boot, innemen, in eene boot varen of roeien; Don’t put me in the same
boat with him = stel me niet met hem op ééne lijn; We are (sailing) in
the same boat = wij varen in hetzelfde schuitje (fig.); To take boat at
= in de boot, scheep gaan te; Sauce-boat = sauskom; Boat-bill =
Braziliaansche lepelaar; Boat-fly = rugzwemmer (insect); Boat-house =
schuitenhuisje; Boat-man = jolleman, schipper, bootenverhuurder;
Boat-race = roeiwedstrijd; Boat-rope = vanglijn; Boatswain, bous’n,
bootsman; Boatswain’s call = bootsmansfluitje; Boatable = bevaarbaar
voor eene boot; Boatage = transport per boot; vracht; gemiddelde
capaciteit der scheepsbooten; Boating = bootjevaren, zeil- of
roeisport.
Bob, bob, subst. korte, hortende beweging, ruk, stoot, slag;
slingerschijf, lood, oorbelletje, bosje bladen (vruchten, bloemen,
wormen), dobber, 17de eeuwsche pruik van kort haar, korte pruik; vent,
kerel (verkorting van Robert), een shilling; een harmonisch luiden op
verschillende klokken (Bob minor op zes kl.; Bob triple op 7, etc.);
Bob verb. heen en weer (op en neer) bewegen, peuren, steken, kort
afsnijden, bedriegen, hengelen naar, knikken, opduiken; Bob-apple,
Bob-cherry = spel, waarbij naar een appel of kers wordt gehapt, die aan
een touwtje hangt; Bobstay = waterstag (zeeterm); Bob-tail =
bolstaartje: Tag-rag and bob-tail het janhagel; Bob-tail-wig = Bob-wig
= korte pruik; Bobber = dobber; Bobbish = vergenoegd; gezond; Bobby =
klabak; nuchter kalf; Bobbery = herrie, lawaai; Bobbin, bobin, spoel,
klos, haspel, een smal soort lint: Bobbin-work = kloswerk; Bobbinet,
bobinet, of bobinet = soort tulle.
Bob(o)link, bob(ə)liŋk, Amerik. rijstvogeltje.
Bocking, bokiŋ, grove wollen stof.
Bode, boud, voorspellen: That bodes well for the issue of the war;
Boding, subst. voorteeken; adj. veel beteekenend, onheilspellend (=
Bodeful); Bodement = voorspelling, voorgevoel.
Bod(d)ice, bodis, keursje, korset, lijf (v. japon).
Bodied, bodid: Full bodied = pittig; Bodiless = onlichamelijk; Bodily.
Zie Body.
Bodkin, bodkin, priem, rijgpen, lange haarspeld, kleine dolk: To ride
(sit, travel) bodkin = tusschen twee personen op een bank, in een
rijtuig zitten, als er slechts voor 2 ruimte is; “pasteitje” rijden.
Bodle, bod’l, Boddle, bod’l, Schotsche munt (= ⅙ penny): Not worth a
bodle = geen duit waard.
Bodleian, bodlîən, bodliən: Bodleian Library = Bibliotheek door Sir T.
Bodley te Oxford gesticht.
Body, bodi, subst. lichaam, romp; lijk; lijfje, keurs; hoofdbestanddeel
(-inhoud), kern; het inwendige; persoon; corporatie, lichaam; troep,
bent; sterkte, dichtheid; stof, materie, stelsel; Body verb.
belichamen: A respectable-looking body = persoon; He is but a poor body
= arme stakkerd; What a body you are! = wat ben je druk (lastig)! In a
body = allen te zamen; He is a nobody = niets; The body of the House of
Commons = het eigenlijke Huis, het inwendige; The body of a will =
inhoud; body of police = politiemacht; To bear body = dekken (van
kleuren); This is wine of a good body, This wine has a good body, There
is a good body to this wine = is pittig; To keep body and soul together
= den mond open houden (fig.); He set bodily about it = hij legde er
zich met de borst op toe; He was thrown bodily on to the pavement = zoo
lang als hij was; His skirts were torn off bodily = er geheel
afgescheurd; Imagination bodies forth, The form of things unknown;
Body-clothes = kleeren (Schot.); Body-cloths = paardedekens;
Body-colour = dekkleur; Body-corporate = zedelijk lichaam; Body-guard =
lijfwacht; Body-linen = lijflinnen; Body-physician = lijfarts;
Body-politic = staatslichaam; Body-snatcher = lijkenroover; klabak.
