ellendig, snood; subst. zwarte kleur, zwartsel, rouwkleeding, zwarte
vlek, roos (bij het boogschieten), neger, zwartrok, roetdeeltje,
scheldnaam, brand (in ’t koren); Black verb. zwart maken, bevuilen,
bezoedelen: Black as your hat, Black as a gipsy’s eyes, Black as ink,
Black as a nigger-meeting; Black as November, Black as sables, Black as
thunder; Lampblack = lampzwart; To be in a black temper = zoo nijdig
als een spin; In black and white = zwart op wit = (To give) black on
(and) white; To be in (put into) black = in het zwart (rouw) zijn
(steken); To beat black and blue = bont en blauw; To look black = boos,
nijdig; To be black with people = zwart van menschen; He is not fit to
black your boots = uwe schoenriemen te ontbinden; Blackamoor, blakəmûə,
neger; Black art = zwarte kunst; Blackball, subst. zwarte bal (bij ’t
stemmen); brand (in tarwe), zwartsel, schoensmeer; Blackball verb.
tegenstemmen, uitsluiten; Black-band = soort van ijzersteen; rouwband;
Black beer = Dantzigsch bier; Blackbeetle = kakkerlak; Blackberry =
braambes: As plentiful as blackberries = zeer overvloedig; Blackbird =
subst. meerle, gevangen neger; Blackbird verb. negers vangen voor den
slavenhandel; Blackboard = schoolbord; Blackboding = onheilspellend;
Blackbook = rapport (onder Hendrik VIII) over de toenmalige kloosters;
tooverboek; het zwarte boek, conduitelijst, lijst v. dubieuse
debiteuren: I am in his black books = sta ongunstig bij hem
aangeschreven; Black-browed = dreigend, norsch (fig.); Black-cap =
zwarte muts door rechters bij het uitspreken van een doodvonnis
opgezet; zwartkop koolmees, kapmeeuw; breedbladige lischdodde, zwarte
framboos; Black cattle = zwart rundvee (Schotl.); Black-coat =
zwartrok; Black-cock = korhaan; Black Country = de kolendistricten van
Stafsh. en Warwsh.; Black-currant = zwarte aalbes; Black death = pest;
To have a black dog (monkey) on one’s back = To ride the black donkey =
slecht gemutst zijn; Black drop = laudanum droppel; Black earth =
teelaarde; Black-edged note-paper = met rouwrand; Black-faced = somber,
donker; Black-fellow = Australische neger; Blackfoot =
huwelijksbemiddelaar (Schotl.); N.A. Ind. stam; Black Forest = Zwarte
Woud; Black-friar = Dominikaner; Blackguard, blagəd, subst. ploert,
deugniet; adj. laag, gemeen; (ook: Blackguardly); Blackguard verb. op
gemeene wijze beschimpen, gemeene taal van of tegen iemand gebruiken;
Blackguardism = gemeen optreden; Black-hole, subst. cachot, hondegat;
Black-hole verb. in het cachot zetten; Blacking = schoensmeer;
Black-lead, subst. potlood; Black-lead verb. potlooden; Black-leg =
klauwzeer, vlekkoorts; oplichter, bedrieger; onderkruiper: They
actually black-leg them by cutting (het drukken der) prices;
Black-letter = oud Gothische letter; Black-list = officieele lijst van
bankroetiers of misdadigers; verb. op die lijst plaatsen; Black-mail =
geldafpersing, brandschatting: To levy black-mail = geldafpersen,
brandschatten; Black-mail verb. afpersen; Black Maria = dievenwagen;
Blackmartin = muurzwaluw; Black Monday = ongeluksdag, Paaschmaandag
1360; de eerste Maandag na de vacantie; Blackmonks = Benediktijner
monniken; Black-mouthed = lasterend; Black night = (iron.)
zwarte-rokkenavond; bijeenkomst voor heeren alleen; Black pudding =
beuling; Black Rod = soort ceremoniemeester en intendant van het
Hoogerhuis; Black Sea = Zwarte Zee; Black-sheep = schurftig schaap,
deugniet; onderkruiper; Blacksmith = grofsmid; Black-thorn, sleedoorn;
Black Watch = het 42e regiment Hooglanders; Blackwood = pokhout,
rozenhout; Black-work = grof smidswerk; Blacken, blak’n = zwart maken
of worden, bezoedelen, besmetten; Blackey = zwartje.
