WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.

Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de persoonlijkheid en

het werk van den dichter wiens naam hierboven staat.

Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel trekken van

veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen ons den invloed

der vroegere literatuur zooveel beter dan die der meeste anderen uit

dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke en ontleende zooveel

eigens--dat WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een

afzonderlijke plaats in dit verhaal[1].

Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar het

schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is hij de

eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven en van wien wij ons

daardoor eene betrekkelijk zoo volledige voorstelling kunnen vormen.

Misschien is hij omstreeks het midden der 14de eeuw geboren, en

gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als spreker zijn

opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot het aanvaarden van dat

beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten minste komt het niet

onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner gedichten over zich zelven

spreekt waar hij een jonkman over zijne jeugd laat verhalen: hoewel van

matigen rijkdom, leefde hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan

zijn gedrag en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde

zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af en het liep mis

met hem[2].

Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid van Holland

gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij daar genoemd wordt:

"WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, _enen_ spreker" zou men opmaken, dat hij

toen nog niet zeer bekend was aan des graven hof. In het volgend jaar

echter schijnt "Meester WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn

geworden. Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor

andere "hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, te

grootsch om zes "nieuwe schilden" aan te nemen voor een rok en een paar

"Henegouwsche kronen" als drinkgeld. Met spijs en drank als loon voor

kunst is hij niet zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar

hij geen kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize van

Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, daar licht hij

zijne hielen.

Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op eigen

aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een opgegeven

onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse van Rijnsburg iets

over de Tien Geboden[3].

HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een groot deel der

toenmalige literatuur: men vindt er tal van stichtelijke of zedekundige

stukken, een paar dierfabels, een paar boerden, ook historische

gedichten aan de tijdsomstandigheden ontleend. In zijn werk is de

invloed van vroegere auteurs duidelijk zichtbaar en wij vinden er

onderscheidene trekken der gelijktijdige literatuur in terug. Een

geleerd dichter als MAERLANT of BOENDALE was hij allerminst; Latijn

kende hij niet en zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald

hebben tot den bijbel[4]. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan

met wat de geleerde "clercken" vóór hem hadden gedicht. MAERLANT'S

werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn hem niet onbekend

gebleven; doch meer had hij te danken aan het werk van BOENDALE die een

paar geslachten ouder moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker.

Stukken van _der Leken Spieghel_ zijn door WILLEM in zijne werken

opgenomen. Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat "God is als

een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God "altemale een

gheest" is, herinneren ons ook aan den _Lekenspieghel_. BOENDALE'S

beschouwing der literaire kunst is door HILDEGAERSBERCH overgenomen; de

verzen:

Const is die alrehoochste schat

Die men ter werelt ye besat.

zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk _Hoe dichters dichten

sullen_[5].

Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel slechts waarde

als voertuig van nuttige leering: "Zoo sprac Reynaert, ende hi was

vroet"--daarmede besluit hij een zijner dierfabels en in een andere waar

hij een hond doet spreken, acht hij zich verplicht den lezer te

waarschuwen:

Niet dat honden yet spreken moghen,

Mar in 't ghelijcke wert vertoghen

Menighe leer tot onser bate[6].

Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE zien wij in WILLEM'S

beschouwing der vrouwen. Bij hem als bij MAERLANT vinden wij vooral den

hoofschen vrouwendienst die zich vertoont o.a. in regels als deze uit

een stuk _Vanden goeden vrouwen_:

Twaer een kaerl onwijs te weten

Off by maten dat uut te meten,

Wat loff den vrouwen toebehoort.

"Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en ook in andere

stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht betuigd. Die eerbied

is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen die zich onder de eerzame

mengen, bellen zou willen aanhangen "die lude cloncken waer si

ghinghen"; op die wijze zou men zich voor haar kunnen wachten[7].

Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en innerlijken

vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH zich een kind van

zijn tijd. Allegorische personages als Trouw en Gerechtigheid, Rede als

portier, Trouwe als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook

bij hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en "disputacie", hij

speelt met woorden als _beschermen_ dat tot _bescheren_ wordt, met

_vaer_ [Zijnoot: vrees.] en _varen_[8]. Zijne stukken zijn, gelijk

zoovele andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld

en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De stof is er op

de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, die achtereenvolgens

nauwgezet en degelijk worden behandeld; reeksen los aaneengeregen

sententie's zijn ook bij hem niet zeldzaam.

Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: invloed

ten goede te oefenen op de menschen en de maatschappij. Wij weten te

weinig van de poëzie der overige sprekers om te kunnen beslissen of hij

ook hier als type zijner soort mag gelden; doch indien de stichtelijke

en didactische lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden

toegeschreven--en ik zie daartegen geen bezwaar--dan bevat WILLEM'S werk

ook hier het meest wezenlijke van dat zijner tijdgenooten.

Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en waarschuwingen

om wel te leven, ten einde zalig te kunnen sterven; te geven "metter

wermer hant" [Zijnoot: nog bij iemands leven.], niet gierig te zijn, de

goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, indachtig te

blijven dat wij "geen _morgen_ hebben", dat wij allen "op de lange

vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge heeren met de bede om recht

en billijkheid te betrachten, klaagt over het onrecht dat zij laten

geschieden, waarschuwt anderen zich niet al te veel met de groote heeren

in te laten. Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den

waarachtigen rechter: God "die elken man ghelike recht". Den steden

wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig zijn,

geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen[9].

Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij WILLEM het

verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken van het heden

scherp uitkomen. Het heden ligt voor hem in het booze: Reinaert staat

aan het roer en Simon [Zijnoot: verpersoonlijking der simonie.] op de

voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden Trouw en

Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan zijn eigen kist te

vullen. Midden in een of ander verhaal uit het verre verleden zien wij

hem soms plotseling terugkeeren tot zijn eigen tijd, om dien tegenover

het betere verleden te plaatsen[10].

Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT zóó forsch

deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH die leven moest van het

publiek. De zorg voor het dagelijksch brood hing den armen spreker als

een kluister aan het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of

hij zal het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:

Want een dichter moet hem hoeden

Voer den ghenen diet sullen horen,

Dat sijs [Zijnoot: zij het.] in nide noch in toren

Niet en nemen dat hi maect.

Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge hun toch niet

te lang vallen als zij goede leering hooren! Zijnerzijds belooft hij

maat te houden:

Een dichter die hem wel verstaet,

Dien dicht niet al sijns selfs begheren.

Niet te lang, "dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan zal hij

zich ook maar houden[11]. Vandaar in zijne gansche houding tegenover

zijn publiek iets slaps en zwaks. Het hoogste waartoe hij het in dezen

brengt, is zachte ironie die in haar soort vooral voor dien tijd

verdienstelijk is:

Waerom souden wy trueren yet?

Sint God die werelt werden liet,

So ne was sy nye so wel te vreden.

Die paeus die leeft by goeden reden

Om te dienen onsen Heer

al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus kent men geen

afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten zijn rechtschapen waar men

komt--meer zal ik er niet van zeggen.

Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de middeleeuwsche

literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk tracht ook deze

leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; doch van hoe weinig

idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche argumenten. De tien

geboden moet men houden. Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder

te doorstaan dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden

zelden oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen jichtig

en lam. Met "wychelinge" [Zijnoot: de zwarte kunst.] moet men zich niet

afgeven: zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden; men

kan immers "met minre arbeide" één God aanbidden dan vele? God moet men

"te vriend houden" en eenvoudig weg gelooven dat Hij, onze Heer van den

hemel, is één God en drie personen--"daer comt men by ten hoghen loon."

Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden

zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige schapen wel

scheren, maar het vel moeten zij hun laten; dan kan er immers nieuwe wol

op groeien! Wat overigens het onrecht betreft, dat moet men verdragen en

zachtkens terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel

kwaad, zijne onderdanen moeten steeds

smeken ende nygen [Zijnoot: vleien en buigen.]

Om hoers heren hulde [Zijnoot: gunst, genegenheid.] te crigen.

WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten weg is

afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch de leeken moeten er

zich maar niet te zeer aan ergeren en slechts letten op wat de priesters

hun _leeren_; er kan wel goed zaad gestrooid worden uit een slechten

korf[12].

Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der waarheid te

zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH geleerd;

hij heeft getracht die leer in praktijk te brengen, doch zijn beroep

kwam telkens met zijne roeping in strijd. "De waarheid wil niet gehoord

zijn" dat was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden

dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die berusting hem niet tot

lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien met de riemen die hij had.

Ik zal leeren dicht bij het wit te schieten, niet het wit zelf te

treffen, zegt hij in het gedicht _van den coninc van Poertegael_. Maar

zijn eerlijk eenvoudig hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid,

blijft droevig gestemd:

Hoe sal ic dan, arme oude,

Die gaerne die waerheit spreken soude,

Der heren gunst of hulde verwerven?