Boeotia, bioušə, Beötië; adj. Boeotian = onbeschaafd, dom; subst.
Beötiër; lomperd, domoor.
Boer, bûə, Hollandsche bewoner van Z.-Afr.
Bog, bog, subst. moeras, poel, veen(plas); Bog verb. dompelen of zinken
in modder; Bog-bean = waterklaver; Bog-butter = harsachtige stof in
venen; Bog(-house) = privaat; Bog-rush = cypergras; een soort
rietzanger; Bog-trotter = een scheldnaam, oorspronkelijk gegeven aan de
Schotsche, en thans aan zekere Iersche moerasbewoners; zware laarzen;
Boggy = moerassig.
Bogey, bougi, boeman, schrikbeeld.
Boggle, bog’l, schrikken, schichtig worden, aarzelen, huichelen,
ongedurig zijn, prutsen; subst. schrik, prutserij: He had boggled over
these words for the last hour = een uur lang er mee in zijne maag
gezeten; Boggler = aarzelend of bevreesd persoon, knoeier, stumper.
Bogie, bougi, wagentje met draaibaar onderstel, om gemakkelijk een
bocht te kunnen nemen. Zie Bogey.
Bogle, boug’l, Zie Bogey.
Bogus, bougəs, valsch, onecht, nagemaakt: Bogus cheque; Bogus club
(zoogenaamde sociëteit); Bogus diploma; Bogus firm; Bogus subscription
list.
Bogy, bougi: Black Bogy = de boeman; Old Bogy = Satan.
Bohea, bəhî, inferieure zwarte thee.
Bohemia, bəhîmjə, Bohemen; de kunstenaarswereld, meest in ongunstigen
zin; Bohemian = Bohemer; Hussiet; Zigeuner; Boheemsche taal; Bohemien,
excentriek of verloopen kunstenaar; adj. Boheemsch; ongedwongen,
verloopen.
Boil, bôil, bloedvin, bloedzweer.
Boil, bôil, koken, zieden, bruisen, gaar koken: Off the boil = van de
kook; On the boil = aan de kook; To bring to the boil; To boil away =
verkoken; To boil down to one half of its quantity (Boiled down novels
= onzinnig verkorte romans); To boil over; Boiler = kookketel,
stoomketel: Boiler-scale = ketelsteen; Boilery = ziederij;
Boiling-point = kookpunt; Boiling springs = heete bronnen.
Bois le Duc, bwâlədjûk, ’s-Hertogenbosch.
Boisterous, bôistərɐs, onstuimig, hevig, rumoerig, onbesuisd;
Boisterousness = onstuimigheid, etc.
Bokhara, bokhârə.
Boko, boukou, neus (Slang).
Bolar, boulə, bolusachtig.
Bold, bould, moedig, stout, vrijpostig, onbeschaamd, forsch, duidelijk
uitkomend, krachtig; steil, diep: May I make (be) so bold as to ask you
this? = zoo vrij zijn? Which is a bold word = en dat zegt wat;
Bold-face = onbeschaamde vent; Bold-faced = onbeschaamd; Bold-spirited
= moedig, dapper; Boldness, moedigheid, etc.
Bole, boul, boomstam; tegelaarde; nis.
Boleyn, bulin.
Bolide, bolaid, boulid, meteoor.
Bolingbroke, boliŋbruk, buliŋbruk.
Boll, boul, subst. zaaddoos, knop; oude maat voor droge waren, ook
lengte- en vlaktemaat; Boll verb. zich tot zaaddoos vormen.
Bologna, bəlounjə; Bolognese, boulənjîs, boulənjîz = Bolognian,
Bologneesch; inwoner v. B.
Bolster, boulstə, subst. peluw; compres, onderlaag, kussen; Bolster
verb. met kussens, etc. steunen, kunstmatig ophouden, verdedigen: That
opinion is bolstered up by the few survivors of the expedition = wordt
gesteund, in het leven gehouden; Bolster-case = sloop voor een Bolster;
Bolsterer, verdediger, ondersteuner.