Bladder, bladə, blaas, buil, blaar; windzak; Bladdered = opgeblazen;
Bladdery = met blaren.
Blade, bleid, subst. grasspriet, halm, blad, schep, plat gedeelte,
lemmet, kling, zwaard, degen, vent, kerel; Blade verb. van een lemmet
voorzien, opsnijden, zwetsen; Blade-bone = schouderblad; Blade-smith =
zwaardveger.
Blain, blein, blaar, zweer; keeldroes.
Blamable, bleiməb’l = Blameable; Blame, bleim, berispen, laken; subst.
berisping: You are to blame = het is uw schuld; To lay the blame on =
ten laste leggen; No blame attaches to you = gij hebt geen schuld;
Blameable, berispelijk; subst. Blameableness; Blameful = berispelijk;
subst. Blamefulness; Blameless = onschuldig; subst. Blamelessness;
Blameworthy = berispelijk; subst. Blameworthiness.
Blancard, blaŋkəd, soort van Normandisch linnen.
Blanch, blânš, bleeken, laten trekken, vertinnen, (doen) verbleeken,
verzachten (over); Blanch subst. witte vlek, stuk erts: To Blanch
almonds = schillen; Blanch fever = bleekzucht; Blanching-liquor =
bleekwater.
Blanch(e), blânš, Bianca.
Blanc-mange(r), bləmonž, blanc manger.
Bland, bland, zacht, vriendelijk, minzaam; subst. Blandness.
Blandiloquence, blandiləkw’ns = vleitaal; Blandiloquent = vleiend.
Blandish, blandiš, vleien, streelen; Blandishment = vleitaal;
liefkoozing.
Blank, blaŋk, blanco, niet ingevuld, wit, blind, ledig, los,
vruchteloos, volkomen, zuiver, rijmloos, mistroostig, verbluft,
beschaamd; subst. blanco papier, leemte, niet, pauze, (doel)wit,
muntplaatje; Blank verb. verlegen maken, verijdelen, aan ’t gezicht
onttrekken, een euphem. uitdrukking voor damn: The voting-paper was
blank; I tell you so point-blank = in je gezicht; A lottery ticket that
has drawn a blank = met een niet is uitgekomen (Verg.: To prove blanks
= met een niet uitkomen); He looked blank = zag er beteuterd uit; Blank
cartridge = losse patroon; Blank door = blinde deur; Blank practice =
oefeningen met losse patronen; Blank shots = schoten met los kruit;
Blank verse = niet rijmende verzen; Blank him! = Damn him! What the
blankety blank do you want to know for? = waarom voor den drommel?
Blankness = witheid, enz.
Blanket, blaŋkət, subst. deken; Blanket verb. jonassen; de loef
afsteken: To get between the blankets = onder de dekens kruipen; To put
a wet blanket on (To throw a wet blanket over) = koud water gieten op
(fig.); Born on the wrong side of the blanket = onwettig; Blanketing =
stof voor (wollen) dekens.
Blare, blêə, subst. geloei, gebrul; verb. loeien, brullen: Blare of
trumpets = trompetgeschal.
Blarney, blâni, subst. grove vleitaal, geschetter; verb. vleien,
bepraten, bedotten: With your gift of blarney = talent om te vleien; To
put the blarney over a person = inpakken door vleierij; Try the three
B’s: B(larney), B(lather) and B(unkum); He has kissed the blarney-stone
= hij kan goed vleien en liegen.
Blaspheme, blasfîm, godslasterlijke taal spreken, spotten; Blasphemer;
Blasphemous, godslasterlijk; Blasphemy, blasfimi, godlasterlijke taal.
