DIRC POTTER.

Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van DIRC POTTER als

een ander type van veertiend'eeuwsche dichtkunst.

POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, later

WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. In die hoedanigheid

vergezelt hij zijne meesters op reis en wordt ook wel met zendingen

belast; een tijd lang vervult hij den post van baljuw van den Haag. Voor

zijne getrouwe diensten wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de

hofstede ter Loo in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later

een andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf

zou stichten.

Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede diensten in

dankbare gedachtenis houden; de zoon van den trouwen dienaar, GERRIT

POTTER VAN DER LOO, zag het erf, hem door zijn vader nagelaten, met nog

vijftien morgen lands vergroot[1].

In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd hij met een

geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er langer dan een jaar.

Overviel hem bij wijlen de melancolie--zou het geen heimwee zijn

geweest?--dan ging hij wandelen langs een stroomend water. Daar

verschijnt hem vrouw Venus die hem opwekt in een gedicht "den loop der

minne" te beschrijven, opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen

daaruit mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf hij

gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven _der Minnen Loop_ is

genoemd[2]. Mogen wij POTTER'S voorstelling van zaken naar de letter

opvatten, dan had hij, toen hij zijn gedicht schreef, met de liefde

afgerekend. Zelf had hij meer last dan lust van haar gehad: "wat hij

jaagde, bleef ongevangen"; den zoeten drank had hij nooit gedronken[3].

Nu wilde hij jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte

pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.

Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest zijn, in

allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid als een _leerdicht_. De

woorden _leer_ en _leeren_ vloeien hem telkens uit de pen: "had hij maar

gedacht aan zijne leer!" zegt hij van een ongelukkigen minnaar, die niet

op zijne hoede is geweest en ten gevolge daarvan met een hamer "opten

cop" werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. "Denkt

maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, "dan dwaalt gij niet van

het rechte pad af." Een minnaar moet _leeren_; vóór alles moet hij

geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, haastigheid is nooit goed, en

dan: de boom valt immers niet met den eersten slag?

In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft POTTER zijn

werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens handelen over dwaze,

goede, ongeoorloofde en geoorloofde liefde. In de goede reine liefde

onderscheidt hij weer vier graden, zooals de mystieken die in de

goddelijke liefde aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van

meer of minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een

les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere algemeene

zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend verhaal als

"exempel". Tusschen _der Minnen Loop_ en een leerdicht als _De Spiegel

der Zonden_ is dus alleen dit verschil, dat de liefde hier de plaats der

hoofdzonden inneemt en dat de "exempelen" in het eerste werk meer plaats

beslaan dan in het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden

en wendingen als: "kinder mijn", "salighe wiven", "lieve vrienden"

ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is over den

"scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen[4].

Evenals de overige leerdichten is ook _der Minnen Loop_ een vrucht

vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven van Holland was

een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan eens vertelt. De Godheid

contempleeren, dat liet hij den theologen, de medici mochten zich moeien

met hetgeen den zieken te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en

digesten--"poëten ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte. Vrouw

Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen in zijn

geheugen terug te roepen om ze aan anderen opnieuw te vertellen.

Tal van verhalen, aan OVIDIUS' _Heroïdes_ en _Metamorphosen_ of aan den

Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk gevlochten: _Pyramus en

Thisbe_, _Hero en Leander_, _Phoedra en Hippolytus_, _Ahasverus en

Vasthi_, _David en Michol_, _Jacob's dochter Dina_ zijn eenige der meest

bekende. Ook van elders heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent

blijkbaar het werk van den Duitschen "minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL

("Heer Nytert van Ruwendael"), den roman _van Tristan en Isolde_ en

WOLFRAM VON ESCHENBACH'S _Titurel_; ook de romans _van Malegijs_ en _van

Parcival_ en eene novelle als die _van Griseldis_, hier onder den naam

_van Orphaen en Lympiose_[5]. POTTER is zoozeer vervuld van zijne

literaire herinneringen, dat hij soms een beroep doet op de lectuur van

zijn publiek. In het verhaal _der Borchgravinne van Vergi_ dat ook door

hem in zijn werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:

Dat hebdi lichte ghelesen mee.