Bolt, boult, subst. grendel, bout, korte en stompe pijl, langwerpige
kogel, rol (geweven stof); bliksemstraal, plotselinge beweging; zeef,
buil; Bolt verb. grendelen, snel voortloopen, binnenvliegen, op zij
springen, op hol gaan, er van door gaan; wegslingeren, afschieten,
opjagen, eruit flappen, haastig doorslikken of opdrinken; zich
afscheiden van (Amer.); zeeven, zuiveren, onderzoeken: To run, shoot
the bolt = grendelen; They have shot their bolt = kruit; A fool’s bolt
is soon shot = een gek heeft gauw zijn kruit verschoten; A bolt from
the blue = onverwachte, plotselinge (donder)slag (ook fig.); Bolt
upright = kaarsrecht; Bolt up against = pardoes tegen ... aan; We shall
bolt it out = nauwkeurig schiften; The horse bolted (made a bolt) =
ging op hol; She bolted with a count = ging er vandoor met; Do not bolt
your bread and butter = schrok je boterham niet zoo naar binnen; The
house bolted the Navy Estimates = deed snel af; Bolter = deserteur;
buil; Bolting-cloth = buillinnen; Bolting-hutch = zeefvat, builvat;
Bolting-mill = builmolen.
Bolton, boult’n.
Bolus, bouləs, groote pil; bittere pil (fig.).
Bomb, bom, bɐm, bom: Bomb-ketch = bom; Bomb-proof = bomvrij; Bombshell
= granaat; Bombard, bɐmbâd, bombâd, bombardeeren; Bombardier, bɐmbədîə,
bombədîə, bombardier; soort loopkever; Bombardment = bombardement.
Bombasine = Bombazine.
Bombast, bombast, bɐmbast, subst. bombast (stof); bombast (fig.);
Bombast verb. opvullen, opblazen; Bombastic(al) = bombastisch.
Bombax, bombaks, zijdewolboom.
Bombay, bombei.
Bombazin(e), bombəzîn, bɐmbəzîn, bombazijn.
Bombernickel, bombənik’l, pompernikkel.
Bombic, bombik, tot den zijdeworm behoorend.
Bombus, bombəs, oorsuizen; gerommel in de ingewanden.
Bombycinous, bombisinɐs, van zijde gemaakt, zijdewormkleurig; Bombyx,
bombiks, zijdeworm.
Bona fide, bounafaidî, bona fide, te goeder trouw, solied: Bona fide
traveller = iemand, die des Zondags verder dan 3 miles van huis is
gereisd en met het oog hierop een alcoholische verfrissching mag
gebruiken.
Bonanza, bənanzə, rijke goudader; meevallertje.
Bond, bond, subst. band, verbond, contract, obligatie, verplichting;
boei, gevangenschap; het voegen van steenen; entrepôt; Bond adj. in
slaafschen toestand; Bond verb. goederen in entrepôt opslaan,
verhypothekeeren, verbinden (van metselwerk); Bondholder =
obligatiehouder; Bond(s)man = borg; lijfeigene, slaaf; Bondmaid,
Bond-servant, Bond(s)woman = slavin; Bondage, bondidž, lijfeigenschap,
heerendienst, gevangenschap; Bondager, bondidžə, een tot heerendiensten
verplichte huurboer (Schotland); Bonder, bondə, die goederen in
entrepôt heeft; (dit zijn Bonded goods, of: Goods in bond); Bonded
warehouse = entrepôt.
Bone, boun, subst. been, graat; Bones = dobbelsteenen,
castagnetten(speler); Bone verb. de graten of beenderen verwijderen,
baleinen inzetten, met beenderenmeel bemesten; nivelleeren; stelen: I
will work my fingers to the bone for you = mij kapot werken; I have a
bone to pick with you = een appeltje te schillen; What is bred in the
bone will not out of the flesh = een vos verliest wel zijn haren, maar
niet zijn streken; To plunder to the bone = naakt uitschudden;
Whalebone = balein; Bone of contention = twistappel; Body and bones =
met huid en haar; You must make no bones about it = er geen been in
zien (vinden), geene bezwaren maken; An old bag of bones of a horse =
magere knol; Goodman Bones = Vriend Hein; Lazy bones = luilak,
luiwammes; Bone-black = beenderkool, beenzwart; Bone-dust =
beendermeel; Bone-lace = een soort kant; Bone-setter = spotnaam voor
een chirurg; Bone-shaker = spotnaam voor de oude tweewielers; Boneless
= zonder been, slap; Boning-rod = nivelleerstok.