Blast, blâst, subst. rukwind, harde wind, krachtige luchtstroom; stoot
op een hoorn, vernietigende invloed op dieren of planten, pest, vloek,
brand (in het koren), trommelzucht (bij schapen); Blast verb.
vernietigen, verzengen, verdorren, laten springen, verijdelen,
bederven, bezoedelen; ontploffen: The Blast of Doom = de bazuin van het
Laatste Oordeel; In full blast = in vollen gang; They blasted her
character = bezoedelden; They blasted it abroad = maakten het
ruchtbaar; Blast-furnace, hoogoven; Blast-pipe = vlampijp, afvoerpijp;
Blasting-oil = nitroglycerine; Blasting-powder = mijnkruit.
Blastoderm, blastədɐ̂m, kiemhuidje.
Blatancy, bleit’nsi, drukte; Blatant, bleit’nt, druk, schreeuwerig:
Blatant nonsense = groote onzin; Blatant nothings = onbeteekenend
geschetter.
Blather, bladhə, gezwets; Blather verb. zwetsen; Blatherskite = zwetser
(Amer.).
Blatta, blatə, kakkerlak.
Blatter, blatə, kletteren; snateren; subst. gekletter; gesnater.
Blaze, bleiz, vlam, gloed, bles (op den kop van koe of paard), teeken
op boomen (door verwijdering van den bovenbast); Blaze verb. vlammen,
in gloed staan, (boomen) merken, verkondigen, bekend maken: The house
was in a blaze = in lichterlaaie; He swore like blazes = hij vloekte
verschrikkelijk; Go to blazes = loop naar de hel; How the blazes can
you stand the head-work you do? = hoe drommel kunt gij dat met het
hoofd werken zoo uithouden? What the blue blazes = wat weerlicht! To
blaze away = los branden, er op los werken (praten); The stars
themselves blaze forth the death of princes = kondigen der wereld aan;
The newspapers blaze with his name = zijn vol van; Blazer = snikheete
dag; gekleurde, gestreepte sportjekker.
Blazon, bleizn, bleiz’n, subst. blazoen, wapenschild, wapenkunde,
voorstelling, bekendmaking, praal; Blazon verb. blazoeneeren,
versieren, beschrijven, bekend maken, uitbazuinen; Blazoner =
heraldicus, heraut, lofredenaar; Blazonment = wapenteekenen,
kleurenpracht, uitbazuining; Blazonry = wapenkunde, wapenteeken,
versiering met herald. figuren.
Bleach, blîtš, bleeken, wit maken (worden); Bleacher = bleeker;
Bleachery = bleekerij; Bleaching-liquid; Bleaching-powder;
Bleaching-ground (= Bleach-field) = bleekveld.
Bleak, blîk, subst. bliek.
Bleak, blîk, kaal, ruw, guur, droevig; Bleakness = kaalheid, etc.
Blear, blîə, adj. dof, zeer, druip - -; Blear verb. verduisteren, doen
druipen, bevuilen: To blear the eyes = om den tuin leiden; Blear-eye =
druipoog; Blear-eyed = druipoogig; Blearedness = zeerheid;
verduistering.
Bleat, blît, subst, geblaat; Bleat verb. blaten.
Bleb, bleb, luchtbel, blaartje, puistje.
Bled, bled, imperf. en part. perf. van to bleed.
Bleed, blîd, bloeden, zijn bloed storten, aderlaten, (sap) aftappen,
laten uitloopen: To bleed freely = erg; To bleed white = uitzuigen
(fig.); He bleeds at the nose = uit den neus; To bleed to death =
doodbloeden; To make one bleed = laten bloeden (fig.).
Blemish, blemiš, subst. vlek, smet, klad; Blemish verb. bevlekken,
besmetten, bezwalken; Blemishless = vlekkeloos.
Blench, blenš, terugdeinzen, wijken.
Blend, blend, vermengen, zich vermengen, onmerkbaar in elkaar overgaan;
subst. vermenging, mengsel: The blended scents of tea and coffee; This
tea is a favourite blend; Blend-corn = tarwe en rogge dooréén verbouwd;
Blend-water = nierziekte bij rundvee; Blender = menger.
