AANTEEKENINGEN

[1] Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het

onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in

LEENDERTZ' uitgave van _Der Minnen Loep_. Vgl. ook het degelijk

overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft in _Het

Land van Rembrand_ menige aardige of geestige opmerking over POTTER en

_der Minnen Loop_ ten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel

over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard--wie het om historische

waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog

verliezen, dat ook in _Het Land van Rembrand_ de schrijver der

_Literaire Fantasieën_ aan het woord is.

[2] Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet

gemakkelijk. Uit _Der Minnen Loop_ zou men opmaken, dat POTTER reeds een

man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I,

73: "vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in

zijn tweede werk _Bloeme der Deugden_, spreekt P. van _Der Minnen Loop_

als van "een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome."

[3] I, 169; II, 2394.

[4] Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091,

2372, 3025; III, 1104; I, 1841.

[5] De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De

opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL,

bl. 508 vlgg.

De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in _Der Minnen Loop_,

II, 705-6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die

TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde

opgenomen in _Van Vrouwen ende van Minne_, no. II (Inl. XVI).

[6] II, 560, 1430; IV, 2276.

[7] II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.

[8] I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18;

IV, 38 vlgg.; 1839-'42.

[9] II, 665-704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621-2; III, 191; IV, 1089

vlgg.

[10] I, 1225-'30; 2700 vlgg.

[11] I, 459-460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I,

3116-'7, 3129-'30; II, 1798-1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365-386,

612 vlgg.

[12] I, 1280 vlgg.; 585-6, 613-614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9;

II, 815-'6; 3894-'6.

[13] I, 736 vlgg.

[14] II, 297 vlgg.

[15] II, 1299-1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef

slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.

[16] Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze,

uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den

titel _Dat Bouck der Bloemen_ (Hoogstraten, L. VAN HOOF--ROELANS, 1904).

Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die

met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7-12) leest en dan

let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de

"yseren roede" vgl. _M. Loop_, I, 78-79), op het "boec van wer(l)tlijker

minnen" dat hij "in jonghen tijden maecte te rome", op alle in _Der

Minnen Loop_ voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek

worden genoemd. De "lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal

misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds

spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van

Froissard.

[17] Vgl. bl. 9, 54, 97.

[18] Bl. 35-36.

[19] Bl. 9.

[20] Bl. 79.

[21] Vgl. b.v. bl. 10, 31 (_wreetheit_), bl. 85 (_gierigheid_) en

passim.

[22] Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.

[23] I, 66; II, 636.

[24] I, 1-25; III, 1-17.

[25] Bl. 44.

[26] I, 2613; II, 3207.

[27] _Der Minnen Loop_, III, 98 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 43.

[28] _M. Loop_, II, 721 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 101.

[29] Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijd

_Giotto_ schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet

ontzenuwen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 89 / 113 题