Bonfire, bonfaiə, vreugdevuur.
Boniface, bonifeis, Bonifacius; gemoedelijke waard.
Bonnet, bonət, subst. vrouwenhoed (zonder rand), muts, kap, bonnet
(zeewezen en vestingb.), vonkenvanger (v. locomotief), balcondak (v.
wagon); verb. de muts afnemen; den hoed of de muts over de oogen
trekken, drukken of slaan: Bonnet-box = hoedendoos (v. dames);
Bonnet-cap = ondermuts; Bonnet-stand = stander.
Bonny, boni, lief, mooi, vroolijk (Schotl.): A bonny lass = knappe
meid.
Bonten, bont’n, soort wollen stof.
Bonum-magnum, boun’m magn’m, groote pruim (aardappel); soort stalen
pen.
Bonus, bounəs, subst. premie, extra dividend, gratificatie;
steekpenning; verb. eene premie of extra belooning geven.
Bony, bouni, Napoleon; adj. beenachtig, grof, beenhard.
Bonze, bonz, bonze, Boeddhistisch priester of monnik.
Boo, bû. Zie Booh.
Booby, bûbi, domkop, Jan van Gent; Booby-hut = een soort sleepkoetsje
(Amer.); Booby-hutch = boerenwagen; handkar; Booby-prize = poedelprijs;
Booby-trap = bijv.: een kan met water op een half geopende deur, die de
binnenkomende op zijn hoofd krijgt; Boobyish = stom, suf; subst.
Boobyism.
Boodle, bûd’l, bud’l, troep, hoop, steekpenning, verduisterd geld,
valsch geld, buit; uilskuiken; Boodler = ambtenaar, die geld ten eigen
bate of voor omkooperij aanwendt (Amer.).
Boody, bûdi, pruilen.
Boo(h), bû, ba! subst. gejouw; Boo verb. uitjouwen; loeien.
Bo(o)hoo, bəhû, bûhû, subst. luid schreien: A boohoo of laughter = een
bulderend gelach; Boohoo verb. blèren, huilen.
Book, buk, subst. boek, tekstboekje, schrijfboek; Book verb. boeken,
plaats bespreken, een kaartje nemen, laten adresseeren: The Book = The
Book of Books = The Book of God = Bijbel; Book of complaints =
klachtenboek; Book of reference = soort encyclopaedie; To be (to
remain) in one’s (good) books = in een goed blaadje staan (blijven); To
bring to book = ter verantwoording roepen; To get in one’s bad (get out
of one’s good) books = uit de ‘gratie’ geraken; To go beyond the book =
verder gaan dan men kan verantwoorden; To kiss the Book = een eed doen;
To run into one’s book = bij iemand in de schuld geraken; To speak by
the book = angstvallig nauwkeurig; To speak without book = onbevoegd;
uit het hoofd; To take a leaf out of one’s book = iemand iets afkijken;
You must book for Windsor = een kaartje nemen naar; To be booked =
opgegeven (van een zieke); To be booked for = vrij zeker zullen
verkrijgen; Book-account = boek van ontvangsten en uitgaven; Book-agent
= colporteur; Bookbinder(y) = boekbinder(ij); Book-case = boekenkast;
Book-hunter = verzamelaar van zeldzame werken; Book-keeper =
boekhouder; Book-keeping = boekhouden; Book-knowledge, Book-learning =
boekengeleerdheid; Book-learned = belezen (doch vaak onpraktisch);
Book-madness = bibliomanie; Book-maker = boekenmaker (in slechten zin);
beroepswedder in de sportwereld (omdat hij van zijne talrijke
weddenschappen een book aanlegt); Book-mark(er) = leeswijzer;
Book-monger, bukmɐŋgə, handelaar in boeken; Book-muslin = gestreepte
mousseline; Book-oath = eed op den bijbel; Book-positive = geheel
zeker; Book-post = afdeeling voor drukwerk; Bookseller = boekverkooper;
Book-shelf = boekenplank (Bookhanger = Book-shelves); Book-stall =
boekenstalletje; Book-stand = stalletje (Draaibare stander = Revolving
book-stand); Book-tea = een ‘tea’ waarop de gasten iets, of een kostuum
moeten dragen, dat aan een bepaald boek herinnert; Book-trade =
boekhandel; Book-worm = boekenworm (ook fig.); Bookie = Bookmaker;
Booking-clerk = klerk of ambtenaar aan het loket; Booking-hall =
vestibule met loketten; Booking-office = plaatsbureau; Bookish, bukiš,
geleerd, pedant; Bookishness = boekengeleerdheid; Booky = Bookish.