Blenheim, blen’m, een soort spaniel, bruin en wit gevlekt; edele
appelsoort gekweekt op Blenheim House, het kasteel van de hertogen van
Marlborough = Blenheim orange.
Blesbock, blesbok, Z.-Afr. antilope.
Bless, bles, zegenen, heiligen, wijden, gelukkig maken, verheerlijken,
gelukkig achten: To bless oneself = zich gelukkig achten; Not to have a
penny to bless oneself with = geen rooien duit bezitten; Bless me, no!
= om den drommel niet! Bless my eyes (soul) = sapperloot! A blessed man
= gezegend, gelukkig; A blessed fool = groote gek; He was blessed in a
fair daughter = gezegend met; The abode of the blessed (of bliss) = der
gelukzaligen; Of blessed memory = zaliger gedachtenis; The whole
blessed day = de lieve lange dag; Blessedness: To live in single
blessedness = ongetrouwd zijn (iron.); Blessing = zegen, zegening,
gave, geschenk, gunst; To ask a blessing = bidden vóór den maaltijd;
een zegen afsmeeken.
Blet, blet, subst. overrijpheid van vruchten, rotte plek: Blet verb.
rotte plekken hebben.
Blether, bledhə (Zie Blather).
Blight, blait, subst. meeldauw, brand, vorst; soort bladluis;
pestlucht; bederf: Blight verb. doen verdorren, verwelken; vernietigen,
bederven: Potato-blight (= Blight-rot) = aardappelziekte; Blighter =
snaak, lammeling.
Blind, blaind, blind, bedekt, verborgen, duister, onbezonnen, valsch,
onbestelbaar; subst. ophaalgordijn, blind, vensterluik, oogklep (ook
Blinder genoemd), blinddoek, voorwendsel, uitvlucht, blindeering; Blind
verb. verblinden, verduisteren, bedriegen: Among the blind the one-eyed
blinkard reigns = is Éénoog Koning; Blind of an eye = blind aan een der
oogen; Blind to his interests = blind voor; That proposal was a mere
blind = voorwendsel; Roller blinds = rolluiken; Venetian blinds =
jalouzieën; Wire blinds = horretjes; Blind alley = zak; Blind bargain =
kat in den zak (fig.); Blind business = voorgewend (bijv. een barber’s
shop, die een betting-house blijkt te zijn); Blind-coal, glanskool;
Blind door; Blind-drunk = stomdronken; Blindfold, subst.: Your egotism
is a blindfold to his virtues = maakt u blind voor; adj. geblinddoekt;
Blindfold verb. blinddoeken; Blind-Harry (Blindman’s-buff) = blindekoe,
blindemannetje; Blind letter = onbestelbare brief (Blindmen,
Blindofficers, Blindreaders = ambtenaren bij het bureau daarvan);
Blindman’s holiday = de tijd voordat het licht wordt opgestoken;
Blind-shell = granaat zonder springlading; niet gesprongen granaat; To
get on one’s blind side = iemand in zijn zwak tasten; Blind-staggers =
beroerte: It gave me the blind-staggers = ik kreeg er een beroerte van
op mijn lijf; Blind-worm = hazelworm; To blind oneself to the truth =
de oogen sluiten voor; Blindage = blindeering; Blindness = blindheid.
Blink, bliŋk, subst. blik, oogwenk, knipoogje, glans, weerschijn v.
ijsvelden, ijsberg; Blink verb. gluren, knipoogen, glanzen; ontduiken,
ontwijken: To blink a question = ontwijken.
Blinkard, bliŋkəd, kortzichtig; subst. bijziende persoon, sufferd: His
blinkard generation = (ver)blind geslacht.
Blinkers, bliŋkəz, oogkleppen.
Bliss, blis, zaligheid; Blissful(ness) = zalig(heid).
Blister, blistə, subst. blaar, trekpleister; Blister verb. blaren
krijgen, blaren trekken, eene trekpleister leggen op; Blister-beetle
(Blister-fly) = Spaansche vlieg; Blister-plaster = trekpleister;
Blistery = met blaren.
