[1] Vgl. _Vad. Mus_., I, 369 (ook _Mnl. Ged_., ed. DE PAUW, III, 667).
VERWIJS, _X Goede Boerden_, no. VIII: "ene boerde" en _Mnl. Wdb._ i.v.
b.v. "die boerde van den Grale".
[2] Vgl. _Mnl. Ged_. (ed. DE PAUW), I, II, 37; _Rumbeeksche
Avondstonden_, p. 23: "eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige
coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden
uitgesproken; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204, 222, 131, 114, 109 ("dese
miracle"). _Goede Boerden_, p. 11 (ook vs. 222: "dit exempel"); _Belg.
Mus_., I, 326.
[3] In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, zou ons
in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid
bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer boerden en
sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de aanwijzingen, in
dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1o eene verwijzing naar de _Hist.
Littéraire de la France_, T. XXIII, 143, 201. 2o. De stof _van den cnape
van Dordrecht_ vindt men terug in het fabliau _du fotéor (Recueil
général et complet des Fabliaux_ van MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3o.
De stof der tot nog toe onuitgegeven boerde _van Heile van Berseele_
vindt men, naar het schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij
CHAUCER in _The Miller's Tale (Canterbury Tales)_. De vraag mag gesteld
worden, of CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook
in _The Pardonere's Tale_ de passage aanvangend: "In Flandres whilom was
a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: _Anglia_, I, 38, 186; II,
135. (R. KÖHLER). 4o. Aan het slot van het fabliau _De le vescle a
prestre_ (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:
Jakes de Baisiu, sans dotance, L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc
rimée.
Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een
paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking zijne
blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke "Van eenen
verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204-212)
vinden wij in "_Li dis dou Magnificat_" van den Henegouwschen menestreel
JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl. _Dits
et Contes de Baudouin de Condé_ par A. SCHELER, II, 355 suivv.
[4] Vgl. _Goede Boerden_, p. 11, vs. 4; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 101;
voorts: ald. III, 111, vs. 4-5; III, 186; _Vad. Mus._, I, 50, vs. 6-8;
_Belg. Mus._, I, 326, vs. 12-17; 328, vs. 64-5; 336, vs. 354-5.
[5] _Goede Boerden_, bl. 1, 4, 19; _Belg. Mus._, III, 108-114; KAUSLER,
_Denkmäler_, III, 165. In de boerde _van Heile van Berseele_ behalve
Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.
[6] In de _Chansons du XVe siècle_ (ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX)
de uitdrukking: "faire la follie" of "faire la sottise" in dezen zin.
Vgl. ook: _Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged._, no. LXXI: "dat sotte dinc
doen". Ook de Oudfransche "gabs" in de _Pélérinage à Jérusalem_.
[7] _Belg. Mus._, X, 52.
[8] _Goede Boerden_, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is
verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.
[9] Vgl. _Lancelot_, III, 16040 en _Torec_, vs. 276.
De hier bedoelde boerden zijn: _Van enen man die lach gheborghen in ene
scrine_; _van den cnape van Dordrecht_; _een bispel van II. clerken; van
Lacarise den katijf_ (_Goede Boerden_, ed. VERWIJS, I-IV); _Belg. Mus._,
X, bl. 51 vlgg.: _van den man die gherne dranc_; _tghoede wijf maect den
goeden man_; _van III. ghesellen die den bake stalen_; _Belg. Mus._,
III, 108: _Wisen raet van Vrouwen_, vollediger in VERWIJS' _Bloemlezing
uit Mnl. Dichters_, III; _Van Vrouwen ende van Minne_ (ed. VERWIJS), no.
II; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 111 _van der weldaet die de duvele dede_.
Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te
Brussel, no. 1171, 2e serie: _van den visscher van Parijs_ (_Recueil
Gén. des Fabl._, III, 68: "Du péschéor de pont seur Saine"); _van Heile
van Bersele_ (zie boven) en _Van der vrouwen die boven haren man minde_
(_Rec. Général_, V, 132-142: "De la dame qui fist entendant son mari
qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken
aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger
vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt
medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundel _Van Vrouwen ende van
Minne_, zal wel eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die
ook behandeld wordt in het fabliau _de Trois aveugles de Compiègne_
(_Rec. Général_, I, p. 70).
[10] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 118-120.
[11] _Van Vrouw. e.v. M._, no. VIII.
[12] _Belg. Mus._, VIII, 96.
[13] _Id._, X, 64.
[14] Het _Baghynken van Parijs_ uitgeg. door de Maetschappij der
Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche
uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in _Konst- en Letterbode_
van 1853, II, 50-55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijne _Annales_,
no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (_Geistliche Gedichte des
XIV. u. XV. Jahrh._, O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste
helft der 15e eeuw. Vgl. ook: _Jahrb. des Ver. für niederd.