Boom, bûm, subst. boom, havenboom, spier; gebrom, gegons, gedreun,
gebulder; een plotselinge vraag naar een artikel, plotseling rijzen van
prijzen of koersen, reclame, zwendel; Boom verb. gonzen, dreunen,
bulderen; met een boom uitzetten, voortboomen; plotseling in de hoogte
gaan (drijven), zich snel ontwikkelen: The burglary season begins to
boom = het begint te leven van dieven en inbrekers; That caused quite a
boom in the oil-trade; The Wagner boom; The market was Boomish = ging
plotseling in de hoogte.
Boomerang, bûməraŋ, boemerang.
Boon, bûn, subst. gave, gunst; gebed, verzoek; afval van vlas; adj.
vriendelijk, mild; vroolijk, lustig.
Boor, bûə, boerenkinkel, lomperd, Afrik. boer: Boorish = boersch,
onbeschaafd: Boorish work = ruw hardsteenwerk; subst. Boorishness.
Boose, bûz, sterk drinken, zuipen; subst. drank; Booser = zuiper; Boosy
= dronken.
Boost, bûst, subst. een zetje; Boost verb. een zetje geven, omhoog
werpen, opkammen (fig.): The bull boosted up the sand like a whirlwind.
Boot, bût, voordeel, nut, toegift; Boot verb. helpen, baten: To boot =
op den koop toe, bovendien; What boots it? = wat geeft het? Bootless =
nutteloos; Bootlessness = nutteloosheid.
Boot, bût, subst. laars, schoen, Spaansche laars (folterwerktuig), bak
of kist (voor of achter aan een wagen), lederen kleed (voor de beenen)
in een rijtuig: Boot verb. laarzen aantrekken of aanhebben; schoppen
(Amer.): Butcher boots = vetleeren laarzen; Puss in Boots = de
gelaarsde kat; Ogre’s (Seven league) boots = zevenmijlslaarzen; The
boots = huisknecht in een hotel, jongste officier, jongste lid van een
club; I gave him the boots = de folterlaarzen aan; er van geven; Booted
and spurred = gelaarsd en gespoord; Boot-black = laarzenpoetser;
Boot-crimp = laarzebeen; Boot-last (Boot-tree) = leest; Boot-hose
(Boot-stockings) = lederen slobkousen; Boot-hook = laarzenhaak;
Boot-jack = laarzenknecht; Boot-lick = lage vleier (Amer.); Bootee,
butî, kindersokje, halve of korte dameslaars.
Booth, bûdh, bûth, kraam, tent.
Bootikin, bûtikin, laarsje.
Booty, bûti, buit, roof: To play booty = spelen met het plan om te
verliezen, of om, met een derden, den tegenspeler tot slachtoffer te
maken; To ride booty = zich laten omkoopen bij wedrennen, en
opzettelijk verliezen.
Booze = Boose.
Borage, bɐridž, bernage.
Borax, bôraks, borax; Boracic acid, bərasikasid, boraxzuur.
Bordage, bödidž, ’t bezit van een domein met verplichting van enkele
heerendiensten; zijplanken van een schip.
Border, bödə, subst. rand, grens, boord, randversiering, rabat, zoom,
smal bloembed: The Border = de grens tusschen Engel. en Schotl.; Border
verb. grenzen (on, upon), aanliggen; met een rand versieren; Borderland
= grensland (ook fig.), tusschenliggend land; The Scottish borderers =
grensbewoners.