Blite, blait, sapkelk, Goede Hendrik.
Blithe, blaidh, vroolijk, blijde = Blithesome.
Blizzard, blizəd, koude sneeuwstorm in N.-Amerika; moeielijke vraag,
“harde noot” (Amer.).
Bloat, blout, (doen) opzwellen, opblazen, ijdel maken, rooken (van
visch); Bloatedness = opgezwollenheid, opgeblazenheid.
Bloater, bloutə, bokking.
Blob, blob, bobbel, blaar, klont, klets: A blob in the eye from a wave;
Blob of ink; Bloblip(ped) = dikke; Blobnose = mopneus.
Block, blok, subst. blok, onthoofding, stommeling, pruikebol,
hoedenvorm; blok huizen; belemmering, stremming van passage (ook
Block-up); stuk of gedeelte van een spoorbaan; Block verb. insluiten,
belemmeren, verhinderen, in zijn fatsoen brengen, stoppen (van een
trein), in ’t ruwe vormen of schetsen (met out): The hat had been sat
on and was blocked = op een vorm gezet; Block-calendar =
scheurkalender; Blockhead = domkop; Block-house = blokhuis;
Block-printing = een manier van katoen drukken; Block-signal = signaal
om te stoppen; Block-slip = coupon van een chequeboek; Block system =
blokstelsel; Block-tin = bloktin; Block-up = versperring (To block up a
window = het uitzicht benemen); stremming (van passage); Block-wood
plaster = houten plaveisel.
Blockade, bləkeid, subst. blokkade: Paper blockade = in naam, niet door
aanwezige scheepsmacht gehandhaafd; Blockade verb. insluiten,
blokkeeren: The enemy ran the blockade = brak door onze schepen heen;
Blockade-runner = schip, dat door een blokkade heensluipt of breekt.
Bloke, blouk, kerel.
Blomary = Bloomery.
Blond(e), blond, blond, (blondine); zijden kant; Blonds = blondines;
His blond moustache; A dreamy blond = blondine; Blond-lace = zijden
kant; Blondness = blondheid.
Blood, blɐd, subst. bloed, kroost, bloedverwantschap, ras, stemming;
jongmensch, roué, fatje; het roode sap van bessen, enz.; Blood verb.
aderlaten, bloed laten proeven, aan het gezicht van bloed gewennen:
Blue blood; Fresh blood = nieuw bloed; Prince of the Royal blood;
Allied by blood; Near in blood; It runs in the blood = zit in de
familie; In cold (hot) blood = in koelen bloede (in drift); Flesh and
blood = het zwakke vleesch; His blood is up = zijn bloed kookt; Blood
is thicker than water = het bloed kruipt waar het niet gaan kan = Blood
tells; His blood be on us = kome over: This caused much bad blood =
heeft ... kwaad bloed gezet; You can’t get blood out of a stone = waar
niets is heeft de keizer zijn recht verloren; It makes my blood boil;
To show blood = zijn afkomst verraden; To wipe out by blood;
Blood-baptism = doopsel des bloeds; Blood-bespattered (Blood-flecked,
Blood-stained) = met bloed bespat, bevlekt; Blood-horse = volbloed
paard; Blood-hound = bloed- of speurhond; wreede vervolger;
Blood-letting = het aderlaten; Blood-money = bloedgeld; Blood-orange =
wijn-sinaasappel; Blood-pudding = bloedworst; Blood relation;
Blood-shed(ding) = bloedstorting; Blood-shot = met bloed beloopen
(Blood-shot eyes); Blood-squeezer = Blood-sucker; Blood-stone =
bloedsteen; Blood-sucker = bloedzuiger (ook fig.); Blood-swelled,
Blood-swollen = gezwollen van bloed; Bloodthirstiness =
bloeddorstigheid; adj. Bloodthirsty; Blood-vessel = ader: She broke a
blood-vessel = kreeg eene aderbreuk; Blood-wite = zoen- of weergeld;
Blood-worm = larve van een mug (Chironomus); Blooded = volbloed;
Bloodiness = bloederigheid; bloeddorst; Bloodless = bloedeloos, zonder
bloedstorten, koud, harteloos; subst. Bloodlessness; Bloody =
bloederig, bloeddorstig; vervloekt, verduiveld: A bloody fool =
aartsstommeling; Bloody-bones = boeman; Bloody-flux = dysenterie.
