzuchtig;
subst. Covetousness.
Covey, kavi, broedsel, vlucht (patrijzen), troep: kouvi, ventje.
Cow, kau, subst. koe; Cowbane = waterscheerling, hondspeterselie;
Cowberry = roode boschbes; Cow-boy = koejongen, bereden koeherder
(Amer.); Cow-bunting = (Amerik.) lijster; Cow-catcher = toestel vóór
aan de locomotief om de baan schoon te maken (Amer.); Cow-feeder =
koehouder (hoeder); Cow-hide = subst. koehuid, grove rijzweep; Cow-hide
verb. afranselen; Cow-house = koestal; Cow-leech = koedokter; Cow-lick
= weerbarstige haarlok; spuuglok; Cow-pock = koepok; Cow-pox =
koepokken; Cow-shed = koestal; Cowslip = sleutelbloem; Milch cow =
melkkoe: To look upon one as a milch cow.
Cow, kau, vrees inboezemen, bang maken.
Coward, kauəd, subst. lafaard; beest met den staart tusschen de pooten
(Herald.); adj. lafhartig, verachtelijk; Cowardice = lafhartigheid =
Cowardliness; adj. Cowardly.
Cower, kauə, neerhurken (down), ineenkrimpen.
Cowes, kauz, Cowes.
Cowl, kaul, monnikskap, gek op een schoorsteen, kap van ijzerdraad op
den schoorsteen van een locomotief; watervat, tusschen twee mannen aan
een stok gedragen.
Cowley, kauli.
Cowlstaff, kaulstaf. Zie Colstaff.
Cowper, kûpə, kaupə.
Cowry, kauri, porseleinslak, schelp als ruilmiddel gebruikt.
Cox, koks; Zie Coxswain.
Coxcomb, kokskoum, zotskap, fat, pronker; hanekam (plant);
Coxcom(b)ical, kokskomik’l, fatterig, ijdel.
Coxswain, kokswein, koks’n, stuurman.
Coy, kôi, adj. bedeesd, zedig, preutsch; Coy verb. afvleien (from);
zich zedig gedragen; subst. Coyness.
Coyote, koujout, prairiewolf.
Coz, kɐs, familiaar voor Cousin.
Cozen, kɐs’n, beetnemen; Cozenage = beetnemerij; Cozener = bedrieger.
Cozy, Zie Cosy.
Crab, krab, subst. krab, kreeft (in den Dierenriem), kaapstander,
kraan, gangspil, wilde appel, gemelijk mensch; adj. zuur, gemelijk,
norsch; Crab verb. verbitteren, ontstemmen, bederven: He has caught a
crab = hij heeft (bij het roeien) een snoek gevangen (fig.); Don’t crab
the whole thing now = zeg er eens, bederf het spel nu niet; Crab-louse
= platluis; Crabsidle = in zijwaartsche richting voortbewegen;
Crab-tree = wilde appelboom; Crabbed = zuur, oneffen, grommig, verward,
onleesbaar: Crab manuscripts; subst. Crabedness; Crabber =
krabbenvisscher.
Crack, krak, subst. gekraak, spleet, deuk, barst, (donder)slag,
stemverandering (van jongen tot man), verbijstering (van het verstand),
oogenblikje; kraan, piet; adj. kranig, uitstekend, chic, keur..; Crack
verb. barsten, breken, knappen, knetteren, scheuren, diep treffen,
verbijsteren, bluffen; doen knallen, breken, vernielen, uitdrinken,
opkammen: He got it in a crack = onmiddellijk; There is a crack in your
head = je bent niet recht snik; Crack piano; Crack surgeons; The
premier is a crack speaker; To crack a crib = inbreken (in een huis);
He was not in the habit of cracking jokes = geestigheden te tappen; All
the inhabitants cracked up that watering-place (to the skies) =
verhieven die badplaats tot in de wolken; Cracked = gemalen,
fijngedrukt, gescheurd; gek = Crack-brained; He is a crack-hemp
(crack-rope) = hij verdient de galg, hij komt nog wel eens aan de galg;
A crack-jaw = niet uit te spreken; Cracksman = inbreker; Cracker =
knal, knalbonbon (pistache), voetzoeker, iets buitengewoons, blufferij,
groote leugen, biscuitje; Crackey = drommels; Crackle = knetteren;
Crackling = zwoerd van gebraden varkensvleesch; Cracknel = krakeling,
bros beschuitje.
Cracow, kreikou, Krakau.
Cradle, kreid’l, subst. wieg, bakermat, kindsheid, net (of filet) in
een spoorwagon, spalk, zwachtel, graveerstift, zeisboog; toestel bij ’t
redden van schipbreukelingen; goudwaschmachine; Cradle verb. wiegen,
tot bedaren brengen, bakeren, maaien (van koren), in eene wieg liggen,
in de wieg leggen: I have known him from the (his) cradle = van zijne
geboorte, van kindsbeen af; Cradled in innocence = in onschuld;
Cradle-clothes = luren; Cradling = ribben van een gewelfde zoldering.
Craft, krâft, kunstvaardigheid, sluwheid; beroep, ambacht,
kunstnijverheid; vaartuig: The Craft = de vrijmetselarij; Small craft =
kleine vaartuigen van allerlei soort; Craft-guild = handwerksgilde;
Craftsman = bekwaam handwerksman; Craftsmanship = het werk (beroep) van
een craftsman; Craftsmaster = meester (in zijn vak); Craftiness =
subst. v. Crafty = listig, sluw.
Crag, krag, ruwe rotst(punt), klip; Crag-and-tail = rots, steil aan de
eene zijde, en langzaam af hellend aan de andere; Cragged (= Craggy) =
rotsig, oneffen, stroef (van gelaatstrekken b.v.); subst. Craggedness =
Cragginess.
Craigenputtock, kreig’npɐtək.
Crake. Zie Corn-crake.
Cram, kram, subst. ingepompte kennis, leugen; Cram verb. volstoppen,
inproppen, inpompen, gretig eten; Cram-jam = propvol; Crammer = leugen.
Crambo, krambou: Dumb crambo = spel, waarin het te raden rijmwoord
slechts door gebaren mag worden aangewezen.