Bore, bö, subst. boorgat, ziel, diameter, kaliber (van geweer of
kanon); vloedgolf; vervelend mensch, vervelend iets; Bore verb. boren,
doorboren, voortdringen, indringen, van de baan dringen (rensport),
tegen de omheining dringen (bij ’t boksen); den kop vooruit steken
onder ’t loopen (van paarden); vervelen: Blue bore = opening in een
wolkengordijn waardoor men ’t blauw kan zien (Schotl.); What a bore! =
wat een vervelende vent, wat vervelend; I feel bored = heb het land;
Boredom = verveling: A member of boredom = vervelende vent; Borer =
boor; Borings = krullen, door het boren ontstaan.
Boreal, bôriəl, den Noordenwind betreffend, noord - -; Boreas, bôriəs,
Boreas, Noordenwind.
Borecole, bökoul, boerenkool.
Born, bön, geboren: He was born in the fifties = is geboren tusschen
1850 en 1860; He was born (of) on a Sunday = is een Zondagskind; Born
to a large estate = erfgenaam van; He was born with a silver spoon in
his mouth = rijk (voor ’t geluk) geboren; I was not born yesterday =
ben niet van gisteren; Born again = wedergeboren; I never saw it in all
my born days = van m’n leven niet.
Borne, bön, part. perf. van to Bear = dragen: All charges borne = na
aftrek van alle kosten.
Borough, bàrou, gemeente met per royal charter verleende privileges;
een stad met vertegenwoordiging in het Parlement; Borough-english =
overgaan van land aan den jongsten, in plaats van aan den oudsten zoon
of broeder; Borough-monger, bɐroumɐŋgə, iemand, die de
parlementsplaatsen van een borough verkwanselt.
Borrow, borou, borgen, leenen van, ontleenen, copiëeren: Who goes
a-borrowing goes a-sorrowing = borgen baart zorgen; To borrow trouble =
zich onnoodig bezorgd maken.
Bort, böt, boort.
Boscage, boskidž, bosschage, boschlandschap; gedroogd loof als
veevoeder.
Bosh, boš, subst. nonsens, malligheid; margarine; Bosh verb. voor den
mal houden, bedotten.
Bosjesman, bošəzman, Boschjesman.
Bosk (Bosket), bosk, boschje; Bosky, boski, rijk aan bosch,
schaduwrijk; beneveld; Boskiness, boschachtigheid.
Bosnia, bozniə, bosniə, Bosnië; Bosniac = Bosniër, Bosnisch.
Bosom, buz’m, subst. boezem, borst; Bosom verb. in zijn hart besluiten,
geheimhouden; In Abraham’s bosom; The bosom of a shirt; Bosom-friend =
boezemvriend; omslagdoek.
Bosquet, boskət = Bosk.
Boss, bos, subst. knop, bult; misgooi; baas (Amer.); adj. voornaamste,
uitstekend; Boss verb. aan het hoofd staan van; drijven, met knoppen
versieren; missen: He bosses the show = is de baas van ’t spul;
Boss-eyed = met één oog, scheel; Bossed silver = gedreven; Bossy = met
knoppen versierd.
Boston, bost’n; adj. en subst. Bostonian; Boswell, bozwel.
Botanic, bətanik, botanisch; Botanist = plantkundige; Botanize =
botaniseeren: Botanizing-box; Botany = plantkunde.
Botany Bay, botəni bei, een vroegere strafkolonie in Oost-Australië: To
go to Botany Bay = gedeporteerd worden.
Botch, botš, subst. gezwel; leelijke lap, knoeiwerk; Botch verb.
samenflansen, leelijk lappen of verstellen; Botcher = knoeier; Botchery
= lap- of knoeiwerk; Botchy = gelapt, verknoeid.
Bot-fly, botflai, paardevlieg, brems.
Both, bouth, beide: Both you and your friend = gij zoowel als; Both of
us, of them = wij, zij beiden; Both ways = naar beide kanten, op beide
manieren.