De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een of ander

geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden dienst kan hebben van

een vertrouweling; eerst die mededeeling brengt haar op de gedachte zich

te verzekeren van de hulp eener kamenier. Aan het slot van zijn werk

verzuimt POTTER niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de

dichters, zooveel over haar geschreven hebben[6].

Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die zooveel las,

zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; dat denkbeelden en

opvattingen, langzamerhand door de literatuur tot gemeen goed geworden,

in zijn werk worden aangetroffen.

De kleurensymboliek die wij hier en daar in _der Minnen Loop_ vinden;

het ontstaan van een dichtwerk uit eene "fantasie" waarin de dichter

eene verschijning ziet; eene "vraghe" door den auteur aan zijn publiek

gesteld, en die hij zelf niet kan "solveren"; het noemen van zijn naam

in de aanvangsletters der slotregels van zijn gedicht--dat zijn altemaal

trekken die wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren[7].

De gansche voorstelling der liefde als een "verband der herten"

herinneren wij ons reeds uit den _Wapene Martijn_. En waar wij POTTER

met nadruk hooren beweren dat alle verschil van stand voor de liefde

moet wijken en met blijkbare instemming vermelden dat de gemaal van

LYMPIOSE deugd boven afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan

MAERLANT'S invloed moeten denken?

Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien in POTTER'S

klacht over zijn vijand "die avontuyer", die hem in de minne altijd

ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed zien wij in de gelijkstelling

van leeken en geestelijken; die wij aantreffen in deze regels:

Elck dient bijsonder sinen God:

Soe wael dient Gode Hein ende Han [Zijnoot: Jan, Piet en Klaas.],

Ghelijck doet een begheven man [Zijnoot: kloosterling.],

Al staet die een in hogher scouwe.

Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den ongehuwden staat

en in zijn onderscheiding van _vrouwen_ en _wiven_ mogen wij staaltjes

van BOENDALE'S invloed vermoeden[8].

Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met BOENDALE'S

invloed rekening moet gehouden worden met den ganschen tijdgeest; immers

ook in dit onderscheid openbaarde zich die vrouwendienst die zulk een

gewichtig aandeel heeft gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne

volken.

Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door dezen

Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft overgenomen en in

hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor ongewijzigd is gebleven.

Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch dichter van

vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht begrip van liefde kan

wonen in "rude menschen van grover aert": boeren, visschers, slagers,

smeden, spitters en delvers, monniken, schippers en allerlei ambachtslui

zijn nooit door de liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne

uitzondering en wel voor hen "die van naturen edel sijn" en die hij

plaatst nevens de lieden "van goeder gheboort". Hij kan zich wel

voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn van "een

graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit over huisbakken

jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te begrijpen. Overal houdt

hij in zijn werk de eer hoog. Zijn kieschheidsgevoel is reeds vrij

ontwikkeld: bij verhalen als dat van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op

een meisje dat hem in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich

voor zijne hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke

mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen zijner

dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de eerbare goede

vrouwen nog wel zou vinden die voor hare mans zouden willen sterven[9].

Maar niet zoozeer is hij in bewondering voor de vrouwen of hij blijft

indachtig dat zij toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel

eens "neen" zeggen als zij "ja" meenen. De vrouw moet "heer" zijn en de

man "knecht"--ja, zegt POTTER, dat geldt voor de rechtbank der liefde,

maar in het huwelijk is het iets anders: "daer sal die man een voocht

[Zijnoot: de baas.] wesen".

Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte staat toch

de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming daarmede handelt het

tweede boek dat verreweg het omvangrijkst is, over de "goede reine

minne"; het derde, verreweg het kleinste, over de ongeoorloofde

liefde[10].