Bloom, blûm, subst. bloesem, bloem, blauwachtig waas op frissche
vruchten, blos, dons, bloei, gefrischt stuk ijzer; Bloom verb. bloeien;
Bloomer = ontloken knop; lief kind; reform kostuum (korte rok met
Turksche broek van 1850); Blooming = verduivelde (Zie Bloody): Blooming
nonsense; A blooming idiot; Blooming beaks = beroerde
magistraatspersonen; A blooming copper = lamme klabak; Bloomy =
bloeiend, donzig.
Blossom, blos’m, subst. bloesem, perzikkleur(ig paard); Blossom verb.
bloeien, zich ontwikkelen: He blossomed out into some racy
reminiscences = hij raakte aan het praten over; Blossom-faced = met
rood, gezwollen gezicht.
Blot, blot, subst. vlek, smet, doorhaling; niet gedekte steen bij het
pufspel (dammen); Blot verb. bevlekken, bezoedelen; uitwisschen,
doorhalen, te niet doen, doen vergeten (out); vloeien: To cast a blot
upon = een smet werpen op; To hit a blot = een niet gedekten steen
nemen; een wondplek aanraken (fig.); To leave a blot = een steen
ongedekt laten staan; Blotter = vloeiblok; klad; Blotting-book =
vloeiboek; Blotting-pad = vloeiblok; Blotting-paper = vloeipapier.
Blotch, blotš, subst. puist, blaar; vlek, smet; Blotch verb. vlekken;
Blotchy = vol puisten, bedekt, onduidelijk.
Blount, blont.
Blouse, blauz, kiel, blouse, blouseman.
Blow, blou, subst. slag, windvlaag, vliegenei, bloei, bluf, shilling;
Blow verb. blazen, waaien, hijgen, toeteren, spuiten, uitblazen,
aanblazen, opblazen, snuiten, orgeltrappen, verspreiden; eieren leggen,
in de lucht laten vliegen, ontploffen: At a blow = in één klap: To come
to blows = handgemeen worden; They took the town without a blow =
zonder slag of stoot; That’s the way the wind blows = uit dien hoek
waait; Huge winds blow on high hills = hooge boomen vangen veel wind;
It’s an ill wind that blows nobody good = geen kwaad zonder baat; To
blow eggs = uitblazen; Blow the expense! = ’t kan niet schelen wat het
kost; To blow kisses at = kushandjes geven; To blow one’s nose =
snuiten; You be blowed! loop jij naar den duivel; To blow hot and cold
= uit twee monden spreken; nu eens erg lief en dan weer onvriendelijk
zijn; Met voortzetsels en bijw.: To get a good blowing about = eens
flink doorwaaien; To blow away = wegblazen, wegwaaien; To blow down =
omwaaien; My umbrella was blown inside out; To blow off = afwaaien,
uitlaten van stoom; He blows on his coffee = blazen om af te koelen; To
blow out = uitblazen; He blew out his brains = schoot zich voor ’t
hoofd; He blew out the tyres = pompte op; A blow-out = smulpartij,
festijn; To blow over = omverwaaien; overwaaien (van gevaar, een storm,
etc.); To blow up = opblazen; in de lucht laten vliegen; den mantel
uitvegen: To give a good blow(ing)-up = een flink standje; To blow upon
= blazen op; bederven, belasteren, verraden; Blow-ball = uitgebloeid
bloemhoofdje van eene paardebloem, etc.; Blow-fly = vleeschvlieg;
Blow-gun = windroer, blaaspijp (wapen); Blow-hole, trekgat, neusgat v.
een walvisch; wak (in het ijs); Blower = blazer, glasblazer,
orgeltrapper, reguleerschuif, soort ventilator; Blown = buiten adem;
Blown-glass = geblazen glas; Fly-blown meat = bedorven vleesch (wegens
de maden); Blowy = winderig.
