_Blome der Doechden_ [Zijnoot: Bloem der Deugden.] genoemd, waarin hij
_der Minnen Loop_ wel niet verloochent, maar toch scherp laakt[16].
Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke wijze den
auteur van _der Minnen Loop_ tegenover dien van de _Bloem der Deugden_
gesteld; die tegenstelling is door POTTER zelf in den aanvang van zijn
laatste werk bovendien toegelicht. Die miniatuur toont ons in een
lusthof een "out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een
mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt en tevens
vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende kruiden. Die had hij
alle te zamen in zijne onwetendheid en onnoozelheid in één korf
geworpen. Zóó, dat hij de goede niet van de kwade had gescheiden, wat
hem ook niet mogelijk was.
Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig gekleed, die een
paar mooie bloemen uit den korf neemt. Deze stelt den ouderen POTTER
voor, die tot beter inzicht gekomen is; want dat de auteur van _der
Minnen Loop_ voorgesteld wordt als "van grover erde ende onghemaect van
lijflijker scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de oudere
POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. Deze immers heeft de
onwetendheid van dien groven mensen bemerkt en de heilige goddelijke
Drievuldigheid aangeroepen, hem wijsheid te verleenen, opdat hij de
goede, reine bloemen, waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de
overige. Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en
bijeengebracht in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter
zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt iemand zijn
hand in het pik, zij zal er in blijven steken.
Deze _Bloeme der Deugden_ zou misschien kunnen goedmaken, wat hij
eertijds had misdreven met een ander boek "van wer(l)tlijker mijnnen
ende van menschelijker ijdel liefde die ut vleyschelijker becoringhen
hoeren oerspronck nemt" dat hij in zijne jonge jaren te Rome had
gemaakt; over die liefde had hij daarin veel geschreven en, naar hij
vreesde, "meer dan gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal
vergeven, omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. In zijn
tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag meer maken.
Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit _Der Minnen Loop_ terug, doch
alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting van de zedelijke
verplichtingen der kunst oorbaar achtte. De neiging tot kleurensymboliek
komt ook hier nog wel eens voor den dag en de "bose Hecuba" die het in
_Der Minnen Loop_ zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder
handen genomen[17].
Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer verschillend van
het werk zijner jonge jaren. De verdichte verhalen zijn naar den
achtergrond gedrongen of van het tooneel verdwenen. De schrijver laat
zich afkeurend uit over "woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte
of corttinghe des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die
schoone woorden schrijven, van "veel dichters ende sproeken sprekers
ende sonderlinghen [Zijnoot: in 't bijzonder.] in valsschen
hystoriën"[18]. Sprak hij vroeger luchtigjes over zijn onvoldoende
kennis, liet hij de wetenschap aan wie er lust in had om zich alleen aan
"poetryen ende oude gesten" te wijden--nu heeft hij zijne schade
ingehaald. De _Bloem der Deugden_ is samengesteld uit den bijbel en de
werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig ander geleerd
auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof heeft hij scherp
gescheiden in voorbeelden van deugd en van ondeugd; want ook de ondeugd
heeft hij in zijn boek opgenomen: op elk hoofdstuk waarin een deugd
behandeld en toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die
ertegenover staat; immers: "witte verwe onderscheidt haer selven van der
swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij ghestelt
wort"[19].
_Der Minnen Loop_ is in verzen geschreven, de _Bloem der Deugden_ in
proza. Ook dat verschil is in overeenstemming met den aanwas van
strakken ernst dien de ouder wordende POTTER te zien geeft. "Soeticheit
van sanghe van melodiën ende die genoechten van instrumenten, van dansen
ende desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS niet
geleerd, dat de "luxurie" wast door instrumenten en melodieën zooals de
kruiden bij de oevers der rivieren?[20]
Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk tot
plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering waar zij in hem mocht
opkomen te onderdrukken. De aesthetische waarde van dit prozawerk in
zijn geheel is dan ook niet groot. Maar het bloed kruipt waar het niet
gaan kan: waar POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE
BERNARDUS onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi
Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de omschrijving van
een deugd of een ondeugd de taal wel meester te zijn, al moet ook hier
natuurlijk de vraag naar de oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal
leggen[21].
DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH tot de poëten
van lager orde. Hij zelf is zich daarvan wel bewust geweest[22]. Doch
schoonheid is niet het eenige wat een literair werk van vroegeren tijd
belangrijk maakt voor den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat
het karakter. Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie
zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. Een
Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met de
bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft over
wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet ontmoet hebben;
als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter HILDEGAERSBERCH en
kondigt hij, ook als verteller, den Zeeuw CATS aan[23].
Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel blijkt te
hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische gezindheid waarin
hij kunsten en wetenschappen verheft als het middel waardoor de arme den
rijke kan evenaren en overtreffen. Opmerkelijk ook het gevoel van
onafhankelijkheid tegenover zijn publiek--zoo geheel anders dan bij
HILDEGAERSBERCH en andere sprekers en dichters--dat hem in den aanvang
van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne geschriften
allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is niet van plan zich
daarover druk te maken, hij wil dichten naar zijn eigen zin, en, zoo
vervolgt hij:
Ist dat ic yet scrive hier in,
Dat den enen of oec den anderen
Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen
Ende latent anderen luden lezen[24].
Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen
vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing van
later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een paar andere trekken van
zijn werk en zijne persoonlijkheid. Flauwtjes klinkt ons uit de verte
het bellengerinkel van STULTITIA'S narrenkap in het oor, waar wij in _De
Bloem der Deugden_ lezen: "Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele
meer scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"[25].
ERASMUS, de schrijver der _Laus Stultitiae_, doet ons denken aan Italië.
POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche dichter die
Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er gebleven, doch dat
verblijf schijnt weinig of geen invloed te hebben geoefend op zijne
ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft gekend, mag betwijfeld worden. In
allen gevalle maakt hij met geen enkel woord gewag van de Italiaansche
literatuur, en toch waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen
tijd geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook van
den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was geweest, is in
POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men als zoodanig de vermelding
van een paar groote oude steenen laten gelden[26]? Maar wat dan nog?
De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, zal hem niet
hebben opgewekt, nader kennis te maken met hun taal en hun kunst. "Ter
wereld is geen vuiler volk", zegt hij in zijn _Minnen Loop_; die vuile
honden leven in allerlei zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer
in; schelden kunnen zij, "maer sy en willen niet ten zwaerde";
hebzuchtig, onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars,
roovers--dat zijn zij. Maar de vrouwen zijn de "schoonste creaturen die
men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER blijkbaar
geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de Italianen met wie hij
in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben gemaakt over zijn Hollandsch.
Immers nog in de _Bloem der Deugden_ acht hij het noodig te verdedigen
dat "een yeghelijc sprect nae sijns lants taele"; en "daerom so sijnt in
den iersten dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre
talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"[27].
Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen onder wie zijne
zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, kunnen zich over zijn
Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. En ook dezen kan zijne ergernis
gelden; want, overtuigd van de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft
hij het op andere volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land
hebben volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; Lombarden,
Engelschen en Walen hebben daar over het algemeen geen begrip van;
enkelen mogen er zijn, maar dan zeker niet over de bergen. Ook in zijn
later leven was hij er nog steeds van overtuigd, dat men de meeste
ijdelheid en "onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen[28].
POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld, dat de kunst der
Oudheid een indruk op hem kon maken, sterk genoeg om hem te dwingen tot
eene uiting van eenige beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen
beschouwing van het Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene
kennismaking met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens met
eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua en Florence
vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften der werken van DANTE,
PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde die en bracht langs die nieuwe baan
zijn eigen kunst tot hooger ontwikkeling.
POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige soort, dat zich
openbaart vooral in overmatige verheffing van het eigen volk en in
vijandige gezindheid tegenover andere volken. In beide opzichten was hij
een type van zijn volk[29]. Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van
de baan zijner ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar
invloed ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het
nationaliteitsgevoel ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer
baan zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.