Sprachforschung_, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er
mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
De overige sproken vindt men: _Belg. Mus._, I, 326: _Een scone exempel
van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester_; _Belg. Mus._, X,
57 vlgg.: _van den verwenden keyser_; _de mantel van eren_; _van enen
here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder_. (Ook in
KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 131: _een goet exemple_); _van tween
kinderen die droeghen ene starcke minne_. (Ook in: _Taalk. Bijdr._, I,
244, een andere bewerking); _Belg. Mus._, X, 339: _van enre nonnen
verduldechede_; _Van Vrouwen ende van Minne_, no. VIII; KAUSLER,
_Denkm._, III, p. 101, 118, 165, 186; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII,
46; _Belg. Mus._, VIII, 96: _Van den ouden ridder ende den jonghen_;
_Vad. Mus._, I, 50: _Van enen ridder die God sine sonden vergaf_; 57:
_vanden goeden Brueder_; de exempelen in den _Spieghel der Sonden_
opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg.
[15] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204.
[16] _Vad. Mus._, I, 51.
[17] KAUSLER, _Denkm._, III, 165, 109; _Belg. Mus._, X, 76, vs. 1; 58,
vs. 11; _Vad. Mus._, I, 57, 66; p. 49-50; p. 98, vs. 34-5.
[18] _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3. (_Depllijcheit_ zal wel eene
verschrijving zijn voor _Spellycheit_.)
[19] Vgl. _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104;
_Belg. Mus._, X, 218 vlgg.
[20] PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.
[21] _Goede Boerden_, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.
[22] _Vad. Mus._, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing
eerst in _Manon Lescaut_; in HOOD'S _Bridge of Sighs_, b.v. in:
Still, for all slips of hers, One of Eve's family.
De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S _Handske_.
[23] _Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten_, no. 99, 101.
[24] De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen
berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen
achter JONCKBLOET'S _Gesch. der Middennederl. Dichtkunst_, III en verder
in de _Cameraars-Rekeningen_, III, 349; DE LANGE VAN WIJNGAERDEN'S
_Gesch. van Gouda_, I, 656; Oudste rekening der stad Antwerpen ao 1324
(in: _Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen._, IV, 114); _Het Lied in de
Middeleeuwen_, hoofdstuk VII. Over muziekscholen der meistreels Deel XX
der "_Annales de la Société d'Emul. pour l'Etude de l'histoire et des
antiquités de la Flandre_", p. 53. _Préludes historiques sur la ghilde
des Ménestrels de Bruges_ door DÉS. VAN DE CASTEELE.
[25] BÄUMKER'S _Niederl. geist. lieder_ etc. in: _Vierteljahrschrift für
Musikwissenschaft_, Leipzig, 1888, no. 63.
[26] Medegedeeld door ACQUOY in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, IV,
334-6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van "Kinne Wippchen"
in: _Das deutsche Kinderbuch_ von KARL SIMROCK, S. 5. Een Engelsch
voorbeeld: "Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S _Nursery Rhymes_,
p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: "_Menton d'or, bouche d'argent_"
etc.; vgl. SCHEFFLER'S _Französische Volksdichtung_, I, 239.
De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes vond is
van 1680 in het liedboekje _Amsterdamse-Spinhuys_, bl. 76: "Een aerdig
Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":
De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. Hey, wat is dat,
Hille? Dat is mijnen krullebol, Och vader enz.
Achtereenvolgens komen dan de _oogjes_ (kijck-uyt), _neusje_
(snuyt-uyt), _montje_ (slock-op), _kinnetje_ (kinne-klap) enz. Dat dit
lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak
niet af.
[27] Vgl. bl. 199 van: _Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der
XIVe en XVe eeuwen_. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der
14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt
en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding.
De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen
zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.
[28] Vgl. _Horae Belgicae_, X, no. 39 en _Het Lied in de Midd._, bl. 605
vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie
overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens "overslaghend" dan
paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.
[29] Uitgeg. in den bovengenoemden bundel _Oudvlaemsche Liederen_ enz.
[30] De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht
worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd
in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: _Het Lied in
de Midd._, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, _Les Epop. Franç._ (2e éd.), III,
555 en A. DARMESTETER, _De Floovante_, p. 78: "Hodie demonstratum est"
etc. Dr. A. NIJLAND, _Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift_ en
de critiek van Dr. FRANTZEN in _Taal en Letteren_, 1896, afl. 3.
[31] Vgl. no. XXXVIII en CXXI.
[32] Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: "Woude mi de
vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet:
"In 't scade van tween witten dien" enz.
[33] Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen
doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no.
45: "den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de
"niders" in no. 84.
[34] no. 96, 125, 140 (opgenomen in _Het Lied in de Midd._, bl.
269-270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.
[35] no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.
[36] _Vad. Mus._, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het
bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men:
"Dits een rondeel.... Vrou met eren... nacht. Ene ander maniere den bom"
geschreven boven muzieknoten (_Vad. Mus._, III, 141). _Bonghe_, _bom_
wordt in het _Mnl. Wdb._ verklaard met _trom_; maar in de _Oudvl.
Lied._, no. 38 wordt van de _snaren_ der _bonghe_ gesproken.
[37] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIV, 260 vlgg.
[38] Vgl. _Oudvl. Lied._, no. 56, 41, 45, 49.