In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk

blijven verkeeren tot zijn dood.

Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. Doch al

was zijn voorspoed naar de wereld gering, hij wilde zijn loon verwachten

van God, zijn lijden geduldig dragen. Had het sprekerswerk hem geen

stoffelijke winst gebracht, ook den invloed, door hem als dichter

geoefend, schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit?

vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de menschen

worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging en billijkheid in hen

blijven als in bodemlooze vaten. Elders klinkt het zonder spot en

mismoedig:

Oft al om niet is dat ic doe,

Wat sel dan arbeit onderstaen?

[Zijnoot: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"

Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone "exempelen"

heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen spraken van

rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk men treedt op het

pad naar den hemel--hoe vuil het pad is dat ter helle voert. Maar weinig

hebben de menschen er zich om bekommerd; zij hebben den achterkant naar

voren gekeerd

Dus clop ic veel an doofmans deur;

Al roep ic lude, en mach niet in.

Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt vergeten,

zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het vesperklokje luiden.

Zelf is hij moede en verlangt naar rust. Eindelijk komt de man "met het

witte kleed",.die niemand spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht

graaf WILLEM VI een boek "dairin stonden vele schoonre sproken, die

Willem van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste

nalatenschap van onzen spreker geweest zijn[13].

Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, indien zijn

talent zich onder gunstiger omstandigheden had kunnen ontwikkelen. Want

eenig talent had WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen

zijn niet zelden aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke

woorden, die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen

langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk tooneeltje,

waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het spinrokken zien, terwijl de

jonge kuikens met de klokhen om haar heen in de zon loopen. De

vergelijking van het leven bij een zeereis is ook verdienstelijk

uitgewerkt[14].

Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne fabels en

de sproke _van Sinte Gheertruden min_, maar vooral uit de twee boerden

_van het gestolen varken_ en _van den Monnik_[15]. Welk een levendigheid

en gang is in die verhalen, al worden zij hier en daar vertraagd door de

zucht tot leering en vermaning; welk een talent van waarnemen en

voorstellen; welk een blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De

door den duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor echten

volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen van waarneming.

Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; hij toont het ook waar hij

anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. Hoe juist heeft hij die zwakke

en zorgelooze menschen gezien, die zich geene behagelijke zonden willen

ontzeggen en denken: als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf

wel afnemen en onze "nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst

de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in woorden

gebracht:

Als my die tijt verlanghen dede,

So had ic ziecte ende onghevoech,

Ic hoorde wat die clocke sloech,

Die tijt, die ghinc van ure tot uren[16].

Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden genoemd. Zoo

b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:

Ic heb op [Zijnoot: tegen.] scheyden horen spreken,

Dattet vroechde mochte breken

Onder tfolc, verre off naer,

Die uut dier nature beke

Mit ghenoechten soude leken,

En dede [Zijnoot: indien er niet was.] der argher nyders schaer,

Die menichwerve binnen der weken

Goet gheselscap doen versteken,

Die liever bleven tsamen daer,

Al moeten si scheiden ane vaer [Zijnoot: zonder vrees.] [17].

Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat ons in een

middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft en dat wij vóór

dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen bij MAERLANT, waar

hij zijne grijze haren in den spiegel ziet. Ik heb het oog o.a. op een

reeds vroeger vermeld stuk, dat wel een van des dichters laatste zal

zijn:

Ic bin al moede, ic wil gaen rusten;

Van des mi wilen [Zijnoot: vroeger.] plach te lusten

Des wordic sat, en weet niet hoe.

enz.[18]

Ook op de inleiding van het gedicht _Van Ghilden_, waar hij op zoo

naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij zich gevoelt door

zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd is hij bang in strijd te

komen met "die scrifture", wanneer hij iets gemaakt heeft. Die "anxte

zwaer" voor de wijsheid, die in geschriften ligt opgetast, benauwt hem,

drukt op zijn denken en zijn verbeelding, als het net op een vogel.

Denkt hij over iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles

misschien lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:

Want die clergie [Zijnoot: de geleerden.] is so subtijl:

Daer ic om peynse lange wijl,

Dat vinden sy varinc [Zijnoot: schielijk.] inder scrift;

Dit doet dat ic met anxten dicht.

Anxte die heeft my veel becoort,

Als ic dichte of brenghe voort

Enigherhande hoghe sake[19].