Blowze, blauz, dikke, gezonde meid; Blowzed = roodwangig, boersch;
Blowzy = roodwangig; verward, slordig.
Blubber, blɐbə, subst. walvischspek, zeenetel; Blubber verb. tranen met
tuiten schreien.
Blucher, blûtšə, halve laars met veters.
Bludgeon, blɐdž’n, knuppel, knots.
Blue, blû, blauw, azuurkleurig, trouw, standvastig, conservatief,
landerig, somber, norsch, buitengewoon, gemeen; subst. blauwe kleur,
blauwsel; het azuur, conservatief, blauwkous; Blue verb. blauw verven,
blauwen: To be blue (Blue as indigo = Stone blue); A blue Presbyterian
= echte; Blue Water School = tegenstanders van een staand leger, omdat
ze een sterke vloot voldoende achten; A true-blue Tory = echte; To blue
the swag = de “boel” er door brengen; To have (To be in) the blues =
het land (stierlijk het land) hebben; To give the blues = landerig
maken; The Blues = The Royal Horse Guards; Blue-bell = grasklokje,
scilla, knikkende vogelmelk; Blueberry = rijsbes; Blue-bird = Am.
blauwkeeltje; Blue-bonnet = Schot, Schotsche muts; korenbloem;
blauwmeesje; Blue-book = in Engeland officieele regeeringsbescheiden en
rapporten; lijst van rijksambtenaren met hunne salarissen (Amerika);
Blue-bottle = korenbloem; bromvlieg; politieagent; Blue-breast,
blauwborstje; Blue-cap = eene zalmsoort; korenbloem; klabak; Blue-coat
= een jongen van Christ’s hospital in Londen (wegens de lange blauwe
jas die zij dragen); Blue-devils = landerigheid, katterigheid, delirium
tremens; In a blue funk = erg in de rats; Blue-gown = gepatenteerd
bedelaar (Schotl.); Blue-jacket = matroos, Janmaat; Once in a blue moon
= alle blauwe Maandagen; Blue-ointment = kwikzalf; Blue-Peter = blauwe
signaalvlag, ten teeken dat het schip gereed is om uit te zeilen;
Blue-pill = kwikpil, blauwe boon (fig.); Blue-ribbon = het lint van de
orde van den kouseband; eerste prijs; uitstekende kok; insigne der
geheelonthouders: To be a blue-ribbon; To break one’s blue-ribbon;
Blue-ribbonism; Blue-ribbonist; Blue-ruin, slechte jenever,
volkskanker; Blue-stocking = blauwkous; Blue-stockingism =
blauwkouserij; Blue-throat = blauwkeeltje; Blueness = blauwheid;
Blueish = blauwachtig.
Bluff, blɐf, breed en plat, steil, open, rond, goedmoedig, barsch,
lomp; Bluff subst. steile oever, steile en breede klip of voorgebergte;
grootspraak, brutaliteit, een soort kaartspel; Bluff verb. overbluffen,
driest, aanmatigend optreden: Bluff King Hal = de royale, ronde koning
Hendrik VIII; That is a piece of bluff = opsnijderij, grootspraak,
brutaliteit; He bluffed it through = hij sloeg er zich brutaal
doorheen; You don’t bluff me = ik laat me niet bang maken; Bluffbowed =
met breede en platte boeg; Bluffness = rondborstigheid, lompheid;
Bluffy = steil; ruw, plomp.
Bluggy, blɐgi, bloederig: A bluggy story.
Blunder, blɐndə, subst. grove fout, bok; Blunder verb. een groven
misslag begaan, domme fouten maken, knoeiwerk leveren, verknoeien,
voortsukkelen, uitflappen (out); Blunderhead = domkop; A Blunderheaded
fool; Blunderer = knoeier; Blundering = dom, stom; subst. domheid.
