AANTEEKENINGEN

[1] Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door

BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar

hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht

van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld in

_jahrbuch d.V.f.N. Sprachf._, XII, 106; XV, 39 flgg.

[2] _Ged._, bl. 127.

[3] Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de _Gedichten_,

bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot de

_heren_ o.a. bl. 16, 23-24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127-8; 109, 167;

111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14-18; 166, 224; 183, 115; 216, 257. _Van

den X Gheboeden_ op bl. 12 der _Gedichten_.

[4] _Ged._, bl. 45, 32-34; 71, vs. 14-17; 155, 153-4.

[5] _Ged._, bl. 173, 131-2.

[6] _Ged._, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.

[7] _Ged._, p. 73, no. 34; 195, 38-42; p. 240 (no. 114). Over den

invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de _Stroph. Ged._ (edd. FRANCK

en VERDAM), p. LXXXIX.

[8] _Ged._, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65-7; 71, 25 vlgg.;

149, vs. 46.

[9] Vgl. o.a. _Ged._, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5-8;

107, 18; 156, 77-78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96,

104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139-141.

[10] _Ged._, 25, 8; 36, 12-25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55,

190; 146, 290-2.

[11] _Ged._, 164, 26; 109, 149 vlgg.

[12] _Ged._, bl. 40 (no. XIX _Van Mer._); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101,

73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.

[13] Opvatting zijner taak als dichter vgl. _Ged._, 16, 1; 45, 18-20;

53, 1; 66, 9-10; 169, 10-23; 247, 5-7. Over zijn zwerven en zijn

tegenspoeden, bl. 183 (_Van der Avontuer_); invloed zijner poëzie:

_Ged._, 226, 17-21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs.

9-10; 183, 1-8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling

van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202,

213-'6. Nalatenschap _Inleid._ tot de _Ged._, IX.

[14] _Ged._, 2, 116-117; 31, 109-132; 245, 137-150.

[15] De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliau _du

Boucher d'Abbeville_ (Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III,

227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.

[16] _Ged._, 242, 36.

[17] _Ged._, bl. 116.

[18] _Ged._, bl. 236.

[19] _Ged._, bl. 117; vgl. ook vs. 16 "mit anxten zeer bevaen" en vs.

20, 23.

[20] In _Het Lied in de Middeleeuwen_, bl. 605 vlgg. is door mij

aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten

(vgl. bl. 616-617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied

het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt.

Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de

vermelding van eene bron vinden in vs. 162: "als ic las."

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 86 / 113 题