In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het behoeft geen

betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft. De boerde _van den

Monnik_ en, in mindere mate, die _van het gestolen varken_ toonen ons

wat hij kan, indien hij zich durft laten gaan; doch vermoedelijk zal hij

zelf deze stukken niet hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er

onder zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance _van Sinte

Gheertruut_[20]. WILLEM'S bewerking heeft meer dan driemaal den omvang

van de romance; in dichterlijke waarde echter overtreft het lied van den

volksdichter de sproke van den spreker: de eerste is een werk van

verbeelding, de laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er

HILDEGAERSBERCH van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de

beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere deelen der

stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders aannemelijker te

maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich

zoozeer aangetrokken voelde. Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan

zijn publiek ter leering:

By desen _exempel_ moochdi leren,

Dat hem nyemant en laet bedrieghen.

en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te richten

met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.

De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in wien het

verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij eens onverstandig

handelt, daarover door den dichter berispt wordt: "Doe en dede hi niet

als die vroede." Hij gevoelt wel liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het

is hoofsche liefde:

Ghestade te bliven in horen dienst

Sonder enich dorperheit;

De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; hij

houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt den beker tot den

bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone non tenauwernood

bedwingen: als hij haar in het klooster eens niet mag zien of spreken,

vreest hij dat zijn hart breken zal.

Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie die uit de

sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. Nergens blijkt

dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van den ridder, wanneer

hij al zijn goed in den dienst van SINTE GHEERTRUUT heeft verteerd. De

overeenkomstige deelen van beide gedichten volgen hieronder:

_Lied_ (c. 10-14).

Drie jaer lanc heeft die ridder dit

[ghepleghen,

Des so en heeft hi niet behouden:

Sijn schat ende sijn goet heeft hem

[altemael begheven,

Des hadde die ridder also groten rouwe.

"Adieu, goet lief ende blijft ghesont,

"Adieu, ende ic moet immer van u

[scheiden!

"Die wech en is mi niet becant,

"Te dwalen aen gheenre wilder heiden.

"Och, lacy, god, het is altemael verloren:

"Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit!

"Hadde ic dat so wel gheweten te voren,

"Ic woude van der joncfrouwen hebben ghescheiden."

Dus is die ridder uutghestreken

In eenre duustre avontstont,

Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder heiden,

Die wech en was hem onbecant.

Doe dat quam omtrent der middernacht,

Druc ende liden so ghinc den ridder an,

Die viant [Zijnoot: de duivel.] die hadde hem also schier verwracht,

Hi stont gheschapen of dat waer een man.

_Sproke_ (vs. 148-170).

Daer nae wart hi des ghevens mat,

Want sinen staet die quam ten ende.

Doe was die ridder in ellende,

Ende hi en wiste hem ghenen raet:

Dat dede, hi most sijn hoghe staet

Dalen laten aen sinen danck.

Doe wort sijn hope al te cranck,

Ende hi dochte in sijn moet:

"Al creghe ic dese joncfrou goet,

"Ic en mochtse niet in eren houden,

"Waer op so willic mi verhouden

"Off verstroyen tenighen tijden?"

Doe most die ridder sorghe lyden,

Des hi onghewone was

Daer te voren, als ic las.

Ende als hi stont in dit ghepeyns

Ende dochte harwaert ende gheyns

Doe quam die bose tot hem ghegaen

Ende was recht als een man ghedaen

So wye dat in wanhope sy,

Daer is die vyant gheerne by;

Want hy en [Zijnoot: hem.] dan best becoren mach,

So poecht hire om nacht ende dach.

Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het contract met

den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, de tweede

samenkomst van den ridder met den duivel zien wij dergelijke

tegenstellingen als in de boven medegedeelde stukken. Opmerkelijk is

ook, dat bij die tweede samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT,

blijkbaar onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, den

Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor eene heilige minder

passend zal hebben gevonden, maakt er geen gewag van.

De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon en werk ten slotte

bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een dichter van eenig talent

die gaarne zijne roeping als dichter zoo goed mogelijk zou vervullen,

daarin belemmerd of verhinderd door den dwang van zijn beroep; dien de

ontwakende wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft

laten gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een

ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die scheidt uit

dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij tevergeefs heeft

geleefd.

Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een merkwaardig

type van de dichters der 14de eeuw; merkwaardig ook als

vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid waartoe hij

behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover de Vlamingen--deze

Hollander vond zijne voorname leermeesters in den Vlaming MAERLANT en

den Brabander BOENDALE. In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het

eerst dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden

geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen zullen

gewagen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 85 / 113 题