Blunderbuss, blɐndəbɐs, donderbus, snaphaan.
Blunt, blɐnt, adj. stomp, dom, ongevoelig, grof, kortaf, open,
eenvoudig; subst. moppen (geld); Blunt verb. verstompen, verzwakken;
Blunt-edged = stomp; Blunt-witted = bekrompen, dom; Bluntness =
stompheid, etc.
Blur, blɐ̂, subst. smet, vlek, klad, nevelachtigheid, onduidelijkheid;
Blur verb. bevuilen, bezoedelen, verduisteren, verdooven; adj. Blurry.
Blurt, blɐ̂t, er uit flappen (out).
Blush, blɐš, subst. blos, blosje, blik; Blush verb. rood worden,
blozen, zich schamen; At (the) first blush = bij den eersten oogopslag;
He put us to the blush = maakte ons beschaamd; To blush crimson; To
blush all over = diep blozen; To blush down = beschamen, overtreffen;
Blush-rose = soort bleekroode roos; Blushful = blozend.
Bluster, blɐstə, razen; stormen, tieren, gieren, snoeven, intimideeren
(into); subst. geraas, etc.; Blusterer = bulderaar, opsnijder.
Bo, bou, interj. Boeh! He cannot say bo to a goose = hij kan geen tien
tellen; To play at bo-peep = kiekeboe spelen.
Boa, bouə, groote slang; boa: A feather boa; Boa Constrictor =
reuzenslang.
Boadicea, bouədisîə; Boanerges, bouənɐ̂džîz, zonen des donders (Mark.
III, 17); zeloot.
Boar, bö, subst. mannetjesvarken, wild zwijn (= Wild boar);
mannetjes....
Board, böd, subst. plank, tafel, kost, onderhoud, kostgeld;
bestuurstafel, commissie of bestuur; bord, karton, bordpapier, boord,
gang, slag; Board verb. met planken beschieten; in den kost nemen, den
kost geven; aan boord gaan, enteren, aanklampen; instijgen (Amer.); in
den kost zijn, wonen: Superior board = kost en inwoning in beschaafd
gezin; Board and lodging = kost en inwoning; Board and lodging letter =
bedankje na logeeren; On the boards = op de planken, het tooneel; Bound
in boards = gekartonneerd; Above board = openhartig, eerlijk; To go by
the board = overboord gaan, te gronde gaan; On board the steamer; To go
on board; To have too much on board = te veel gedronken hebben; To lie
board and board = naast elkaar; To put out to board = uitbesteden; He
worked out his board = hij verdiende met zijn werk den kost; Billboard
= aanplakbord; Schoolboard = schoolbestuur; Board of Public Works =
bouwcommissie; Board of Trade = een soort Ministerie van Handel en
Verkeer (een afdeeling v. den Privy Council, verdeeld in 6
Departementen: Commercial, Statistical, Railway, Harbour, Marine en
Financial); Board-man = wandelende advertentie, met een bord vóór en
een achter zich; Board-meeting = bestuursvergadering; Board-room =
directiekamer; Board-school = openbare lagere school (onder toezicht
van den School-board van een der Schooldistricten waarin Engl. en
Schotl. zijn verdeeld); Board-wages = keukengeld aan meiden en knechts,
waarvan ze hun eten betalen; Boarder = kostganger, kostleerling;
Boarding = enteren; beschot; Boarding-axe = enterbijl; Boarding-clerk =
ambtenaar van een tolkantoor of scheepsfirma, waterklerk;
Boarding-house = kosthuis, pension; Boarding-out = het buitenshuis in
den kost zijn; uitbesteden; Boarding-school = kostschool.
Boast, boust, subst. bluf, gepoch, roem, trots; Boast verb. pochen,
zich beroemen op, pronken, bluffen (of, about, in); ruw behouwen:
Holland can boast many great statesmen = zich beroemen op het bezit
van; Not much to boast of = niet veel zaaks; Boaster = bluffer;
steenhouwersbeitel; Boastful(ness) = pralend (pralerij).