In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst kon bezwaarlijk

plaats zijn voor eenig medegevoel met den hartstocht. Eene liefde als

die van MEDEA, DIDO, HELENA, ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de

"gecke minne". Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven

kost, daar kan hij niet bij:

Om sulc wee te bliven doot,

Dat en docht mi sijn gheen noot.

HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de droeve geschiedenis

dezer twee koningskinderen die elkander zoo lief hadden, verteld heeft

en hoe HERO met LEANDER'S lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf

onder den indruk en stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:

O edel vrouwe ende goede man,

Hier sal men truwelic deyncken an.

Hier liet truwe [Zijnoot: trouwe.] truwe bliken.

Der truwen en woude sy niet bezwiken.

Die wile si leefden waren sy

Onverscheiden ende wandels vry:

Dus sijn sy in der lesten noot

Onghescheiden ghebleven doot.

Daer wrocht Venus den rechten aert.

Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit zijn lofzang

met:

Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert,

Also als ic voer hebbe bescreven.

Liefde is goed, maar--getemperd:

Minne sal sijn te maten heet,

Te maten cout ende wail ghesmeet

....

Vrou mate is een edel vorstinne.

Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen

hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde zinnelijkheid.

Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet bijzonder hoog ontwikkeld.

Kan een minnend paar zich volstrekt niet bedwingen, dan moeten zij hun

gang maar gaan--indien het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer

naar de wereld ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door

bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone HIPPODAMIA; PELOPS

heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester

nu komt manen om de vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar

hij verdrinkt. POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken

eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef kreeg loon

naar werken.

Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, dat gaat

niet aan, zegt POTTER. De eer van den man lijdt er naar de wereld niet

onder of hij al eenige bastaarden heeft; bij de vrouw is dat heel wat

anders. Ook heeft men dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere

mannen twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw twee

mannen--nooit! Kortom, het is een verschil als van dag en nacht[11].

POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van GODFRIED VON

STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, hij moge OVIDIUS' _Heroïdes_

en _Metamorphosen_ hebben gelezen--een dichter als zij is hij niet

geweest. Het licht en liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding,

WOLFRAM'S diepte en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS,

men zoekt ze in zijn werk tevergeefs.

Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat men reeds

vermoeden wanneer men eene vermelding van PARCIVAL'S zoeken naar den

Graal aantreft op bedenkelijk korten afstand van de jacht op een wilden

witten haas, die door een vijftal gezellen drie jaar lang werd

voortgezet. Dat vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar

slordige of lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste

boek, van de "gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt gij last van

de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van uw minnaar of zooals hij

het uitdrukt: kookt uw spek in goed rivierwater! Van minnende paren heet

het elders:

Sijn zij in kercken of in clusen,

Die cat siet altoos na den musen.

Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden vriend, maar laat

hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar worde, die de "potage

met het spek" naar zich toe haalt[12]. Doch tegenover zulke plaatsen die

bovendien niet talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat

POTTER, al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot

was. Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de

Rechte mynnentlike minne,

Die den menschen in den zinne

Verwerret lecht ende ghestricket.

Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen zot, die

door een meisje voor de grap als minnaar is aangenomen, slechts voor

deze Meimaand en niet langer. Wat is dat zomergekje dan opgewonden! Hij

brengt zijn liefste een meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden

uit Zotteghem--soort zoekt immers soort?--dat hij een liefje heeft die

doet wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien.

Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een dronk op staan:

So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen

In den wijn; daer gaen si sitten.

Die wile hi zweeft in deser hitten,

So werpt hi sijn arm in die lucht

Ende maect een heerlic gherucht [Zijnoot: geroep.]:

"Wy hou! ic heb minen boel ghesien!

"Huden [Zijnoot: heden.] en mach mi niet misschien

[Zijnoot: niets kwaads overkomen.]!"

Vrolic is hi mit ghesanghe.

So vraghen die ander also langhe,

Dattet die heelghesel al seit,

Wair dat Hannen sin op steit.

Des wondert den ghesellen dan

Ende segghen: "Is Hannen alsulken man?"