[39] Boek III, c. 43.
[40] Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij
te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (_De Gids_ van
Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: _Hor. Belg._, II, no. 3. Vgl.
voorts _Het Lied in de Midd._, bl. 117 vlgg. en _Middelned.
Historieliederen_ door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN
LENNEP'S _Vondel_, III, 350 noot op vs. 113-114. Over de bekendheid van
het lied in lateren tijd vgl. _Het Lied in de Midd._, bl. 694, 708, 714,
715, 729, 734.
Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de
16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende
overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S _Henrik
de Groote_ (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van _Antonis
Nantoillet du Prat_.
[41] De tekst o.a. _Hor. Belg._, XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL
FRÉDÉRICQ, _Onze Historische Volksliederen_, bl. 16. (F. zag het eerst
de beteekenis van den zonderlingen titel _van cort Rozijn_). Dr. V.D.
GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._, bl 453. De
beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van
Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor;
vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een "fier ghelaet"
toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de
stad Gent te onteeren.
[42] Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. V.D. GRAFT
in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S
_Ned. Geschiedzangen_, bl. 44 en 56.
[43] _Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon_ (ed. C. PYNACKER
HORDIJK), p. 1-3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI).
Dat dit eerste deel "krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS
Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID
VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van
weinig gewicht. Van belang voor ons is, _dat_ de kapelaan deze
geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.
[44] VERDAM in: _Versl. en Meded. Kon. Akad._, 4e Reeks, Dl. II, 156.
[45] _Mnl. Gedichten_ (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat
_Onser Vrouwen Claghe_ uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk
genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede
gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze
loopen, terwijl vs. 1-185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst
slordig overgeleverd.
[46] A.w. I, 56, 332-'4.
[47] A.w. I, 245.
[48] VERDAM t.a.p. bl. 170.
Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de
genoemde werken en de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._, bl. 1 vlgg.
[49] Vgl. _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT,
_Oudvl. Ged._, II, 116, vs. 175-6; 119, vs. 179-182; 120, vs. 137-140.
[50] Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; vgl. de
bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.
[51] Vgl. BLOMMAERT, _Theophilus_, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S
_Bibliographie_ i.v. In het Fransch bestaat eene "Desputaison du corps
et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht.
Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209-210. Voorts _Romania_, IX, 311; XX,
1-55, 513-578 en _Zeitschr. f. rom. phil._, IV, 74-80. Een afzonderlijk
onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen
bepalen.
[52] Vgl. _D. War._, II, 352; III, 242; _Belg. Mus._, II, 237. Indien
men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8,
12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie
variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan
ééne).
[53] De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: _D. War_,
VII, 377; IX, 6, 142; _Vad. Mus._, II, 151; _Oudvl. Lied. en Ged._, bl.
380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; _Versl. en Meded. der Kon.
Akad._, 3e Reeks, Deel XII.
[54] De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in
_Vad. Mus._, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A.
NIJLAND, p. 185; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 94 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T.
en L._, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.;
XVI, 306 vlgg.
Vogel-spreuken vindt men behalve _Vad. Mus._, I, 319-321, ook nog in het
Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig
bundeltje, getiteld: "Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.
Vgl. voorts nog: _Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung_,
no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend
VERDAM).
[55] Zie deze stukken in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 210, 289 en _D.
War._, I, 134.
[56] _Vad. Mus._, I, 82, 86, 322, 324.
[57] Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S _Oudvl. Ged._, II en III.
[58] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XII, 103.
[59] Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' _Van Vrouwen ende
van Minne_, p. 1, 8, 40, 42; _Vad. Mus._, I, bl. 80, 318; KAUSLER,
_Denkm._, III, 162; BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, II, 111-120; _Tijdschr. v.
N.T. en L._, XI, 286, vs. 15; XII, 103.
In _Achte Persone Wenschen_, vs. 20 te lezen _'t Gelach_ in plaats van
_'t Gelaet_ dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs.
179-180.
[60] In de _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 233 vlgg. De invloed van den
roman _van de Roos_ op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche
navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er
een, getiteld _Li Mireoirs as Dames_ (eerste helft der 14e eeuw). Vgl.
_Dits de Watriquet de Couvin...._ par A. SCHELER, p. 1 suivv.
[61] Vgl. o.a.: _Van Vrouw. e.v. Minne_, bl. 37 vlgg.; _Belg. Mus._,
VII, 229; X, 84; _Vad. Mus._, I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A.
NIJLAND, bl. 152 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 269 vlgg.
(misschien aanvang der 15e eeuw); _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 314 vlgg.
[62] _Vad. Mus._, I, 366-369, 387-391. Voorts: _Die gereimten
Liebesbriefe des deutschen Mittelalters...._ von ERNST MEYER. (Marburg.
1899). Op bl. 88-92 behandelt de S. in "_Die niederländischen
Liebesbriefe_", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het
is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend
heeft.
[63] _Vad. Mus._, I, 369.
[64] _Vad. Mus._, I, 393.
[65] Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.
[66] _Goede Boerden_, no. VIII en no. VII.