Bother, bodhə, subst. plager, kwelgeest; Bother verb. plagen, kwellen:
Bother it = loop naar den duivel! Bother the flies! = die verwenschte
vliegen! You will bother the life out of me = je maakt me nog gek met
je gezanik; Botheration, bodhəreiš’n, gezanik: Botheration to it! =
loop naar de pomp!
Bothie, Bothy, bothi, hut, waar het boerenhulppersoneel van beide
geslachten woont (Schotl.).
Bots, bots, een door de larve der Bot-fly veroorzaakte ziekte.
Bottine, bətîn, bottine.
Bottle, bot’l, subst. flesch, karaf, leeren wijnzak; bos hooi of stroo;
verb. bottelen: Bottled up = gebotteld; ingehouden (van toorn);
Bottle-companion (Bottle-friend) = drinkebroer, pooieraar;
Bottle-feeding = grootbrengen met de flesch; Bottle-glass = groen glas;
Bottle-heath = dopheide; Bottle-holder = flesschebakje; secondant (met
flesch water ter verfrissching en afwassching) bij een vuistgevecht,
helper; Bottle-label = etiket; Bottle-nose = dikke (jenever)neus;
Bottle-rack = flesschenrek; Bottler = aftapper.
Bottom, bot’m, subst. het laagste, onderste, verste, gewichtigste (van
iets), bodem, diepte, basis, achterste einde, grens, zitting,
uithoudingsvermogen, kracht; adj. onderste, laatste; Bottom verb. een
bodem (zitting) inzetten, tot den bodem ledigen; grondvesten; rusten
op; Bottoms = droesem; schepen: The ship’s bottom = bodem; My bottom
dollar = mijn laatste dollar; Sixth line from (the) bottom = 6e regel
van onderen; The bottom line over leaf = de laatste regel van ’t vorige
blad; He is an honest man at (the) bottom, down to the bottom = in den
grond van zijn hart, door en door; To act (stand) upon one’s own bottom
= op eigen houtje handelen; To be at the bottom of = ergens achter
zitten; To get to the bottom of = grondig onderzoeken, ergens achter
komen; I will knock the bottom out of your secret = wil te weten komen
en publiek maken; To venture all in one bottom = alles op één kaart
zetten; Bottom-land = vruchtbaar oeverland (Amer.); The bottomless pit
= de bodemlooze diepte, afgrond, hel; Bottomry = bodemerij.
Bough, bau, groote boomtak: Bough-pot = bloempot; ruiker.
Bought, bôt, bocht, kronkeling.
Bought, bôt, Imperf. en part. perf. van buy.
Boulder, bouldə, subst. groote rolsteen, kei: Erratic boulder =
zwerfblok; Boulder-period = ijsperiode.
Boulevard, buləvâd, bûlvâ, boulevard.
Boulogne, bûloun, Boulogne.
Bounce, bauns, subst. plotselinge sprong, slag of stoot, terugstoot,
verwaandheid, gesnoef, aplomb, onbeschaamde leugen; Bounce verb. laten
springen, uitschelden, négeren; er uit smijten, den bons geven (Amer.),
opspringen, binnenvliegen of -stormen, opsnijden, eruit flappen; adv.
plotseling, boem! To bounce into a room = binnenstormen; To bounce out
= uitflappen; Bouncer = kanjer, dragonder (fig.), blok van een kind
(Amer.); uitsmijter; opsnijder; grove leugen; Bouncing = groot, zwaar,
sterk; blufferig.
Bound, baund, Imp. en P.P. van to bind; gebonden, bestemd (for, to)
besloten (Amer.): I’m bound to go = ga stellig; I will be bound = op
mijn woord; Homeward bound = op de thuisreis.
Bound, baund, grens(steen); Bounds = begrensd gebied: In bounds = op
het terrein, binnen het gebouw; It is within the bounds of possibility
= nog wel mogelijk; Boundless = onbegrensd; subst. Boundlessness.
Bound, baund, sprong, weeromstuit: To take a thing at the bound = de
gunstige gelegenheid waarnemen; Bound verb. springen, weeromstuiten.
Boundary, baund’ri, grens- of landpaal.
Bounden, baundən: It is my bounden duty = dure plicht.
Bounteous, bauntšəs, Bountiful, bauntiful, vrijgevig, edelmoedig,
royaal; subst. Bounteousness.