Ende dat hoert Hannen al te gaern,

Dat die ghesellen van der tavaern

Weten van sire minnen staet[13].

Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel min evenaren, men

kan toch zien dat het verhaal van HERO en LEANDER, zooals het in de

_Heroïdes_ voorkomt, indruk op hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft

ons hier en daar door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt

door den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in dat deel

van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op LEANDER zit te wachten:

Als my die vake dan bestaet

Ende twater an die mure slaet,

Soe waen ic alle weghe [Zijnoot: telkens.] dan

Dattu daer biste, mijn liefste man.

Wat ic lope, en vinde niet.

O wy! wat is my gheschiet!

Ic wachte, ic wake, twort my zuyr;

Ic sitte dromende by den vuyr;

My donct dan dattu by mi bist,

Dat alle gader niet en ist.

Als ic dan weder wakende werde,

So sitte ic noch bij den haerde

Ende droghe die schone sachte doecken.

O wy! ic mach dat water vloeken,

Dat so onstuyr [Zijnoot: onstuimig.] heeft gheweest

Van groten storme ende tempeest[14].

En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, omdat hij

immers "van goede reine minne" spreekt, hoe verrast hij ons daar met dit

liefelijk miniatuurtje van een paar gelieven:

Daer legghen sy in groter lust:

Menichwerff wart dair ghecust,

Die lipkijns werden gheconreydet [Zijnoot: uitgestoken.],

Vroechde meret, trueren beydet,

Menich guetlic, lieflic woert

Wort van beyden daer ghehoert,

Vriendelick drucken sy die armen,

In gueder vroechden sy hem warmen,

Lachende blencken dair die oghen,

Elck anderen troest van allen doghen [Zijnoot: verdriet.]:

Al waer hi sieck ende onghesont,

Elck ghenase in sulker stont.

Die witte kele ende wancskijn root

Mach men handelen daer al bloot.

Die borstkijns mach men wel anstoten,

Sijn sy niet te vast besloten,

Ende byeden hem gueden dach[15].

In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; toch heeft hij

ook als verteller zijne verdiensten. Een meester in die kunst, zooals

zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en CHAUCER, was hij niet, doch er is

in zijn zestigtal sproken van minne menig goed of aardig brok aan te

wijzen, dat eene plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde

sproken van onbekende dichters.

Houden wij _der Minnen Loop_ ten slotte naast een vroeger leerdicht over

dezelfde stof: _den Spiegel der Minnen_ of den _roman van de Roos_, dan

merken wij vrij wat verschil op. Het voornaamste punt van verschil is

zeker, dat tegenover een vertaald werk nu een werk is gekomen dat

oorspronkelijk mag heeten, al heeft het--gelijk zoo menig ander

oorspronkelijk werk--een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit

toont reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; doch

er is meer. Van de elementen, waaruit de _roman van de Roos_ bestaat,

vinden wij er hier eenige terug, doch op andere wijze dan daar

verbonden. In _der Minnen Loop_ is geen plaats voor de minachting der

vrouw, noch voor het scepticisme, noch voor het cynisme, dat JEAN DE

MEUNG kenmerkt, wel voor een deel van den hoofschen eerbied, dien

GUILLAUME DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier

hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in het

Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het langst stil;

de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens den hartstocht is

hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat, is verwerkt door een

didactischen geest die weer aan JEAN DE MEUNG doet denken, tot een

eenigszins schoolsch geheel, waarin theorie en practijk des levens nog

niet zijn versmolten, doch onderling verbonden naast elkander staan als

leering en voorbeeld.

Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk

Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over zijn werk. Hij

had immers willen waarschuwen en leeren, en aan het nuttige

gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? Verhalen van minne,

zelfs al waren zij verdicht, vonden immers genade ook bij kunstrechters,

die van de kunst bevordering der zedelijkheid eischten? Zoo zou men

meenen, doch te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of

verzenmaker vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij berouw

over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die met ander werk te

boeten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 87 / 113 题